Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0877

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2002
Datum publicatie
29-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/22856
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Libië / artikel 3 EVRM.

Eiser heeft gemotiveerd betoogd dat Libiërs die zonder medeweten van de Libische autoriteiten langer dan zes maanden in het buitenland hebben verbleven bij terugkeer in Libië het risico lopen om te worden onderworpen aan ondervragen door Libische veiligheidsdiensten en om gedetineerd te worden vanwege ontrouw aan de Libische staat.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de stukken die eiser heeft overgelegd, thans niet onaannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. De rechtbank kent in dit verband mede betekenis toe aan de omstandigheid dat geen algemeen ambtsbericht beschikbaar is met betrekking tot de mensenrechtensituatie in Libië en dat verweerder ook geen andersluidende informatie uit andere bron heeft ingebracht. Beroep gegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 01/22856

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1971,

van Libische nationaliteit,

IND dossiernummer 0101.24.8101,

eiser,

gemachtigde: mr. C.J. Looijen, advocaat te Zetten;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.A. Spoel, advocaat te 's-Gravenhage.

1 Procesverloop

1.1 Op 24 januari 2001 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij beschikking van 4 mei 2001 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

1.2 Bij beroepschrift van 28 mei 2001 heeft eiser beroep ingesteld tegen deze beschikking. Het beroep is ter zitting van 12 februari 2002 behandeld. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Spoel.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

3 Standpunten

3.1 Het asielrelaas van eiser komt op het volgende neer:

Eiser is afkomstig uit Tripoli en was in Libië sinds 1992 werkzaam als beroepsmilitair. Eiser was soldaat.

Op 1 april 1998 stond eiser vanaf 07:00 uur op wacht bij de kazerne waar hij werkte. Omstreeks 08:00 uur kwam een luitenant naar eiser toe, die eiser meedeelde dat hij om 10:00 uur naar huis mocht gaan en dat hij pas om 22:00 uur terug hoefde te zijn in de kazerne. De luitenant zei tegen eiser dat hij vervanging voor eiser zou regelen. Omdat het bevel afkomstig was van een meerdere in rang, heeft eiser hieraan gevolg gegeven en is hij om 10:00 uur naar huis gegaan. Eiser veronderstelde dat de luitenant die eiser mondeling had gezegd dat hij naar huis mocht gaan hem had afgemeld bij de leiding van de kazerne.

Omstreeks 17:00 uur werd eiser thuis gearresteerd door leden van de militaire politie. Eiser is meegenomen naar een militaire gevangenis, waar hij is verhoord. Zowel tijdens het verhoor als tijdens de aanhouding thuis is eiser mishandeld. Het bleek dat tijdens eisers afwezigheid het magazijn van de kazerne, waar ondermeer wapens bewaard werden, was leeggestolen. De luitenant die eiser vrijaf had gegeven en een andere soldaat waren verdwenen. Men deelde eiser mee dat de zaak zou worden onderzocht en dat voor eiser - als hij de waarheid sprak - te hopen viel dat de luitenant en de andere soldaat snel zouden worden gevonden. Eiser is vervolgens gedetineerd in de gevangenis. Sindsdien is eiser niet meer verhoord. Ook is eiser naar aanleiding van de diefstal uit het magazijn nooit voor een rechtbank verschenen.

Op 23 december 2000 is eiser, met behulp van een familielid ontsnapt uit de gevangenis. Dit familielid, de man van een nicht van eiser, had de rang van kolonel en was werkzaam als inspecteur van de militaire gevangenissen in Libië. Op 23 december 2000 bezocht hij eiser en hij gaf hem een briefje met instructies om te ontsnappen. Eiser diende 's middags om 14:30 uur - tijdens het luchten - over een muur te springen. Buiten zou een auto klaarstaan om eiser te vervoeren.

Eiser heeft gevolg gegeven aan deze instructies en hij is, toen de bewakers thee dronken en niet op de gevangenen letten, in een boom geklommen waardoor hij over de muur van de gevangenis kon klimmen; de boom was nooit omgehakt, omdat Khadaffi tegen ontbossing was.

Eenmaal buiten de gevangenis bracht eisers familielid hem naar een vriend. Eiser heeft enkele dagen in de woning van deze vriend verbleven. In deze periode is contact gelegd met een reisagent. Op 3 januari 2001 heeft eiser Libië per boot verlaten. Op 22 januari 2001 kwam eiser aan in Nederland.

3.2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat een van de gronden van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 zich voordoet. Niet aannemelijk is dat eiser in zijn land van herkomst te vrezen heeft voor vervolging. Het ontbreken van reis- of identiteitspapieren en van andere documenten ter staving van zijn asielrelaas kan aan eiser worden tegengeworpen. Eisers asielrelaas is ongeloofwaardig. Voor zover moet worden uitgegaan van eisers asielrelaas houdt hetgeen eiser heeft aangevoerd geen verband met artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag. Eiser was immers gedetineerd op verdenking van betrokkenheid bij het plegen van een commuun delict, namelijk diefstal.

3.3 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in zijn land van herkomst te vrezen heeft voor vervolging. Het ontbreken van documenten kan redelijkerwijs niet aan eiser worden tegengeworpen. Eisers asielrelaas is niet ongeloofwaardig. Verwijdering van eiser naar Libië is gezien de zorgwekkende mensenrechtensituatie in Libië niet verantwoord. Eiser verwijst in dit verband naar de brief van Amnesty International van 1 juli 1999 met betrekking tot de mensenrechtensituatie in Libië.

4 Overwegingen

4.1 Op grond van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Libië zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te worden verleend. Het zal daarom aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning dient te worden verleend.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het asielrelaas van eiser op goede gronden voor ongeloofwaardig heeft gehouden. De rechtbank acht niet geloofwaardig dat eiser op zo eenvoudige wijze als door hem gesteld heeft kunnen ontsnappen uit de gevangenis. Zo wekt eisers verklaring dat tegen de buitenmuur van de gevangenis een boom zou staan, waar men in kon klimmen, bevreemding. Eisers verklaring, dat Khadaffi tegen ontbossing is dat de boom daarom niet was omgehakt, overtuigt de rechtbank niet. Niet aannemelijk is dat de Libische autoriteiten, door het tegen de buitenmuur van de gevangenis laten staan van een grote boom, een zo voor de hand liggende ontsnappingsmogelijkheid zouden willen creëren. Voorts is niet aannemelijk dat het geen van de drie bewakers zou zijn opvallen dat eiser uit de gevangenis probeerde te ontsnappen.

Nu eisers asielrelaas ongeloofwaardig moet worden geacht, is niet aannemelijk dat eiser in zijn land van herkomst te vrezen heeft voor vervolging.

Eiser kan daarom niet als verdragsvluchteling worden aangemerkt.

4.2 Eiser heeft gemotiveerd betoogd dat Libiërs die zonder medeweten van de Libische autoriteiten langer dan zes maanden in het buitenland hebben verbleven bij terugkeer in Libië het risico lopen om te worden onderworpen aan ondervragen door Libische veiligheidsdiensten en om gedetineerd te worden, vanwege ontrouw aan de Libische staat. Voorts wordt in de stukken welke eiser heeft overgelegd melding gemaakt van een incident dat in maart 2000 zou hebben plaatsgevonden, toen een groep van zeven Libiërs vanuit Jordanië werd uitgezet naar Libië. Volgens de door eiser overgelegde documentatie zijn tenminste drie van hen bij aankomst op het vliegveld van Tripoli gedood.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de stukken welke eiser heeft overgelegd, thans niet onaannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank kent in dit verband mede betekenis toe aan de omstandigheid dat geen algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken beschikbaar is met betrekking tot de mensenrechtensituatie in Libië en dat verweerder ook geen andersluidende informatie uit andere bron heeft ingebracht.

Derhalve is onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij verwijdering naar Libië geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM.

4.3 Het beroep is derhalve gegrond.

4.4 Gelet op het hiervoor overwogene bestaat aanleiding om verweerder, als de in het ongelijk gestelde partij, te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van zijn beroep. Deze kosten hun begroot op 644 euro's (EUR), als kosten van verleende rechtsbijstand.

5 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met inachtnemening van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op EUR 644,-, te betalen aan eiser;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier op 7 maart 2002

_________________________________________________________________________

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 7 maart 2002