Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0894

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-01-2002
Datum publicatie
29-03-2002
Zaaknummer
AWB 02/3281, 02/3283 BEPTDN H
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / 48-uurstermijn.

Verzoeker is op 8 januari 2002 om 21.10 uur bij de SRA aangemeld voor de voorbespreking van het nader gehoor. De voorbespreking eindigde op 9 januari 2002 om 12.53 uur. Zodoende heeft de SRA de haar toebedeelde tijd met 3 uur en 43 minuten overschreden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze tijdsoverschrijding niet aangemerkt kan worden als proces-uren, omdat verweerder deze uren redelijkerwijs niet voor onderzoek naar de aanvraag heeft kunnen benutten. Immers het vervolgen van het onderzoek naar de aanvraag na afronding van het eerste gehoor betekent het afnemen van het nader gehoor. Met het afnemen van het nader gehoor kon verweerder echter pas een aanvang maken nadat de vreemdeling zich met zijn rechtshulpverlener op het nader gehoor had voorbereid. Voorts blijkt uit de 'Voortgang procedure AC-Schiphol' dat verweerder reeds op 10 januari 2002 om 21.15 uur de (concept) beschikking gereed had, maar met de uitreiking in afwachting van de resultaten van de nabespreking van het nader gehoor heeft gewacht tot 11 januari 2002, 9.45 uur. Met het opstellen van de beschikking op 10 januari 2002 om 21.15 uur was op dat moment verweerders onderzoek vooralsnog geëindigd. Niet valt in te zien welke activiteiten verweerder redelijkerwijs kon uitvoeren. Pas na het afronden van de nabespreking van het tweede gehoor door de vreemdeling en zijn rechtshulpverlener op 10 januari 2002 om 21.40 uur kon verweerder de behandeling van de aanvraag weer voortzetten. Echter, zelfs wanneer de uren die verweerder niet voor onderzoek heeft kunnen benutten (4.08 uur), buiten aanmerking wordt gelaten, is de conclusie dat verweerder de aanvraag van verzoeker heeft afgewezen buiten de in artikel 3.112 Vb bedoelde 48 procesuren.

Er bestaat evenwel aanleiding om op de voet van artikel 8:72, derde lid, Awb de rechtsgevolgen van de onderhavige beschikking in stand te laten. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging door Hezbollah en komt derhalve niet in aanmerking voor de gevraagde verblijfsvergunning asiel. Hierbij weegt mee dat verzoeker heeft aangegeven om financiële redenen zijn land van herkomst te hebben verlaten. Voorts zijn van de zijde van verzoeker geen inhoudelijke argumenten aangevoerd tegen de bestreden beschikking. Ten slotte is in dit verband van belang dat de inhoud van de verklaringen van verzoeker en hetgeen hij overigens naar voren heeft gebracht geen enkele aanknopingspunt bevatten dat nader onderzoek naar zijn asielmotieven informatie zou kunnen opleveren op grond waarvan verweerder gehouden zou zijn verzoeker een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw 2000 te verlenen. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2002-01-25
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 2002-01-25
Vreemdelingenbesluit 2000 3.111, geldigheid: 2002-01-25
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2002-01-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 02 / 3281 BEPTDN H (voorlopige voorziening)

AWB 02 / 3283 BEPTDN H (beroepszaak)

inzake: A, geboren op [...] 1966, van Libanese nationaliteit, met onbekende verblijfplaats, verzoeker,

gemachtigde: mr. B. Snoeij, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. R.J.R. Hazen, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 11 januari 2002, genomen in het kader van de zogenoemde AC-procedure, is de door verzoeker op 7 januari 2002 ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 11 januari 2002 beroep ingesteld.

1.2 Bij verzoekschrift van 11 januari 2002 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 22 januari 2002. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigde hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 De AC-procedure leent zich slechts voor die zaken waarin geen tijdrovend onderzoek nodig is en waarin binnen 48 proces-uren op zorgvuldige wijze kan worden beoordeeld dat de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 Vw kan worden afgewezen.

2.4 Ingevolge het bepaalde bij artikel 1.1, aanhef en onder f, Vreemdelingenbesluit 2000(Vb) wordt onder proces-uren verstaan: de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 in een aanmeldcentrum beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22.00 tot 8.00 uur niet meetellen.

2.5 Namens verzoeker is aangevoerd dat de beschikking op de aanvraag niet binnen 48 proces-uren is uitgereikt. Reeds hierom kan het bestreden besluit geen stand houden. In dit geval begon de termijn op 7 januari 2002 om 11.10 uur. Op 10 januari 2002, om 17.10 uur waren 48 proces-uren verstreken. Nu de beschikking aan appellant eerst op 11 januari 2002 om 9.55 uur is uitgereikt, is er sprake van tijdsoverschrijding. De overschrijding van het aantal uren dat was toegekend aan de rechtshulpverlening voor de voor- en de nabespreking van het nader gehoor dient niet voor rekening van verzoeker te komen, aangezien deze uren door verweerder konden worden benut voor het onderzoek naar de aanvraag, aldus de gemachtigde van verzoeker. In dit kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2001 (200105777/1). Voorts heeft verzoeker opgemerkt dat op 8 januari 2002 door verweerder het dossier voor de voorbereiding van het nader gehoor om 21.10 uur bij de SRA is neergelegd. Dat is vijftig minuten voor sluiting van het aanmeldcentrum. In deze laatste vijftig minuten van een dag kan de rechtshulpverlener geen begin meer maken met de voorbespreking van het nader gehoor, zodat het niet redelijk is deze tijd als tijd bestemd voor de rechtshulpverlener aan te merken.

2.6 Verweerder heeft betoogd dat de aanvraag binnen 48 proces-uren is afgedaan. Hoewel strikt genomen de termijn van 48 uur is overschreden, is die overschrijding een gevolg van het wachten op de afronding van de voor- en nabespreking van het nader gehoor. Onder verwijzing naar de toelichting bij artikel 3.117 Vb stelt verweerder dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat de situatie ontstaat dat een aanvraag niet in het aanmeldcentrum kan worden afgedaan louter omdat de vreemdeling meer tijd heeft benut voor rechtsbijstand dan hij formeel daarvoor beschikbaar heeft. Ingevolge artikel 3.117, tweede lid, Vb, dient de vreemdeling zijn zienswijze binnen drie proces-uren schriftelijk naar voren te brengen, maar in dit geval heeft verzoeker daarvoor in totaal 8.45 uur benut. De tijdsoverschrijding dient voor rekening van verzoeker te komen, nu deze uren redelijkerwijs niet door verweerder konden worden benut voor het onderzoek naar de aanvraag. De zorgvuldigheid die bij de besluitvorming in acht dient te worden genomen vereist immers dat verweerder met het nemen van een beschikking wacht totdat verzoeker zijn reactie op het voornemen heeft gegeven. Ook het ontbreken van de slotzin van artikel 3.115, zesde lid, Vb („Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat aan het geven van de beschikking niet in de weg“) welke bepaling geldt voor de ‘gewone’ asielprocedure, in artikel 3.117, vijfde lid, Vb wijst erop dat het de bedoeling is van de wetgever dat verweerder geen beschikking uitreikt voordat de vreemdeling zijn zienswijze op het voornemen heeft uitgebracht. Tot slot verzoekt verweerder het onderzoek aan te houden tot de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich in hoger beroep in een soortgelijke zaak uitspreekt, welke zaak op 24 januari 2002 dient.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.7 Allereerst is de voorzieningenrechter niet van oordeel dat het onderzoek onvolledig is geweest, zodat geen aanleiding bestaat het onderzoek te heropenen. Voorts staat geenszins vast dat op korte termijn een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State valt te verwachten die relevant zal zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak. Het verzoek van verweerder om de behandeling van de zaak aan te houden totdat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak heeft gedaan in een naar verweerder stelt soortgelijk geval wordt dan ook afgewezen.

2.8 De gemachtigde van verzoeker heeft ter zitting afgezien van grieven die betrekking hebben op de inhoud van het bestreden besluit van verweerder. De voorzieningenrechter stelt vast dat uitsluitend in geschil is de vraag of verweerder bij het afwijzen van de aanvraag van verzoeker de grens van 48 proces-uren heeft overschreden.

2.9 Uit de gedingstukken blijkt dat, nadat verzoeker zijn aanvankelijk opgegeven identiteit had gewijzigd, de behandeling van zijn aanvraag opnieuw is aangevangen op 7 januari 2002 om 11.10 uur en de beschikking is opgesteld op 10 januari 2002 om 21.15 uur, waarna deze op 11 januari om 9.45 uur is uitgereikt. Door de rechtshulpverlener van verzoeker is voor de voor- en de nabespreking van het nader gehoor tijd gebruikt op 8 januari 2002 van 21.10 uur tot 9 januari 2002 12.53 uur en op 10 januari 2002 van 12.55 uur tot 21.40 uur.

2.10 De voorzieningenrechter stelt voorop dat het aanmelden van een zaak bij de rechtsbijstand op een tijdstip kort gelegen voor sluiting van het aanmeldcentrum in beginsel als onwenselijk moet worden beschouwd. Het verdient de voorkeur in een dergelijk geval de aanmelding van een zaak naar de opening van het aanmeldcentrum de volgende dag te verschuiven. In het onderhavige geval heeft verzoeker echter niet aannemelijk gemaakt dat de ruime tijdsoverschrijding bij de voorbespreking van het nader gehoor veroorzaakt werd door de aanmelding door verweerder van de zaak bij de SRA op een tijdstip kort voor sluiting van het aanmeldcentrum. Er is dan ook geen aanleiding voor de aanvang van de tijd bestemd voor de vreemdeling en zijn rechtshulpverlener om zich voor te bereiden op het nader gehoor niet uit te gaan van 8 januari 2002 om 21.10 uur, het moment waarop verweerder de zaak aan de SRA heeft overgedragen.

2.11 In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2001 (200105777/1) is in het kader van de 48 uurs-procedure het volgende overwogen:

„ Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Vreemdelingenwet 2000 en de toelichting op het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft de wetgever er voor gekozen om ter bepaling of een aanvraag geschikt is om in een aanmeldcentrum te worden afgewezen, een naar tijdsduur gemeten maatstaf voor te schrijven. Daarbij heeft de gedachte voorgezeten dat de maatstaf dat binnen 48 proces-uren afdoende kan worden beoordeeld of de aanvraag kan worden afgewezen, waarborgt dat slechts zaken worden afgehandeld, die geen tijdrovend onderzoek vergen.

De aldus gekozen maatstaf kan deze door de wetgever beoogde waarborg slechts bieden, indien de uren die voor onderzoek beschikbaar zijn, worden beschouwd als in aanmerking te nemen proces-uren. Artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vb 2000 strekt daartoe. Uit die bepaling vloeit voort dat, buiten de uren van 22.00 tot 08.00 uur, in beginsel alle uren die sedert de aanmelding van de vreemdeling tot de uitreiking van de beschikking verstrijken, als proces-uren zijn aan te merken, met uitzondering van de uren die tengevolge van door verweerder aan te voeren en aannemelijk te maken feiten en/of omstandigheden redelijkerwijs niet konden worden benut voor het onderzoek van de aanvraag.

Gelet op de rechtsgevolgen die de wet verbindt aan afdoening van asielzaken binnen 48 proces-uren, moet hieraan omwille van de rechtszekerheid strak de hand worden gehouden. Dat in feite geen onderzoek plaatsvindt of extra tijd wordt besteed aan bepaalde delen van het onderzoek is op zichzelf geen grond voor het oordeel dat de daarmee gemoeide tijd niet voor het onderzoek beschikbaar was. Ware dit anders, dan zou door middel van wat appellant wel noemt „het stilzetten van de klok“ ook verhoudingsgewijs tijdrovende vragen via de aanmeldcentrum-procedure kunnen worden afgehandeld en zou afbreuk worden gedaan aan de betekenis van de in artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vb 2000 neergelegde maatstaf.“

2.12 De voorzieningenrechter constateert dat verweerders standpunt dat wanneer de rechtshulp meer tijd gebruikt bij de nabespreking van het nader gehoor met een vreemdeling dan de in artikel 3.117, tweede lid, Vb voorgeschreven drie proces-uren, dit nimmer kan leiden tot overschrijding van de 48 uurs-termijn, door de Afdeling bestuursrechtspraak in de hiervoor geciteerde uitspraak is afgewezen. In een dergelijke situatie ligt het op de weg van verweerder feiten en/of omstandigheden aan te voeren en aannemelijk te maken ten gevolge waarvan bepaalde uren redelijkerwijs niet konden worden benut voor het onderzoek van de aanvraag. Voorts staat geen rechtsregel er aan in de weg, met name niet het door verweerder genoemde artikel 3.117 Vb en het zorgvuldigheidsbeginsel, dat indien de vreemdeling niet binnen drie proces-uren zijn zienswijze als bedoeld in artikel 3.117, tweede lid, Vb naar voren heeft gebracht, verweerder alvast een beschikking uitreikt teneinde te bewerkstelligen dat de aanvraag binnen 48 proces-uren wordt afgewezen. Verweerders verwijzing naar het ontbreken van een met de slotzin van artikel 3.115, zesde lid, Vb vergelijkbare zin in artikel 3.117, vijfde lid, Vb levert geen argument op voor het tegendeel. Blijkens de toelichting bij artikel 3.117, derde en vijfde lid, Vb ontbreekt deze passage omdat de besluitgever voor de aanmeldcentrumprocedure, anders dan voor de ‘gewone’ asielprocedure, de aanvang van de periode gedurende welke de vreemdeling in de gelegenheid is zijn zienswijze op verweerders voornemen te geven, niet wilde vastleggen. Omdat in artikel 3.117 Vb de aanvang van de periode van drie procesuren in het tweede lid niet is gemarkeerd, heeft de besluitgever ook een bepaling over het verstrijken van deze periode achterwege gelaten. Anders dan verweerder meent valt daaruit niet af te leiden dat het voor verweerder in beginsel niet mogelijk zou zijn na het verstrijken van de drie proces-uren een beschikking uit te reiken ook al heeft de vreemdeling nog geen zienswijze op het voornemen naar voren gebracht.

2.13 Niet in geschil is dat de behandeling van de aanvraag is begonnen op 7 januari 2002 om 11.15 uur en dat de beschikking is uitgereikt op 11 januari 2002 om 09.45 uur. Het staat derhalve vast dat de bestreden beschikking meer dan 48 uur (de uren tussen 22:00 en 8:00 uur niet meegerekend) is uitgereikt na aanvang van de behandeling van de aanvraag, zodat het op de weg van verweerder ligt feiten en omstandigheden aannemelijk te maken ten gevolge waarvan bepaalde uren redelijkerwijs niet konden worden benut voor onderzoek naar de aanvraag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder er in het onderhavige geval ten dele in is geslaagd dit aannemelijk te maken.

2.14 Uit gedingstuk 32 "Voortgang procedure AC-Schiphol" blijkt het volgende. Verzoeker is op 8 januari 2002 om 21.10 uur bij de SRA aangemeld voor de voorbespreking van het nader gehoor. De voorbespreking eindigde op 9 januari 2002 om 12.53 uur. Zodoende heeft de SRA de haar toebedeelde tijd met 3 uur en 43 minuten overschreden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze tijdsoverschrijding niet aangemerkt kan worden als proces-uren, omdat verweerder deze uren redelijkerwijs niet voor onderzoek naar de aanvraag heeft kunnen benutten. Immers het vervolgen van het onderzoek naar de aanvraag na afronding van het eerste gehoor betekent het afnemen van het nader gehoor. Met het afnemen van het nader gehoor kon verweerder echter pas een aanvang maken nadat de vreemdeling zich met zijn rechtshulpverlener op het nader gehoor had voorbereid. Gelet op de geringe complexiteit van de onderhavige zaak is voorts onaannemelijk dat verweerder meer dan twee proces-uren heeft kunnen besteden aan het voorbereiden van dit nader gehoor of het doen van aanvullend onderzoek.

2.15 Voorts blijkt uit de "Voortgang procedure AC-Schiphol" dat verweerder reeds op 10 januari 2002 om 21.15 uur de (concept) beschikking gereed had, maar met de uitreiking -in afwachting van de resultaten van de nabespreking van het nader gehoor- heeft gewacht tot 11 januari 2002, 9.45 uur. Met het opstellen van de beschikking op 10 januari 2002 om 21.15 uur was op dat moment verweerders onderzoek vooralsnog geëindigd. Niet valt in te zien welke activiteiten verweerder redelijkerwijs kon uitvoeren. Pas na het afronden van de nabespreking van het tweede gehoor door de vreemdeling en zijn rechtshulpverlener op 10 januari 2002 om 21.40 uur kon verweerder de behandeling van de aanvraag weer voortzetten. De 25 minuten die na het opstellen van de (concept) beschikking zijn verstreken met het wachten op het uitbrengen van de zienswijze door de vreemdeling, kunnen dan ook niet worden aangemerkt als tijd die redelijkerwijs kon worden benut voor onderzoek naar de aanvraag.

Echter, zelfs wanneer de uren die verweerder niet voor onderzoek heeft kunnen benutten (4.08 uur), buiten aanmerking wordt gelaten, is de conclusie dat verweerder de aanvraag van verzoeker heeft afgewezen buiten de in artikel 3.112 Vb bedoelde 48 proces-uren. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard.

2.16 Er bestaat evenwel aanleiding om op de voet van artikel 8:72, derde lid, Awb de rechtsgevolgen van de onderhavige beschikking in stand te laten. De voorzieningenrechter is met verweerder en op grond van de aan de beschikking ten grondslag liggende motivering van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging door Hezbollah en dat verzoeker derhalve niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000. Hierbij weegt mee dat verzoeker heeft aangegeven om financiële redenen zijn land van herkomst te hebben verlaten. Voorts zijn van de zijde van verzoeker geen inhoudelijke argumenten aangevoerd tegen de bestreden beschikking. Tenslotte is in dit verband van belang dat de inhoud van de verklaringen van verzoeker en hetgeen hij overigens naar voren heeft gebracht geen enkele aanknopingspunt bevatten dat nader onderzoek naar zijn asielmotieven informatie zou kunnen opleveren op grond waarvan verweerder gehouden zou zijn verzoeker een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw 2000 te verlenen.

2.17 In dit geval is aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 966,-- (ƒ 2.128,77) (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 11 januari 2002;

3.2 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,-- (ƒ 2.128,77)- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2002, in tegenwoordigheid van drs. M.C.H. Dijkstra als griffier.

Afschrift verzonden op: 25 januari 2002

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.