Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0889

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-02-2002
Datum publicatie
29-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/6237, 01/6238 OVERIO A S2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitgenodigd vluchteling / medische behandeling.

Eisers zijn etnische Albanezen, moslim en afkomstig uit Kosovo en zijn als uitgenodigd vluchteling naar Nederland gekomen. Zij kunnen niet terug naar Kosovo in verband met de ernstige medische problemen van hun dochter. Eisers stellen dat de vlucht uit Kosovo werd ingegeven door asielmotieven. De gebeurtenissen in Kosovo in april 1999 waren aanleiding om Kosovo te verlaten en bovendien zijn eisers uitgenodigd om naar Nederland te komen en hier een asielaanvraag in te dienen. Doorslaggevend voor deze uitnodiging was de handicap van hun dochter. Verweerder stond volgens eisers kennelijk op het standpunt dat de handicap asielgerelateerd was.

Verweerder staat op het standpunt dat hij de aanvragen kon afwijzen. Er is geen sprake (meer) van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De door eisers gestelde medische problemen van hun kind kunnen niet leiden tot een vtv wegens klemmende redenen van humanitaire aard, nu het verblijfsdoel medische behandeling is. Artikel 15a lid 1, van de Vw beoogt een stroomlijning te bewerkstelligen van de asielprocedure. Dit reguliere motief valt volgens verweerder buiten het bestek van de onderhavige asielprocedure. De rechtbank is van oordeel dat met de invoering van artikel 15a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw de wetgever een stroomlijning van de asielprocedure beoogde te bewerkstelligen en tevens bij beoordeling van de aanvraag om toelating als vluchteling ambtshalve de vraag te beantwoord te zien of er aanleiding bestaat voor een vtv op humanitaire gronden. Beoogd werd te voorkomen dat er twee procedures naast elkaar zouden kunnen lopen. Voor de invoering van dit artikel deed de asielzoeker mogelijk zowel een aanvraag voor een vtv wegens klemmende redenen van humanitaire aard als voor toelating als vluchteling. Deze procedures kunnen ook nog eens in tijd uit elkaar gaan lopen. Anders dan verweerder leest de rechtbank in de wetsgeschiedenis niet dat daarmee tevens werd beoogd dat alle met medische aspecten samenhangende problemen, die niet onder het traumatabeleid vallen, slechts in het kader van een reguliere procedure aan de orde kunnen komen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 01/6237 en 01/6238 OVERIO A S2

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1960,

B,

geboren op [...] 1963,

en hun minderjarige kinderen,

allen verblijvende te C,

van Joegoslavische nationaliteit,

IND dossiernummer 9904.23.8313,

eisers,

gemachtigde: mr. U.H. Hansma, advocaat te Assen;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. A. Bosch, advocaat te 's-Gravenhage.

PROCESVERLOOP

Op 27 april 1999 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling gedaan.

Bij beschikkingen van 12 mei 1999 heeft verweerder eisers bericht dat de beslissing omtrent hun aanvragen om toelating als vluchteling worden opgeschort. Eisers is een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) toegekend, geldig tot 27 april 2000. Eisers hebben geen aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de vvtv ingediend.

Bij beschikkingen van 4 augustus 2000 heeft verweerder de aanvragen om toelating als vluchteling niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eisers geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Eisers hebben daartegen bij brief van 10 augustus 2000 bezwaar gemaakt. Bij beschikkingen van 19 januari 2001 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 25 januari 2001 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 29 november 2001. Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495; verder: Vw 2000) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is de Vreemdelingenwet (oud) ingetrokken (art. 122 Vw 2000).

Ingevolge het bepaalde in artikel 119, eerste lid, Vw 2000 blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet (oud) dat is bekendgemaakt, dan wel een handeling op grond van de Vreemdelingenwet (oud) die is verricht voor dat tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000.

Nu de Vw 2000 niet voorziet in overgangsrecht voor beslissingen die het niet-toekennen van een verblijfstitel tot gevolg hebben, worden de grondslag en de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing bepaald door het ten tijde van de beslissing geldende rechtsregime.

Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

Het vluchtrelaas van eisers komt op het volgende neer. Eisers zijn etnische Albanezen, moslim en afkomstig uit Kosovo. Het dorp waar zij woonden is op 6 april 1999 binnengevallen door Servische militairen. De dorpsbewoners zijn toen bedreigd, beroofd en verjaagd. Na een aantal uren zijn de bewoners onder druk van de politie weer teruggekeerd. Op 13 april 1999 zijn de dorpsbewoners onder begeleiding van de politie van een naburige plaats gedeporteerd naar Macedonië; onderweg zijn zij bedreigd en beroofd door Serviërs. Op 15 april 1999 kwamen eisers aan in een vluchtelingenkamp in Macedonië. Van daaruit zijn zij als uitgenodigd vluchteling naar Nederland gekomen. Zij kunnen niet terug naar Kosovo in verband met de ernstige medische problemen van hun dochter.

Verweerder staat op het standpunt dat hij de aanvragen kon afwijzen. Er is geen sprake (meer) van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De door eisers gestelde medische problemen van hun kind kunnen niet leiden tot een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard, nu het verblijfsdoel medische behandeling is. Artikel 15a lid 1, van de Vw beoogt een stroomlijning te bewerkstelligen van de asielprocedure. Deze stroomlijning behelst een onderscheid tussen asielgerelateerde en reguliere aanvragen. Ambtshalve dient te worden bezien of asielzoekers op asielgerelateerde klemmende redenen van humanitaire aard in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf. Hiervan is echter slechts sprake blijkens de parlementaire geschiedenis indien de vreemdeling een geslaagd beroep doet op artikel 3 EVRM, het Anti-folterverdrag, het traumata- of AMA-beleid. Uitdrukkelijk niet onder asielgerelateerde gronden valt het verblijfsdoel medische behandeling. Dit reguliere motief valt buiten het bestek van de onderhavige asielprocedure.

2.5 Eisers stellen primair dat in het kader van de ambtshalve beoordeling of een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard verleend moet worden, de medische omstandigheden waarin hun dochter verkeert dienen te worden meegewogen. Hierbij is het irrelevant of deze omstandigheden al dan niet asielgerelateerd zijn.

Subsidiair voeren eisers aan dat de medische omstandigheden asielgerelateerd zijn.

Eisers stellen dat de vlucht uit Kosovo werd ingegeven door asielmotieven. De gebeurtenissen in Kosovo in april 1999 waren aanleiding om Kosovo te verlaten en bovendien zijn eisers uitgenodigd om naar Nederland te komen en hier een asielaanvraag in te dienen. Doorslaggevend voor deze uitnodiging was de handicap van hun dochter. Verweerder stond volgens eisers kennelijk op het standpunt dat de handicap asielgerelateerd was.

Verder stellen eisers zich op het standpunt dat de situatie in Kosovo door de oorlog zo slecht is geworden dat hun dochter niet de noodzakelijke medische zorg kan krijgen. Dit aspect dient bij de beoordeling van de humanitaire gronden wel een rol te spelen. Gelet op de medische stukken met betrekking tot hun dochter, kan van hen niet verwacht worden dat zij terugkeren naar Kosovo.

2.6 De rechtbank stelt vast dat in deze procedure slechts aan de orde is of de bestreden besluiten van 19 januari 2001 voorzover strekkende tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard in rechte stand kan houden.

2.7 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan een vergunning tot verblijf geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.8 Thans is aan de orde de vraag of verweerder in het kader van het ambtshalve onderzoek op grond van artikel 15a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, dient te onderzoeken of aan eisers een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard wegens medische redenen zou moeten worden verleend.

2.9 Met de invoering van artikel 15a, eerste lid, aanhef en onder a, beoogde de wetgever een stroomlijning van de asielprocedure te bewerkstelligen en tevens bij beoordeling van de aanvraag om toelating als vluchteling ambtshalve de vraag te beantwoord te zien of er aanleiding bestaat voor een vtv op humanitaire gronden. Beoogd werd te voorkomen dat er twee procedures naast elkaar zouden kunnen lopen. Voor de invoering van dit artikel deed de asielzoeker mogelijk zowel een aanvraag voor een vtv wegens klemmende redenen van humanitaire aard als voor toelating als vluchteling. Deze procedures kunnen ook nog eens in tijd uit elkaar gaan lopen. Anders dan verweerder leest de rechtbank in de wetsgeschiedenis niet dat daarmee tevens werd beoogd dat alle met medische aspecten samenhangende problemen, die niet onder het traumatabeleid vallen, slechts in het kader van een reguliere procedure aan de orde kunnen komen.

2.10 Daartoe is het volgende redengevend. Ten aanzien van de enkelvoudige asielaanvraag, waarbij derhalve het ambtshalve onderzoek als hiervoor besproken dient plaats te vinden verwijst de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, 1996-1997, 25172, nr 3 bladzijde 3 onder D) bij de wet, waarbij meergenoemd artikel in de Vreemdelingenwet is opgenomen, slechts naar de zogenoemde Statusnotitie van 18 april 1996 (Tweede Kamer 1995-1996, 19637, nr. 178). In deze notitie wordt op bladzijde 2 met betrekking tot de enkelvoudige asielaanvraag het volgende opgemerkt:

"Een asielzoeker zal voortaan alleen nog een aanvraag om toelating als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève (de A-status) behoeven in te dienen. Indien de asielzoeker niet in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling, zal ambtshalve worden bekeken of er grond is hem een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden te verlenen (de vtv hum.) Een aparte aanvraag om toelating op grond van klemmende redenen van humanitaire aard wordt daarmee overbodig".

Wat onder de verblijfstitel vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard moet worden verstaan wordt eveneens op laatstgenoemde bladzijde omschreven:

"Deze verblijfstitel wordt gebruikt als hardheidsclausule op grond van strikt individuele omstandigheden, bijvoorbeeld in geval van traumatische ervaringen, de medische situatie van betrokkene of bij een reëel risico van schending van artikel 3 EVRM, dat bescherming biedt tegen folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Deze verblijfstitel wordt ook verleend aan hen die 3 jaar in het bezit zijn geweest van een vvtv. Het ligt in mijn bedoeling de reikwijdte van de vtv-hum uitdrukkelijk tot bovengenoemde gevallen te beperken".

Uit deze zinsnede uit de Statusnotitie blijkt dat een verblijfsvergunning humanitair op medische gronden beoordeeld kan worden in het kader van meergenoemde ambtshalve toetsing. Dit wijkt mitsdien af van het standpunt van verweerder. Hieraan doet niet af dat elders in de wetsgeschiedenis wordt gesteld dat een strikt reguliere procedure, bijvoorbeeld in verband met een medische behandeling, in een andere procedure moet worden beoordeeld na een aanvraag daartoe bij de korpschef.

2.11 In de onderhavige kwestie is er sprake van een situatie waarin sprake is van argumenten op grond waarvan de verlening van een verblijfsvergunning op humanitaire gronden aan de orde zou kunnen zijn en waarin meer aan de hand is dan louter een aanvraag vanwege medische behandeling. Eisers zijn Kosovo ontvlucht vanwege de oorlog en de gebeurtenissen in april 1999 aldaar. Eisers, van Albanese afkomst, vreesden voor de etnische zuiveringen die plaatsvonden door politie en paramilitaire. Door verweerder is niet weersproken dat eisers door de Nederlandse autoriteiten uitgenodigd zijn om een asielaanvraag in te dienen en dat zij daarbij voorrang kregen vanwege de slechte gezondheidstoestand van hun dochter. Deze medische situatie kan mitsdien bezwaarlijk los gezien worden van de asielaanvraag. Hieraan doet niet af het standpunt van verweerder dat eisers dochter ook zonder oorlog in Kosovo in dezelfde medische omstandigheden zou verkeren.

2.12 De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de aanvraag niet op de juiste wijze heeft beoordeeld nu de vraag of sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard, de medische gronden geheel niet bij de beoordeling zijn betrokken. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet gedragen kan worden door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt.

2.13 Het beroep is derhalve gegrond. De bestreden beschikkingen van 19 januari 2001 worden ten dele vernietigd. Voorts zal worden bepaald dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen nieuwe beschikkingen dient te nemen.

2.14 De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten en tot vergoeding van het door hen betaalde griffierecht, zoals hierna weergegeven.

2.15 Gezien het bovenstaande is er aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door eisers in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op 644,-- euro. Voorts dient verweerder het griffierecht aan eisers te vergoeden.

BESLISSING

De rechtbank;

- verklaart de beroepen gegrond, voor zover gericht tegen de weigering aan eisers een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen;

- vernietigt de beschikkingen van 19 januari 2001 in zoverre;

- draagt verweerder op nieuwe beschikkingen te geven met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ad 644,-- euro onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad 22,69 euro aan eisers te vergoeden;

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. C.J.R. de Locht, B.I. Klaassens en M.E. van Rossum, in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2002 in tegenwoordigheid van mr. S.E. van der Heijden als griffier.

Afschrift verzonden:15 maart 2002