Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0885

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
29-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/26860
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Myanmar / Rohingya / artikel 3 EVRM.

De rechtbank is van oordeel, dat gelet op de informatie welke is overgelegd met betrekking tot de positie van Rohingya's in Myanmar, onvoldoende is gemotiveerd dat eiser - als lid van de Rohingya-bevolkingsgroep - bij terugkeer naar Myanmar geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de beschikbare documentatie met betrekking tot Myanmar blijkt dat in beginsel iedere Myanmarees door de autoriteiten kan worden verplicht tot het verrichten van dwangarbeid. Leden van niet-boeddhistische minderheidsgroepen, zoals de Rohingya's, lopen evenwel een verhoogd risico lopen hiertoe te worden gedwongen. Ook overigens is de positie van leden van minderheidsgroepen, zoals de Rohingya's, in Myanmar zorgwekkend. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat thans onvoldoende duidelijkheid om te kunnen beoordelen welke risico's eiser, als lid van de Rohingya-bevolkingsgroep, bij terugkeer naar Myanmar loopt. De rechtbank kent in dit verband mede betekenis toe aan de omstandigheid dat geen algemeen ambtsbericht beschikbaar is met betrekking tot de mensenrechtensituatie in Myanmar.

Nog daargelaten de vraag of de verplichting tot het verrichten van dwangarbeid gedurende één dag per week aanvaardbaar moet worden geacht, is gezien het hiervoor overwogene onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij verwijdering naar Myanmar geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 01/26860

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1969,

staatloos,

IND dossiernummer 9908.23.2031,

eiser,

gemachtigde: mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.A. Spoel, advocaat te 's-Gravenhage.

1 Procesverloop

1.1 Op 24 augustus 1999 heeft eiser een aanvraag gedaan om toelating als vluchteling. Op grond van het bepaalde in artikel 117, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt deze aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij beschikking van 11 juni 2001 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

1.2 Bij beroepschrift van 19 juni 2001 heeft eiser beroep ingesteld tegen deze beschikking. Het beroep is ter zitting van 12 februari 2002 behandeld. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

3 Standpunten

3.1 Het asielrelaas van eiser komt op het volgende neer:

Eiser, die behoort tot de Rohingya-bevolkingsgroep en moslim is, is afkomstig uit het dorp Okpyuma in Myanmar. Eiser wordt, als lid van de Rohingya-bevolkingsgroep, door de Myanmarese autoriteiten niet als staatsburger beschouwd en is derhalve staatloos. Omdat hij door de Myanmarese autoriteiten niet als staatsburger werd beschouwd, bezat eiser geen identiteitskaart. De meeste inwoners van Okpyuma behoorden tot de Rohingya-bevolkingsgroep. Eiser heeft van 1981 tot juli 1992 op de boerderij van zijn vader gewerkt.

In juni 1992, toen eiser niet thuis was, zijn veel inwoners van Okpyuma - onder wie eisers broer - door Myanmarese militairen meegenomen. Eiser weet niet wat er met zijn broer gebeurd is. Eiser besloot hierop enkele dagen later om zijn broer te gaan zoeken en hij ging lopend op weg naar Situwe, welke stad in andere politieregio gelegen was. Onderweg liep eiser onverwacht tegen een controlepost van het Myanmarese leger aan. Toen eiser geen identiteitskaart kon tonen, werd eiser overgebracht naar een gevangenenkamp. In dit kamp waren met name leden van de Rohingya-bevolkingsgroep en van de Karen-bevolkingsgroep gedetineerd. Zij moesten overdag dwangarbeid verrichten ten behoeve van de autoriteiten. Eiser en de andere gedetineerden moesten in de bergen bomen kappen ten behoeve van de aanleg van een spoorlijn. Eiser is tijdens deze detentie mishandeld.

Op 7 mei 1999 moest eiser, ondanks ziekte en vermoeidheid, hout halen en laden. Omdat eiser dit naar de mening van een toezichthouder niet snel genoeg deed, werd deze kwaad en heeft hij eiser geschopt. Eiser is toen van de berg gevallen en bewusteloos geraakt. Eiser is hierop door de Myanmarese autoriteiten achtergelaten. Toen eiser weer bijkwam is hij door de bergen teruggelopen naar Okpyuma. Eenmaal aangekomen in Okpyuma bleek dat de meeste huizen vernield waren en dat meeste bewoners het dorp verlaten hadden. Eisers ouderlijke woning was afgebrand.

Vervolgens is eiser naar een vriend van zijn vader gegaan. Eiser heeft enkele maanden bij hem verbleven. Deze vriend heeft hem toen aangeraden om het land te verlaten. Omdat deze vriend boeddhist was, en als zodanig meer gedaan kon krijgen van de autoriteiten, zorgde hij ervoor dat eiser een geboorteakte kreeg, die hij kon meenemen op zijn vlucht. Eiser heeft de grond die aan zijn familie toebehoorde verkocht en van de opbrengst hiervan heeft hij de vriend van zijn vader betaald voor zijn hulp. Met hulp van deze vriend is eiser vervolgens in contact gekomen met een vrachtwagenchauffeur die eiser naar Thailand heeft gebracht. Eiser heeft zijn land van herkomst op 4 juli 1999 verlaten. Op 10 juli 1999 is eiser als verstekeling meegereisd op een schip dat vanuit Bangkok vertrok. Het schip kwam op 18 augustus 1999 aan in Rotterdam.

3.2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat een van de gronden van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 zich voordoet. Niet aannemelijk is dat eiser in zijn land van herkomst te vrezen heeft voor vervolging. Uit een individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken, van 11 januari 2001, blijkt dat het door eiser overgelegde geboorteuittreksel niet authentiek is. Het is voor Rohingya's in principe wel mogelijk om een uittreksel uit een geboorteregister te verkrijgen. Ook kunnen eisers verklaringen over de wijze waarop hij Myanmar heeft verlaten niet op waarheid berusten. Verweerder twijfelt aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over zijn Rohingya-afkomst. Eisers asielrelaas is ongeloofwaardig. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat eiser tot de Rohingya-bevolkingsgroep behoort is zulks onvoldoende voor vluchtelingschap danwel voor toelating op een andere grond. Verweerder verwijst hierbij naar het standpunt van UNHCR, zoals weergegeven in het rapport van Human Rights Watch/Asia, van augustus 1997.

3.3 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in Myanmar te vrezen heeft voor vervolging, vanwege de omstandigheid dat hij behoort tot de Rohingya-bevolkingsgroep. Leden van deze bevolkingsgroep worden in Myanmar onderdrukt en lopen het risico om te worden gedwongen tot het verrichten van dwangarbeid. Aannemelijk is dat eiser tot de Rohingya-bevolkingsgroep behoort. Eiser wist niet dat het geboorteuittreksel vals was en hij kon dit ook niet weten; eiser is afgegaan op wat de vriend van zijn vader hem verteld heeft. Eiser had in eerste instantie slechts een erg summiere verklaring afgelegd over de wijze waarop hij Myanmar heeft verlaten; van bewuste misleiding was geen sprake.

4 Overwegingen

4.1 Op grond van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Myanmar zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te worden verleend. Het zal daarom aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning dient te worden verleend.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het asielrelaas van eiser op goede gronden voor ongeloofwaardig heeft gehouden. Eiser heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de wijze waarop hij Myanmar heeft verlaten. Eisers verklaring dat hij hierover in eerste instantie slechts summiere verklaringen heeft afgelegd kan niet worden aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat eisers verklaringen over de wijze waarop hij Myanmar heeft verlaten niet met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht. Zo heeft eiser bij het eerste gehoor uitdrukkelijk verklaard dat hij in de koeling van de vrachtauto waarmee hij de grens passeerde verstopt was, terwijl eiser later heeft verklaard dat hij de grens van Myanmarees-Thaise grens zwemmend met behulp van een vlot is overgestoken, waarna hij zijn reis in een Thaise vrachtauto zou hebben vervolgd. Verder heeft eiser een document overgelegd waarvan tussen partijen niet in geschil is dat dit vals is.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in vorenvermelde onjuistheden terecht aanleiding heeft gezien om eisers asielrelaas voor ongeloofwaardig te houden.

Eiser kan daarom niet als verdragsvluchteling worden aangemerkt.

4.2 Ten aanzien van eisers stelling dat hij bij verwijdering naar Myanmar een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan behandeling als verboden in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamtele vrijheden (EVRM), overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank acht, anders dan verweerder, aannemelijk dat eiser tot de Rohingya-bevolkingsgroep behoort. De rechtbank overweegt hiertoe dat eiser op 24 augustus 1999 is gehoord inzake zijn etnische afkomst, waarbij aan eiser specifieke vragen zijn gesteld over Myanmar in het algemeen en over de Rohingya-bevolkingsgroep in het bijzonder. Eiser heeft deze vragen helder en gedetailleerd beantwoord en hij is in staat gebleken om aan te geven wat de verschillen zijn tussen Rohingya's en boeddhistische Myanmarezen. Bovendien is vastgesteld dat eiser de Akyab-taal spreekt.

De rechtbank is van oordeel, dat gelet op de informatie welke is overgelegd met betrekking tot de positie van Rohingya's in Myanmar, onvoldoende is gemotiveerd dat eiser - als lid van de Rohingya-bevolkingsgroep - bij terugkeer naar Myanmar geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de beschikbare documentatie met betrekking tot Myanmar blijkt dat in beginsel iedere Myanmarees door de autoriteiten kan worden verplicht tot het verrichten van dwangarbeid. Leden van niet-boeddhistische minderheidsgroepen, zoals de Rohingya's, lopen evenwel een verhoogd risico lopen om hiertoe te worden gedwongen. Ook overigens is de positie van leden van minderheidsgroepen, zoals de Rohingya's, in Myanmar zorgwekkend. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat thans onvoldoende duidelijkheid om te kunnen beoordelen welke risico's eiser, als lid van de Rohingya-bevolkingsgroep, bij terugkeer naar Myanmar loopt. De rechtbank kent in dit verband mede betekenis toe aan de omstandigheid dat geen algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken beschikbaar is met betrekking tot de mensenrechtensituatie in Myanmar.

De rechtbank is van oordeel dat uit het rapport van Human Rights Watch/Asia, van augustus 1997, niet kan worden afgeleid dat Rohingya's bij terugkeer naar Myanmar niet een zodanig risico lopen. Weliswaar blijkt uit dit rapport dat UNHCR met de Myanmarese autoriteiten heeft samengewerkt aan terugkeer van naar Bangladesh gevluchte Rohingya's, maar uit de beschikbare informatie blijkt tevens dat monitoring door UNHCR van de afspraken welke UNHCR met de Myanmarese autoriteiten heeft gemaakt over beperking van de te verrichten dwangarbeid tot één dag per week niet effectief kan plaatsvinden en dat andere bronnen melding maken van een veel zwaarder niveau van dwangarbeid, waartoe teruggekeerde Rohingya's zouden zijn gedwongen.

Nog daargelaten de vraag of de verplichting tot het verrichten van dwangarbeid gedurende één dag per week aanvaardbaar moet worden geacht, is gezien het hiervoor overwogene onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij verwijdering naar Myanmar geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM.

4.3 Het beroep is derhalve gegrond en de bestreden beslissing dient te worden vernietigd.

4.4 Gelet op het hiervoor overwogene bestaat aanleiding om verweerder, als de in het ongelijk gestelde partij, te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft

moeten maken in verband met de behandeling van zijn beroep. Deze kosten hun begroot op 644 euro's (EUR), als kosten van verleende rechtsbijstand.

5 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met inachtnemening van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op EUR 644,-, te betalen aan eiser;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier op 12 maart 2002

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 12 maart 2002