Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0887

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-01-2002
Datum publicatie
29-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/69661
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / schadevergoeding / kennisgeving.

Op 12 september 2001 heeft verweerder de vreemdeling in bewaring gesteld.

Laatstelijk is uitspraak gedaan op 9 november 2001. De kennisgeving van verweerder ex artikel 96 Vw 2000 inzake het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel had uiterlijk 7 december 2001 verzonden moeten worden. Dit is echter niet gebeurd. De gemachtigde van de vreemdeling heeft daartoe op 23 december 2001 een beroepschrift namens de vreemdeling verstuurd.

Openbare behandeling van het beroep heeft op 11 januari 2002 plaatsgevonden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en aangehouden. De vreemdeling is op die dag heengezonden. Voor wat betreft de inbewaringstelling heeft de gemachtigde van de vreemdeling het beroep ingetrokken, maar het beroep is gehandhaafd met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding.

Verweerder heeft ter zitting, op 18 januari 2002, aangevoerd dat de schadevergoeding gematigd diende te worden. De gemachtigde van de vreemdeling heeft volledige schadevergoeding, zonder toepassing van een matiging, geëist.

De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding ex artikel 106 Vw 2000 toegewezen, waarbij een deel gematigd en een deel ongematigd is toegewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 96, geldigheid: 2002-01-31
Vreemdelingenwet 2000 106, geldigheid: 2002-01-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

bewaring

nevenzittingsplaats Dordrecht

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/69661 VRONTN

Inzake : A, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. W.A. Venema, advocaat te Rozenburg,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. H.H.R. Bruggeman, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld de Ghanese nationaliteit te hebben. Op 12 september 2001 heeft verweerder de vreemdeling in bewaring gesteld.

2. Laatstelijk bij uitspraak van 9 november 2001 heeft deze rechtbank, zitting houdende te Dordrecht, het beroep inzake opheffing van de maatregel van bewaring ongegrond verklaard.

3. Op 23 december 2001 is de rechtbank in kennis gesteld van het voortduren van de vrijheidsontneming, door middel van een namens de vreemdeling ingediend beroepschrift ex artikel 96, vijfde lid, Vreemdelingenwet2000 (Vw2000).

4. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 11 januari 2001. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en aangehouden. Het onderzoek ter zitting is hervat op 18 januari 2002. Ter zitting is verschenen de vreemdeling bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek heropend.

II. OVERWEGINGEN

1. Partijen hebben gereageerd overeenkomstig het bepaalde in het besluit schorsing van het onderzoek ter zitting. Gelet op de daartoe door partijen verleende toestemming heeft de rechtbank ingevolge artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten op 24 januari 2002.

2. De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring als zodanig reeds is beslist. Tussen partijen is niet in geschil dat de inbewaringstelling van de vreemdeling op 11 januari 2002 reeds is opgeheven. Het beroep betreffende de inbewaringstelling van de vreemdeling is door de gemachtigde van de vreemdeling op 11 januari 2002 ingetrokken, met instandhouding van het verzoek om schadevergoeding. Thans moet derhalve slechts een oordeel gegeven worden over het verzoek om toekenning van schadevergoeding aan de vreemdeling.

3. Ingevolge artikel 106 Vw2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsbeneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing. Ingevolge het eerste lid van dat artikel heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voorzover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

4. De rechtbank acht het beroep gegrond en komt daartoe op grond van de navolgende overwegingen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet, overeenkomstig het bepaalde in artikel 96, vijfde lid uiterlijk vier weken nadat de vorige uitspraak, te weten 9 november 2001, is gedaan, de rechtbank in kennis heeft gesteld van het voortduren van de vrijheidsontneming. In dit geval eindigde de termijn voor het doen van deze kennisgeving op 7 december 2001. Dit is niet gebeurd. Nu sprake is van vrijheidsontneming is deze inbreuk op de wettelijke voorschriften dermate ernstig dat moet worden geconcludeerd dat voortzetting van de bewaring, met ingang van de dag, volgend op de dag waarop de rechtbank uiterlijk in kennis moest zijn gesteld van het voortduren van de bewaring, te weten 8 december 2001, onrechtmatig is geworden. De vreemdeling heeft met ingang van die datum recht op schadevergoeding. De bewaring is pas op 11 januari 2002 opgeheven.

De rechtbank onderschrijft niet het standpunt van verweerder, dat de onrechtmatigheid van de bewaring eerst een aanvang heeft genomen op de dag dat het beroepschrift namens de vreemdeling is ontvangen. De rechtbank overweegt dat deze redenering miskent dat de termijn waarbinnen een kennisgeving ex artikel 96 Vw2000 moet worden gedaan een essentiële waarborg is om het onnodig voortduren van de bewaring te voorkomen. Verweerder dient zich binnen deze termijn een oordeel te vormen over de vraag of het voortduren van de bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is. Bij een ontkennende beantwoording van die vraag dient verweerder de bewaring onmiddellijk op te heffen. Indien voortduring van de bewaring naar het oordeel van verweerder wel gerechtvaardigd is, dient hij daarvan binnen deze termijn aan de rechtbank kennis te geven, opdat deze zich hierover kan uitspreken.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat bij overschrijding van de voor het doen van de kennisgeving ex artikel 96 Vw2000 gestelde termijn de bewaring eerst vanaf een later gelegen tijdstip onrechtmatig is of dat de vreemdeling eerst dan in zijn belangen is geschaad door termijnoverschrijding.

5. Gezien het bovenstaande acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om redenen van billijkheid een schadevergoeding toe te kennen. Nu de bewaring in verband met formele redenen onrechtmatig is en er geen reden is om de bewaring niet gerechtvaardigd te achten indien de formele fout niet zou zijn gemaakt en de vreemdeling bovendien zodanig in strijd met de Nederlandse vreemdelingenwetgeving heeft gehandeld dat hij welbewust het risico heeft genomen dat hij in bewaring zou worden gesteld, vindt de rechtbank aanleiding om de schadevergoeding met 75 % te matigen. Vanaf de dag waarop het beroepschrift is ingediend, te weten zondag 23 december 2001, met inachtneming van artikel 1, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet, 24 december 2001 had verweerder na kennisneming van dat beroepschrift in ieder geval bekend moeten zijn met het ontbreken van de tijdige kennisgeving. De rechtbank is van oordeel dat vanaf de dag na de dag waarop verweerder van het beroepschrift kennis heeft genomen geen redenen voor matiging meer aanwezig zijn.

Gelet op het normbedrag van ? 70,00 per dag in een huis van bewaring komt aan de vreemdeling, met inachtname dat de dag van de opheffing niet meetelt, nu de vreemdeling vanaf 8 december 2001, onrechtmatig in een huis van bewaring in bewaring is geweest, EUR. 1.487,50 (17 dagen a 25% van EUR. 70,- per dag + 17 dagen a EUR 70,- per dag) toe.

6. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op EUR. 705,45 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1/2 punt voor schriftelijke inlichtingen; waarde per punt EUR. 322,18 en wegingsfactor 1/2). Nu aan de vreemdeling een toevoeging is verleend, dient de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot EUR. 1.487,50 ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

3. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad EUR. 705,45 en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, rechter, en door deze en mr. S.M.M. Hoogesteger, griffier, ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De rechter,

De griffier is buiten staat te ondertekenen.

Afschrift verzonden op: 5 februari 2002

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.