Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0890

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2002
Datum publicatie
29-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/41209 COA
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht / doorpakken / meeromvattende beschikking.

De tweede asielprocedure van eisers, gestelde staatlozen, is op 3 april 2001 geëindigd met een uitspraak in voorlopige voorziening. Daarbij is het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vw ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de vraag of met deze uitspraak een meeromvattende beschikking is gegeven, overweegt de rechtbank dat noch de wet noch het overgangsrecht van de Vw 2000 een definitie van ‘beschikking’ als bedoeld in artikel 45 Vw 2000 bevat. Beschikkingen op bezwaar genomen na 1 april 2001 zijn beschikkingen in de zin van artikel 45 Vw 2000. Indien de president artikel 33b Vw toepast, neemt hij een beslissing op bezwaar. Die beslissing geldt als een beschikking in de zin van artikel 45 Vw 2000 voorzover de president de toepasselijkheid van de rechtsgevolgen van artikel 45 Vw 2000 niet heeft uitgesloten. In casu moet de opvang na de vertrektermijn zonder nadere besluitvorming worden beëindigd.

De brieven van eisers worden geduid als een verzoek om opvang te continueren. Daarop moet door het COA nog worden beslist. De brief van de staatssecretaris van Justitie is een voorlichtende brief en bevat geen besluit of handeling in de zin van artikel 3a COA. Beroep niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 3a
Vreemdelingenwet 2000 45
Vreemdelingenwet 2000 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

artikel 3a Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA)

reg.nr: AWB 01 / 41209 COA H

inzake: A, geboren op [...] 1975, en

B, geboren op [...] 1968,

mede namens hun vier minderjarige kinderen,

hierna te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen:

1. de Staatssecretaris van Justitie, verweerder sub 1,

gemachtigde: mr. J.W. Schaap, werkzaam bij de onder verweerder resorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage

en

2. het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), te Rijswijk (ZH),

verweerder sub 2, niet ter zitting verschenen.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij brief van 23 april 2001 hebben eisers zich tot het Ministerie van Justitie, IND/Regionale Directie Zuid-Oost, gewend en verzocht hen niet op straat te zetten na afloop van de zogenaamde vertrektermijn.

1.2 De Staatssecretaris van Justitie heeft eisers op 21 augustus 2001 een brief uitgereikt, gedateerd 10 augustus 2001, waarin onder meer wordt meegedeeld dat eisers na 1 mei 2001, toen hun vertrektermijn verstreek, uit de woonruimte die als verstrekking door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers is aangeboden, kunnen worden ontruimd.

1.3 Eisers hebben de brief van 10 augustus 2001 als een besluit opgevat en tegen dit besluit bij faxbericht, gedateerd 21 augustus 2001, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2001, beroep ingesteld. Op 21 augustus 2001 hebben zij tevens een voorlopige voorziening gevraagd.

1.4 De rechtbank heeft aanvankelijk uitsluitend COA als verweerder aangemerkt. COA heeft in de voorlopige voorziening enige op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. In de voorlopige voorziening heeft COA in zijn verweerschrift tot niet-ontvankelijkverklaring geconcludeerd, primair omdat COA ten onrechte als verweerder zou zijn aangemerkt en subsidiair omdat er geen voor beroep vatbaar besluit voorligt.

1.5 Het verzoek om voorlopige voorziening is op 6 september 2001 ter zitting behandeld. De president van deze rechtbank en (zoals toen nog genoemd:) nevenzittingsplaats heeft op het verzoek bij uitspraak van 27 september 2001 (reg.nr. AWB 01/41206 COA H) inwilligend beslist.

1.6 Op de zitting van 6 september 2001 hebben eisers het petitum in beroep als volgt geformuleerd: verzocht wordt het beroepschrift gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen en COA of IND op te dragen een nieuwe beslissing te nemen, waarbij van belang is dat de medische omstandigheden van eiseres in combinatie met de zorg voor de kinderen het onredelijk maken de opvang te beëindigen zolang eisers niet uit Nederland kunnen vertrekken.

1.7 De rechtbank heeft vervolgens de bodemzaak naar de meervoudige kamer verwezen en de Staatssecretaris van Justitie (mede) als verwerende partij aangemerkt. In haar verweerschrift heeft de Staatssecretaris geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

1.8 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 22 januari 2002. COA is toen, hoewel behoorlijk uitgenodigd, niet verschenen. Eisers en de Staatssecretaris hebben bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Uit het dossier blijken de volgende, tussen partijen niet in geschil zijnde, feiten.

a. Verzoekers stellen staatloos te zijn en afkomstig uit Syrië.

b. Verzoekers ontvangen verstrekkingen van COA, waaronder woonruimte in AZC Grave.

c. Op 2 juni 1998 hebben eisers een (eerste) verzoek om toelating als vluchteling ingediend. Het beroep tegen de in bezwaar gehandhaafde niet-inwilliging van 11 september 1998 is bij uitspraak van 19 mei 2000 ongegrond verklaard.

d. Op 13 maart 2001 hebben eisers een tweede asielverzoek ingediend. Op 15 maart 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie dit verzoek niet ingewilligd. Bij uitspraak van de president van deze rechtbank (Den Haag) van 3 april 2001 (reg. nr. 01/11276) is het bezwaarschrift tegen deze beschikking met toepassing van artikel 33b Vreemdelingenwet (hierna ook Vw oud) ongegrond verklaard.

e. Eisers hebben zich bij voornoemde brief van 23 april 2001 tot het Ministerie van Justitie gewend. Deze brief luidt:

Bovengenoemde familie is uitgeprocedeerd, althans ik vernam telefonisch dat de Rechtbank Den Haag de voorlopige voorziening naar aanleiding van het tweede asielverzoek heeft afgewezen alsmede het bezwaar. Ik ontving de uitspraak nog niet op schrift.

Ik verzoek u bij deze wegens medische redenen geen maatregelen te treffen om cliënten daadwerkelijk op straat te zetten na afloop van de vertrektermijn (zie bijlagen).

Cliënten zijn al bezig via hun familie bewijs te krijgen dat ze uit Syrië komen en daarmee met behulp van Vluchtelingenwerk een bezoek te brengen aan de ambassade van Syrië voor het aanvragen van een laissez-passer.

Indien dit gezin op straat wordt gezet voorzie ik forse problemen, met name voor mevrouw Sleyman (haar astmatische aandoening verergert ook), die bovendien in de gemeente Cuijk als onaanvaardbaar zullen worden aangemerkt.

De bijlage bevat een anamnese en onderzoeksoverzicht van de huisarts van eiseres.

f. Bij brief van 17 mei 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie meegedeeld het verzoek op te vatten als een beroep op artikel 64 Vw omdat eiseres niet in staat zou zijn te reizen en meegedeeld de medisch adviseur om advies te vragen.

g. Bij brief van 18 mei 2001 heeft de gemachtigde van eisers het Ministerie van Justitie bericht:

U bericht mij op 17 mei jl. dat u onderzoek zult laten doen door de medisch adviseur. Dat lijkt mij een goede zaak.

Ik wijs er echter op dat de vraagstelling of mevrouw Ali kan reizen, een veel te beperkte zal zijn. U stelt in uw brief nog dat in de toestemmingsverklaring is aangegeven op basis van welke vragen de MA advies zal uitbrengen. Die vragen heb ik niet kunnen ontdekken.

In mijn brief van 23 april jl. deed ik geen expliciet beroep op art 64 Vw 2000. Wellicht dat wel wat aan de hand is, dat kan ik niet goed beoordelen, het gaat mij ten eerste om het feit dat mevrouw Ali medisch ongeschikt is om uit de opvang gezet te worden en dat in ieder geval niet moet plaatsvinden.

Indien enkel dat laatste aan de hand is, betekent dat niet dat dan niet verder gepoogd kan worden om tot terugkeer te komen, het betekent alleen dat in afwachting van die terugkeer iemand niet aan zijn lot overgelaten moet worden wegens redenen van medische aard. Als je dat alleen gaat beoordelen in het kader van ‘kan ze reizen’ dan zal dat een onderzoek opleveren dat niet voldoet aan art 3:2 Awb.

Uw vraagstelling zal dus ten eerste moeten luiden of mevrouw Ali medisch in staat is om uitgezet te worden. Ten tweede of haar medische situatie het toelaat dat – in afwachting van een uitzetting – haar de medische voorzieningen die zij nu heeft ontnomen worden en welke medische risico’s zij loopt als zij dakloos wordt.

Ik verzoek u dan ook deze vraagstelling mijnerzijds voor te leggen aan de medisch adviseur.

h. Het onder f. bedoelde standpunt heeft de Staatssecretaris van Justitie in reactie op deze brief bij brief van 21 mei 2001 bevestigd. De Staatssecretaris van Justitie schrijft daar dat enkel op grond van artikel 64 Vw het Bureau Medische Advisering om advies kan worden gevraagd, welk advies ten grondslag zal liggen aan de besluitvorming om de vreemdeling wel of niet uit te zetten dan wel de opvangvoorzieningen wel of niet te beëindigen.

i. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft de directeur van de IND bij brief van 18 juli 2001 zijn bevindingen meegedeeld. De arts antwoordt onder meer dat verzoekster medische klachten heeft van psychische en lichamelijke aard (astma), dat zonder behandeling de benauwdheidklachten zullen toenemen, maar dat dit niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn en dat verzoekster onder een aantal condities (medicatie en psychiatrische begeleiding) kan reizen.

j. In de brief van 10 augustus 2001, uitgereikt op 21 augustus 2001, hiervoor bedoeld onder overweging 1.2, die is opgesteld door de Unit Toezicht en Terugkeer I van het IND kantoor te ’s Hertogenbosch, deelt de Staatssecretaris van Justitie aan eisers mee:

Uw aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd. Tegen deze niet inwilliging heeft u bezwaar ingediend. Om de beslissing op bezwaar in Nederland af te mogen wachten heeft u tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De rechter heeft bij zijn uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening eveneens uitspraak gedaan op het door u ingediende bezwaar. De voorlopige voorziening is afgewezen en het bezwaar is ongegrond verklaard. Deze uitspraak is gedateerd 3 april 2001.

Op een ongegrondverklaring van een bezwaar na 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing. Dit betekent (zie artikel 45, eerste lid Vw 2000) dat van rechtswege:

(…)

c. de verstrekkingen voorzien of bij krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op een bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn;

d. na ommekomst van de vertrektermijn van 4 weken de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder inbegrepen uw woning, teneinde u uit te zetten;

(…).

k. Bij faxbericht heeft drs. R. van der Veen, werkzaam bij IND te ‘s Hertogenbosch, het op 18 juli 2001 uitgebrachte advies van het BMA aan de gemachtigde van eisers gezonden.

l. De Vreemdelingendienst Brabant-Noord heeft de gemachtigde van verzoekers bij brief van 23 augustus 2001 meegedeeld dat na het uitreiken van voormelde brief van 10 augustus 2001 de voorzieningen worden beëindigd, dat verzoekers meegedeeld zal worden dat zij de COA voorziening moeten verlaten en dat binnen afzienbare tijd uitzetting uit de woning volgt als zij de woning niet zelf verlaten. Bij brief van 30 augustus 2001 heeft het COA een soortgelijke mededeling gedaan en aangegeven dat met de politie is afgesproken dat ontruiming op korte termijn kan plaatsvinden.

2.2 Op besluiten tot het onthouden dan wel beëindigen van verstrekkingen krachtens de Wet COA zijn ingevolge artikel 3a van die wet de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 Vw van toepassing. Partijen worden op de eerste plaats verdeeld gehouden door de vraag of een zodanig besluit voorligt. Eisers stellen zich op het standpunt dat de brief van 10 augustus 2001wel een zodanig besluit bevat.

2.3 Voor de beoordeling van de wederzijdse standpunten is van belang of, zoals de Staatssecretaris van Justitie en COA stellen, aan de uitspraak van de president van 3 april 2001 de in artikel 45, eerste lid, Vw verbonden rechtsgevolgen zijn verbonden. In dat geval moet immers worden beoordeeld of er nadien een nieuw, op grond van artikel 3a Wet COA voor beroep vatbaar besluit of daarmee gelijk te stellen handeling aan de orde is.

2.4 Eisers bepleiten dat de uitspraak van de president van 3 april 2001 deze gevolgen niet heeft. Zij beschouwen de brief van 10 augustus 2001 als eerste besluit tot beëindiging van de verstrekkingen en voeren daartoe het volgende aan. De rechtsgevolgen die artikel 45 Vw aan een afwijzend besluit verbindt, konden eisers op de zitting van 29 maart 2001 bij de president niet aan de orde stellen, nu het onderzoek ter zitting in maart 2001 werd gesloten en de asielkwestie in die procedure werd behandeld op grond van het oude recht. Het in de huidige Vreemdelingenwet niet overgenomen artikel 33b Vw oud is toen toegepast. Alleen op grond van de datum van de uitspraak zou moeten worden aangenomen dat het nieuwe recht is toegepast. Er geldt ter zake geen duidelijke bepaling van overgangsrecht. Als de kwestie van rechtmatigheid van beëindiging van de opvang wel in die beslissing begrepen moet worden, zijn eisers onevenredig benadeeld. Die kwestie moet, aldus eisers, in een aparte procedure aan de orde kunnen worden gesteld.

2.5 De rechtbank overweegt het volgende.

2.6 In artikel 33b Vw oud is de opdracht aan de president neergelegd om in geval een voorlopige voorziening wordt gevraagd teneinde uitzetting hangende bezwaar te voorkomen, zo mogelijk tevens over de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating te beslissen. Dit artikel is een rechtsregel die van toepassing is op de behandeling van een bezwaarschrift in de zin van van de overgangsbepaling artikel 118 Vw. De president, thans voorzieningenrechter, kan op grond artikel 118 Vw die bevoegdheid na 1 april 2001 in procedures ter verkrijging van een voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen een besluit van voor 1 april 2001 blijven uitoefenen. De president heeft dat in de onder 2.1.d genoemde uitspraak van 3 april 2001 ook gedaan.

2.7 In artikel 45 Vw is bepaald dat de beschikking waarbij de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen van rechtswege de aldaar vermelde rechtsgevolgen heeft. Deze bepaling heeft gelet op de hoofdregel van overgangsrecht onmiddellijke werking in die zin dat de bepaling op alle na 1 april 2001 gegeven beschikkingen inhoudende een afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel in de zin van artikel 28 Vw van toepassing is.

2.8 De wet, noch het overgangsrecht in de Vreemdelingenwet 2000, bevat een bijzondere definitie van het begrip beschikking als bedoeld in artikel 45 Vw. De nieuwe wet sluit in artikel 80, anders dan de oude wet, de mogelijkheid van rechtsmiddelen tegen een asielbeschikking als bedoeld in artikel 45 Vw uit. In aanvraagprocedures waarin voor 1 april 2001 reeds in eerste aanleg was beslist, blijft op grond van artikel 118 Vw echter het oude recht van toepassing ten aanzien van de vraag of bezwaar kan worden gemaakt. In bezwaar moet naar de hoofdregel van artikel 7:11 Awb in beginsel een heroverweging plaatsvinden met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals die zijn op het moment van het maken van die heroverweging. Dit impliceert dat in beginsel ook het op het moment van beslissen geldende recht moet worden toegepast. Gelet op de onmiddellijke werking, en de aard en strekking van artikel 45 Vw valt niet in te zien dat een na 1 april 2001 genomen beslissing op bezwaar niet zou hebben te gelden als een beschikking als bedoeld in artikel 45 Vw. Verweerder zal zich bij de besluitvorming in een dergelijk bezwaar in overgangssituaties ook rekenschap moeten geven van die rechtsgevolgen en de aanvaardbaarheid daarvan moeten onderzoeken alvorens te besluiten.

2.9 Indien de president artikel 33b Vw oud toepast, neemt hij daarmee een beslissing op het bezwaar. In zoverre heeft die beslissing te gelden als een beslissing op bezwaar in de zin van afdeling 7.1 Awb en heeft voor de rechtspositie van de vreemdeling dezelfde betekenis als een door verweerder na 1 april 2001 genomen beslissing op bezwaar tegen een besluit om toelating dat is genomen voor 1 april 2001. Aan zodanige uitspraak zijn daarom ook de in artikel 45 Vw genoemde rechtsgevolgen verbonden, voorzover de president de toepasselijkheid daarvan niet heeft uitgesloten.

2.10 Dat in casu het onderzoek in de voorlopige voorzieningsprocedure op 29 maart 2001 en derhalve vóór inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 reeds was gesloten, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de president kennelijk in hetgeen in die procedure was aangevoerd geen aanleiding heeft gezien het onderzoek daarvoor te heropenen en kennelijk evenmin aanleiding zag voor het niet van toepassing verklaren van een of meer rechtsgevolgen. Overigens was de nieuwe wet vóór de behandeling van de zaak ter zitting reeds in het Staatsblad gepubliceerd en stond de inwerkingtredingsdatum vast, zodat eisers relevante argumenten die zagen op onaanvaardbaarheid van het rechtsgevolg beëindiging van verstrekkingen redelijkerwijze in die procedure hadden kunnen aanvoeren.

2.11 Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de Staatssecretaris van Justitie en COA zich terecht op het standpunt hebben gesteld, dat de opvang na de vertrektermijn zonder nadere besluitvorming op grond van artikel 45 Vw feitelijk mocht worden beëindigd. Reeds om deze reden is onjuist het standpunt van eisers dat de brief van 10 augustus 2001 een eerste besluit tot beëindiging van verstrekkingen bevat.

2.12 Het vorenstaande laat echter onverlet dat de brieven van eisers van 23 april 2001 en 18 mei 2001 bezwaarlijk – mede - anders kunnen worden geduid dan als een verzoek, onder aanvoering van medische feiten en omstandigheden, de verdere opvang niet te onthouden. Een beslissing op zodanig - al dan niet als herhaald in de zin van artikel 4:6 Awb te beschouwen - verzoek, ten aanzien waarvan COA het bevoegde orgaan is om te beslissen, is gelet op artikel 3a Wet COA voor direct beroep vatbaar.

2.13 Ter zitting heeft de Staatssecretaris van Justitie echter stellig verklaard op de in de brieven van 23 april 2001 en 18 mei 2001 gedane verzoeken nog niet te hebben beslist, noch zich te hebben beraden over eventuele doorzending aan het bevoegd orgaan. De brief van 10 augustus 2001 heeft met een beslissing op dat verzoek volgens de Staatssecretaris van Justitie niets van doen. Die brief is opgesteld en verzonden door een andere afdeling bij de IND, dan de afdeling die verzoeken om (voortzetting van) opvang behandelt. De brief van 10 augustus 2001 is niet meer dan een voorlichtende brief omtrent de door de uitspraak van de president van 3 april 2001 in het leven geroepen rechtsgevolgen.

2.14 Hetgeen eisers hebben aangevoerd, kan geen aanleiding vormen deze interpretatie van de Staatssecretaris van Justitie van haar brief van 10 augustus 2001 en haar toelichting op de – overigens kennelijk stagnerende – besluitvorming op het verzoek van 23 april 2001, onjuist te achten. Hieruit vloeit voort dat de brief van 10 augustus 2001 geen besluit bevat of handeling betreft als bedoeld in artikel 3a Wet COA.

2.15 Het tegen deze brief gerichte beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.16 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mrs. G.F.H. Lycklama à Nijeholt en A.A.T. van Rens, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2002, in tegenwoordigheid van E.H. Mazel als griffier.

afschrift verzonden op: 8 maart 2002

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.