Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0847

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2002
Datum publicatie
29-03-2002
Zaaknummer
AWB 00/68291 OVERIO GR
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / Midgan / ambtsbericht.

Verweerder mag in zijn algemeenheid afgaan op de juistheid van een ambtsbericht, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de gegevens uit het individuele ambtsbericht van december 2000 concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht van februari 2000 met betrekking tot de leden van de Midgan waarop dit individuele ambtsbericht doelt. Bij verweerschrift is gesteld dat eerdergenoemde problemen en het eerdergenoemde 'pas-op-de-plaatsbeleid' alleen golden voor diegenen die afkomstig zijn uit Mogadishu of de provincies Bay en Bakool en dus niet voor eiseres die weliswaar uit het zuiden afkomstig is maar niet uit genoemde gebieden. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd waarom de in eerdergenoemd individueel ambtsbericht genoemde veiligheidsproblemen zich niet zouden voordoen ten aanzien van andere leden van de Midgan bevolkingsgroep afkomstig uit het zuiden van Somalië. De rechtbank is voorts van oordeel dat de algemene conclusie in het ambtsbericht van juni 2001 dat de veiligheid van de minderheden in Somalië niet in gevaar is, niet als basis kan dienen voor verweerders oordeel dat ook de veiligheid van de specifieke leden van de groep waar het hier om gaat niet in gevaar is. Gelet op de concrete aanknopingspunten die het individuele ambtsbericht van december 2000 geeft voor twijfel aan dit oordeel, zijn meer expliciete gegevens juist met betrekking tot deze groep nodig om tot een dergelijk oordeel te kunnen komen.

Voorts heeft verweerder zich onvoldoende rekenschap gegeven van de positie van eiseres als alleenstaande vrouw, behorend tot een minderheidsgroepering. Op geen enkele wijze wordt in het ambtsbericht gemotiveerd waarom deze problemen zich alleen zouden voordoen bij de daar genoemde alleenstaande vrouwen van de Reer Hamar en de Reer Brava, terwijl de in het ambtsbericht genoemde oorzaken van de problemen, het ontbreken van een clanstructuur en het hebben van een lagere status, evenzeer geldt voor leden van de Midgan als voor de Reer Hamar en de Reer Brava. Het ambtsbericht voldoet daarmee op dit punt niet aan één van de elementaire eisen die aan een deskundigenbericht kunnen worden gesteld, namelijk dat conclusies op heldere en inzichtelijke wijze moeten worden onderbouwd. Het had onder deze omstandigheden op de weg van verweerder gelegen om op dit punt nadere uitleg te vragen aan het Ministerie van Buitenlandse zaken en niet zonder meer een niet inzichtelijk onderbouwde conclusie over te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Regnr.: Awb 00/68291 OVERIO GR

U I T S P R A A K

inzake: A

geboren op [...] 1977

verblijvende te B

van Somalische nationaliteit,

IND dossiernummer 980706.8126

Eiseres,

gemachtigde: mr. R. Kakes, advocaat te Zwolle;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. A van Dijck, juridisch medewerkster van het kantoor van de landsadvocaat

PROCESVERLOOP

Op 7 juli 1998 heeft eiseres een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 26 februari 1999 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eiseres geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 25 maart 1999 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 17 oktober 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 25 oktober 2000 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres gezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 oktober 2001. Het onderzoek is heropend en de verdere behandeling van het beroep is verwezen naar de meervoudige kamer. Openbare behandeling van het beroep door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden ter zitting van 14 februari 2002. Eiseres is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

MOTIVERING

Standpunt partijen

Het vluchtrelaas van eiseres komt op het volgende neer. Eiseres is afkomstig uit Afmadaw in de buurt van Kismayo in Somalië. Zij behoort tot de Midgan bevolkingsgroep, ook wel de Madhiban geheten. De echtgenoot van eiseres, die ook behoorde tot de Midgan bevolkingsgroep, is tijdens de gevechten bij Kismayo in 1995 gedood. Anderhalf jaar daarna is de oom van eiseres gedood. Ongeveer drie maanden voor haar vertrek is de familie van eiseres aangevallen door leden van de Ogadenclan. Eiseres is gevangen genomen en werd gedwongen te werken als koeienhoedster voor de Ogadenclan. Haar vader en haar broer zijn bij deze aanval om het leven zijn gebracht, haar moeder en haar dochter zijn verdwenen, eiseres heeft hen sinds haar gevangenneming niet meer gezien. Het is eiseres op enig moment gelukt te ontsnappen, waarna zij via Kenia en Frankrijk naar Nederland is gevlucht.

In bezwaar en beroep stelt eiseres zich op het standpunt dat de situatie in Somalië niet is verbeterd, zij verwijst naar het rapport van US Department of State van 26 februari 1999 en naar een schrijven van de UNHCR van 31 oktober 2000, waaruit blijkt dat de UNHCR repatriëring naar Somalië naar gebieden waaruit de asielzoeker niet afkomstig is, ontraadt. Zij stelt dat verweerder haar problemen bagatelliseert en voorbij gaat aan het feit dat zij een alleenstaande vrouw is. Er is bovendien geen vestigingsalternatief voor haar, omdat er geen gebied is waar de Midgan dominant aanwezig zijn, terwijl zij geen familie heeft in het door verweerder als veilig genoemde gebied. Eiseres meent voorts dat zij had moeten worden gehoord op haar bezwaar.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Eiseres beschikt niet over reisdocumenten, dit tast de geloofwaardigheid van haar reisverhaal aan. Voorts blijkt uit het ambtsbericht van 23 oktober 1998 dat de situatie in Somalië is verbeterd en dat eiseres alleen al vanwege haar afkomst niet zonder meer als vluchteling is te beschouwen. De aanval door de Ogadenclan en de gevangenneming van eiseres moeten worden gezien als een incident en hebben geen relatie met een der vervolgingsgronden. Ook de simpele wijze waarop eiseres heeft weten te ontsnappen duidt er niet op dat zij in de negatieve belangstelling van leden van de Ogadenclan staat. Eiseres kan zich bovendien elders veilig vestigen. Uit genoemd ambtsbericht blijkt dat de tien noordelijke provincies veilig zijn. Het ambtsbericht van 16 februari 2000 bevestigt het ambtsbericht van 23 oktober 1998. De situatie in Somalië is stabiel. Door de toenemende effectiviteit van de regionale besturen in het handhaven van de veiligheid is de noodzaak van bescherming door de eigen clan(familie) in de noordelijke provincies niet aan de orde. Personen die behoren tot een minderheidsgroep als de Midgan hebben een vestigingsalternatief in het relatief veilige deel van Somalië. Er zijn leden van de Midgan naar Somaliland vertrokken. Bovendien zijn minderheidsgroepen in staat een nieuw bestaan op te bouwen, aangezien zij flexibel op de markt inspelen. Het feit dat eiseres een alleenstaande vrouw is brengt geen extra problemen voor haar met zich mee.

In het verweerschrift verwijst verweerder nogmaals naar het ambtsbericht van 16 februari 2000. Uit dit ambtsbericht blijkt, aldus verweerder, dat alleen alleenstaande vrouwen van de Reer Hamar en de Reer Brava geen vestigingsalternatief hebben in het noorden van Somalië. Sedert de beleidswijziging van 3 april 2000 wordt ervan uitgegaan dat ook de minderheden en clanlozen een verblijfsalternatief hebben in het veilige deel van Somalië. Dit geldt ook voor de Midgan bevolkingsgroep met uitzondering van de Midgan uit Mogadishu of de provincie Bay en Bakool.

Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het voorheen geldende „pas op de plaats beleid“, dat tijdelijk werd gehanteerd ten aanzien van de Midgan bevolkingsgroep, betrekking had op al diegenen van de Midgan die afkomstig zijn uit het zuiden van Somalië, evenals eiseres. Voorts wordt, aldus verweerder ter zitting, na het uitbrengen van het ambtsbericht van juni 2001, ten aanzien van de gehele bevolkingsgroep van de Midgan aangenomen dat zij een vestigingalternatief heeft in het veilige deel van Somalië en wordt aangenomen dat ook de leden van de Midgan uit het zuiden een verblijfsalternatief hebben.

Beoordeling van het beroep

In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Wet van 23 november 2000 tot

algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495; verder: Vw 2000) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is de Vreemdelingenwet (oud) ingetrokken (art. 122 Vw 2000).

Ingevolge het bepaalde in artikel 119, eerste lid, Vw 2000 blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet (oud) dat is bekendgemaakt, dan wel een handeling op grond van de Vreemdelingenwet (oud) die is verricht voor dat tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000.

Nu de Vw 2000 niet voorziet in overgangsrecht voor beslissingen die het niet-toekennen van een verblijfstitel tot gevolg hebben, worden de grondslag en de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing bepaald door het ten tijde van de beslissing geldende rechtsregime.

Evenwel kan de rechtbank ingevolge artikel 83 Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen. Artikel 83 Vw 2000 strekt niet zo ver dat daaruit voortvloeit dat de rechtbank beslissingen genomen voor 1 april 2001 toetst aan de materiële bepalingen van de Vw 2000.

Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

Vooropgesteld moet worden dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Somalië zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiseres persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor zij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet aannemelijk geworden. De echtgenoot van eiseres is volgens de verklaring van eiseres gedood door leden van de Ogadenclan, na een conflict over het betalen van door hem geleverde schoenen. De familie van eiseres is daarna door diezelfde clan aangevallen in verband met daaruit ontstane meningsverschillen, nadat de vader van eiseres genoegdoening van deze clan eiste voor de dood van de echtgenoot van eiseres. De daarop volgende aanval op de familie van eiseres, haar gevangenneming en gedwongen tewerkstelling als koeienhoedster duiden niet op enige relatie met een van de vervolgingsgronden, terwijl er geen sprake is van een speciaal op eiseres gerichte negatieve belangstelling van leden van de Ogadenclan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft kunnen besluiten om eiseres niet als vluchteling toe te laten.

Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

Het is, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet aannemelijk dat eiseres bij gedwongen verwijdering naar Somalië een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden, zodat eiseres aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen kan ontlenen.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder, die als uitgangspunt hanteert dat uit Somalië afkomstige vreemdelingen, behorend tot de zogenaamde minderheidsgroepen, niet naar het zuiden teruggezonden kunnen worden vanwege de daar heersende algemene toestand van onveiligheid, terecht heeft aangenomen dat eiseres een verblijfsalternatief heeft in het relatief veilige gebied van Somalië.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiseres een dergelijk verblijfsalternatief heeft. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Eiseres behoort tot de bevolkingsgroep van de Midgan. Deze bevolkingsgroep behoort tot de zogenaamde minderheidsgroepen in Somalië.

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het ambtsbericht van 16 februari 2000. In dit ambtsbericht wordt over deze minderheidsgroepen in zijn algemeenheid gesteld dat bij vestiging in de relatief veilige gebieden in het noorden van Somalië hun veiligheid niet in het geding is, terwijl zij evenmin te duchten hebben voor vervolging. Wel kunnen zij te maken krijgen met achterstelling en discriminatie en is hun sociaal-economische situatie vaak precair. In het ambtsbericht van 16 februari 2000 wordt niet in het bijzonder ingegaan op de positie van de Midgan.

In een individueel ambtsbericht van december 2000 wordt evenwel melding gemaakt van problemen in Noord-Somalië van Midgan-leden die uit het zuiden afkomstig zijn. Deze problemen vormden voor verweerder aanleiding om een „pas-op-de-plaats beleid“ te gaan voeren. Dit „pas-op-de-plaats beleid“ heeft, aldus verweerder ter zitting, geduurd tot 24 september 2002, de datum waarop het nieuwe beleid ten aanzien van Somalië werd bekend gemaakt.

Verweerder mag in zijn algemeenheid afgaan op de juistheid van een ambtsbericht indien dit ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de gegevens uit het hierboven genoemde individuele ambtsbericht, dat is verschenen kort na het bestreden besluit, concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht van februari 2000 met betrekking tot de leden van de Midgan waarop dit individuele ambtsbericht doelt.

Bij verweerschrift is gesteld dat eerdergenoemde problemen en het eerdergenoemde „pas op de plaats beleid“ alleen golden voor diegenen die afkomstig zijn uit Mogadishu of de provincies Bay en Bakool en dus niet voor eiseres omdat zij daar niet vandaan komt. Ter zitting heeft verweerder echter aangegeven dat dit „pas op de plaats beleid“ gold voor alle leden van de bevolkingsgroep van de Midgan die, evenals eiseres, afkomstig zijn uit het zuiden van Somalië. Daarmee is er kennelijk sprake van twijfel over de vraag welke leden van de Midgan problemen ondervonden als bedoeld in het individuele ambtsbericht van december 2000.

Voorts is reeds eerder door deze rechtbank overwogen, in haar uitspraak van 6 april 2000 (AWB 99/3814, zittingsplaats Zwolle), dat door verweerder onvoldoende is onderbouwd waarom alleen de Midgan uit Mogadishu en de provincies Bay en Bakool problemen zouden hebben te duchten in het noorden van Somalië.

Naar het oordeel van de rechtbank is nog steeds onvoldoende onderbouwd waarom de in eerdergenoemd individueel ambtsbericht genoemde veiligheidsproblemen, zich niet zouden voordoen ten aanzien van andere leden van de Midgan bevolkingsgroep afkomstig uit het zuiden van Somalië.

Gelet op het bovenstaande kan het besluit van 17 oktober 2000 geen stand houden.

Naar het oordeel van de rechtbank doet aan het vorenstaande niet af het ambtsbericht van juni 2001. In dit ambtsbericht wordt slechts gesteld dat voor de leden van de beroepskasten die van oudsher uit het zuiden van Somalië komen en traditioneel een cliënt-relatie hadden met de Hawiye, integratie in Puntland of Somaliland lastiger is dan van de Gaboye uit Noord-Somalië en dat zij doorgaans zullen verblijven in ontheemdenkampen. De eerder verkregen informatie waarop het individuele ambtsbericht van december 2000 betrekking had, wordt niet genoemd of weersproken. Ook in de beleidsbrief van 24 september 2001 wordt geheel niet ingegaan op de positie van de Midgan en het voordien gevoerde afwijkende beleid ten aanzien van sommige leden van deze bevolkingsgroep.

De rechtbank is van oordeel dat de algemene conclusie in het ambtsbericht van juni 2001 dat de veiligheid van de minderheden in Somalië niet in gevaar is, niet als basis kan dienen voor verweerders oordeel dat ook de veiligheid van de specifieke leden van de groep waar het hier om gaat niet in gevaar is. Gelet op de concrete aanknopingspunten die het individuele ambtsbericht van december 2000 geeft voor twijfel aan dit oordeel, zijn meer expliciete gegevens juist met betrekking tot deze groep nodig om tot een dergelijk oordeel te kunnen komen. Nu het ambtsbericht van juni 2001 deze expliciete gegevens niet bevat, kan daarin geen afdoende motivering worden gevonden voor het beëindigen van het „pas-op-de-plaats beleid“.

Er is derhalve geen aanleiding om, na toetsing van het bestreden besluit op dit punt, in het licht van artikel 83 Vw 2000, tot een ander oordeel te komen.

Voorts heeft verweerder zich onvoldoende rekenschap gegeven van de positie van eiseres als alleenstaande vrouw, behorend tot een minderheidsgroepering. In het ambtsbericht van februari 2000 wordt geschetst dat de positie van de alleenstaande vrouw, die niet behoort tot een minderheidsgroepering, doorgaans weinig problemen oplevert. Voor de vrouwen behorend tot minderheidsgroepen ligt dit anders. Het ambtsbericht stelt daaromtrent: “De positie van vrouwen behorend tot minderheidsgroepen wijkt af van het bovenstaande, daar de minderheden geen clanstructuur kennen en een lagere status hebben. Weduwen of gescheiden vrouwen behorend tot de Reer Hamar of de Reer Brava die geen naaste familie in het relatief veilige deel van Somalië hebben zouden het, indien zij zich in dat gebied vestigen, zeer moeilijk hebben. Zij zouden feitelijk uitgestotenen blijven, voor wie weinig anders openstaat dan te leven van de prostitutie“. (pag. 51)

Verweerder mag weliswaar in zijn algemeenheid afgaan op de juistheid van een ambtsbericht, het ambtsbericht dient dan wel op inzichtelijke en consistente wijze informatie te verschaffen.

Op geen enkele wijze wordt echter in het ambtsbericht gemotiveerd waarom deze problemen zich alleen zouden voordoen bij de daar genoemde alleenstaande vrouwen van de Reer Hamar en de Reer Brava, terwijl de in het ambtsbericht genoemde oorzaken van de problemen, het ontbreken van een clanstructuur en het hebben van een lagere status, evenzeer geldt voor leden van de Midgan als voor de Reer Hamar en de Reer Brava. Uit de aangehaalde passage valt bovendien niet zonder meer op te maken of de aldaar beschreven moeilijke positie van alleenstaande vrouwen behorend tot de minderheidsgroepen alleen geldt voor de vrouwen van de Reer Hamar en de Reer Brava of dat deze groepen slechts als voorbeeld zijn genoemd.

Het ambtsbericht voldoet daarmee op dit punt niet aan één van de elementaire eisen die aan een deskundigenbericht kunnen worden gesteld, namelijk dat conclusies op heldere en inzichtelijke wijze moeten worden onderbouwd. Het had onder deze omstandigheden op de weg van verweerder gelegen om op dit punt nadere uitleg te vragen aan het Ministerie van Buitenlandse zaken en niet zonder meer een niet inzichtelijk onderbouwde conclusie over te nemen.

Ook in zoverre is het besluit van verweerder onvoldoende onderbouwd.

Voorts wordt in het ambtsbericht van juni 2001 over de positie van alleenstaande vrouwen uit de minderheidsgroepen slechts vermeld: „Over de positie van vrouwen behorend tot minderheidsgroepen is weinig specifieke informatie beschikbaar“ (pag. 52). Op grond van deze informatie kan niet, onder toepassing van artikel 83 van de Vw 2000, tot het oordeel worden gekomen dat thans wel duidelijk is (geworden) dat de positie van een alleenstaande Midgan vrouw, afkomstig uit het zuiden, zodanig is dat haar een verblijfsalternatief in het noorden van Somalië kan worden tegengeworpen.

Gezien het voorgaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat aan eiseres een verblijfsalternatief in het noorden van Somalië kan worden tegengeworpen en kan de gegeven motivering de beslissing om eiseres niet in aanmerking te brengen voor een vergunning tot verblijf zonder beperkingen niet dragen.

Het beroep is derhalve gegrond.

Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van het geding.

BESLISSING

De rechtbank :

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 17 oktober 2000 en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met in acht neming van deze uitspraak;

Wijst de staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad EUR 22,69 aan eiseres te vergoeden;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ad EUR 805,--

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens, mr. H.C.P. Venema en mr. J.L. Boxum en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2002.

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Buikema als griffier.

Afschrift verzonden: