Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0842

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2002
Datum publicatie
29-03-2002
Zaaknummer
AWB 02/15684 BEPTDN A S7
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AC-procedure / 48-uurstermijn.

Noch uit de Vw 2000, noch uit de Vb 2000 noch uit de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State valt eenduidig af te leiden wat de aanvangstijd van de 48-uurstermijn is. In hoofdstuk C3/12 Vc 2000 is opgenomen dat de 48-uurstermijn aanvangt op het moment dat de vreemdelingendienst begint met het eerste onderzoek van de eerste fase. Tussen de aanmelding op afspraak, de zogenaamde slagboomtijd, en de hiervoor bedoelde feitelijke opname in de asielprocedure geldt volgens dezelfde paragraaf in de Vc een maximale wachttijd van vier uur.

Gelet op de definitie van proces-uur, zoals gegeven in artikel 1.1 Vb 2000 en de in het bijzonder uit de artikelen 3.108 en 3.109 blijkende systematiek van het Vb 2000 moet worden geoordeeld dat de aanvangstijd van de 48 uurs-procedure in beginsel ingaat op het moment van het indienen van de aanvraag. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt indien verweerder, voorafgaande aan de indiening van de aanvraag, reeds onderzoekshandelingen met betrekking tot die aanvraag verricht die het kader van artikel 3.109 Vb 2000 te buiten gaan. In de onderhavige situatie is dit echter niet gesteld of gebleken.

Het is aan verweerder om te beoordelen of een zorgvuldige besluitvorming in de weg staat aan het geven van een beschikking zonder dat een zienswijze naar voren is gebracht. Bij deze beoordeling dient verweerder te betrekken het gewicht van de zaak in relatie tot de tijd die de vreemdeling heeft voor het naar voren brengen van de zienswijze. Bij het aspect van het gewicht van de zaak is onder meer van belang het door de vreemdeling naar voren gebrachte relaas, de mate waarin dit relaas met bewijsstukken is geadstrueerd en is verweven met de algemeen bekende situatie in het land van herkomst en de omvang en de intensiteit van het onderzoek naar de juistheid van de door de vreemdeling verstrekte gegevens. Een en ander betekent dat verweerder ook zonder dat een zienswijze is ontvangen mag overgaan tot het geven en uitreiken van de beschikking indien hij tot het standpunt komt dat gelet op het gewicht van de zaak in de beschikbare tijd een zienswijze had kunnen worden naar voren gebracht. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de dossierstukken en het verhandelde ter zitting, verweerder ook zonder een zienswijze af te wachten heeft kunnen besluiten de aanvraag af te wijzen. Niet is gebleken dat eisers gemachtigde inhoudelijk is ingegaan op de vraag of er nader onderzoek noodzakelijk was ter beantwoording van de vraag of er aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.109
Vreemdelingenbesluit 2000 1.1
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: Awb: 02/15684 BEPTDN A S7

uitspraak: 14 maart 2002

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1980,

van Albanese nationaliteit,

IND-dossiernummer: 020225.8035,

eiser,

gemachtigde: mr. E.J.P. Cats, advocaat te Emmen,

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door: mr. S. Michael, ambtenaar ten departemente.

PROCESVERLOOP

Op 25 februari 2002 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft bij beschikking van 28 februari 2002 afwijzend op de aanvraag beslist.

Bij beroepschrift van 28 februari 2002 heeft eiser tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld. Tevens is op 28 februari 2002 verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het beroep versneld wordt behandeld. De openbare behandeling van zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden 8 maart 2002. Ter zitting is verschenen mr. H.J.M. Nijholt, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser. Eiser is aldaar niet in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

MOTIVERING

Standpunten van partijen

Eiser heeft in Albanië werkzaamheden verricht voor de Democratische Partij. Hij heeft leuzen geroepen en affiches geplakt. Voor de personen die aan de macht waren was dat ongewenst. Omdat eiser democraat is kon hij geen werk van de Staat krijgen. Eisers vader was lid van de Democratische Partij en lid van de verkiezingscommissie. Kort na de verkiezingen op 24 juni 2001 is eisers vader op 27 september 2001 om het leven gebracht. Eiser is naar de politie gegaan, maar deze deed niets. Omdat de politie niets deed is eiser gevlucht.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de aanvraag mede afgewezen, omdat eiser gelet op artikel 31 tweede lid onder f, Vw 2000 niet in het bezit is van reis- of identiteitspapieren. Voorts zijn in de verklaringen van eiser onvoldoende aanknopingspunten te vinden dat eiser zich heeft gemanifesteerd als tegenstander van de autoriteiten van Albanië. Dat eiser leuzen heeft geroepen en affiches heeft geplakt maakt het voorgaande niet anders. Hiertoe wordt opgemerkt dat de Democratische Partij een legale partij is en eisers activiteiten bovendien marginaal te noemen zijn. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij niet wordt gezocht door de autoriteiten van zijn land. Evenmin is aannemelijk dat eiser vanwege zijn activiteiten dusdanig zal worden gediscrimineerd dat hij op grond daarvan als vluchteling dient te worden toegelaten. Ten aanzien van de dood van eisers vader is verweerder van mening dat eiser geen overlijdensakte heeft overgelegd en er geen aanwijzingen zijn dat de dood in verband staat met lidmaatschap van de Democratische partij. Voorts heeft eiser, na de dood van zijn vader, van september 2001 tot januari 2002 zonder problemen in Albanië verbleven. Dit duidt niet op een acute vluchtsituatie. Tot slot is niet gebleken dat de autoriteiten geen bescherming konden of wilden bieden.

Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat is gebleken dat de SRA voor de voor- en nabespreking van het nader gehoor en het uitbrengen van de zienswijze meer tijd heeft gebruikt dat de haar toebedeelde tijd van twee, respectievelijk drie uur. Op rappel van de IND op 28 februari 2002 om 14.30 heeft de SRA aangegeven dat de reden van de tijdsoverschrijding bij de nabespreking van het nader gehoor was gelegen in de logistieke problemen van de zijde van de SRA. Ingevolge artikel 3:117, eerste en tweede lid Vb 2000 dient een vreemdeling zijn zienswijze op het voornemen binnen drie procesuren schriftelijk naar voren te brengen en is de zienswijze tijdig ingediend indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen. Nu de nabespreking van het nader gehoor op het moment van de uitreiking van de beschikking reeds langer heeft geduurd dan drie proces-uren, moet worden aangenomen dat in de onderhavige zaak niet tijdig een zienswijze is ingediend. Nu de SRA niet heeft verzocht om verlenging van de termijn van drie proces-uren en in de onderhavige zaak ook overigens, mede gelet op het bepaalde in artikel 3:117, vijfde lid, Vb 2000, niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan uit het oogpunt van zorgvuldigheid een zienswijze of andere reactie van betrokkene dient te worden afgewacht alvorens een beslissing kan worden genomen, wordt bij de onderhavige beschikking de aanvraag afgewezen.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanvraag niet binnen 48 proces-uren is afgedaan. Eiser stelt dat de 48 uur een aanvang neemt ten tijde van de zogenoemde slagboomtijd. In het geval van eiser start de 48 uur derhalve op 25 februari 2002 om 08.00 uur en eindigt de termijn op 28 februari 2002 om 14.00 uur. Nu de beschikking op 28 februari 2002 om 17.10 is uitgereikt is er sprake van een termijnoverschrijding. Voorts is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen nu verweerde niet heeft gewacht op het indienen van de zienswijze van de zijde van eiser. Weliswaar heeft eiser meer tijd gebruikt voor dan de toebedeelde tijd van drie uur, deze overschrijding van de tijd vindt zijn oorzaak in logistieke problemen veroorzaakt door verweerder.

Inhoudelijk heeft eiser geen beroepsgronden aangevoerd.

In reactie op het standpunt van eiser dat de aanvraag niet binnen 48 proces-uren is afgedaan, verwijst verweerder naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 25 januari 2002 waarbij is geoordeeld dat het beleid zoals genoemd in de C3/12.2.3 Vc 2000, waar is bepaald dat de aanvraag een aanvang neemt maximaal vier uur na de slagboomtijd, niet onredelijk is.

Beoordeling van het beroep

In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is onder meer van belang of verweerder de aanvraag zonder schending van eisen van zorgvuldigheid in het kader van de AC-procedure heeft kunnen afwijzen.

De in een ac-procedure beschikbare onderzoekstijd

De rechtbank ziet aanleiding allereerst in te gaan op de vraag of de onderhavige aanvraag om een verblijfsvergunning door verweerder door middel van de zogeheten AC-procedure kon worden afgedaan. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of de volgens de toepasselijke regelgeving voor een dergelijke afdoening (maximaal) beschikbare tijd is overschreden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3.111, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de vreemdeling niet eerder dan zes dagen na indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), aan een nader gehoor onderworpen.

Ingevolge artikel 3.112, eerste lid, aanhef en onder b, Vb 2000 is deze termijn niet van toepassing op de aanvraag van de vreemdeling ten aanzien van wie verweerder naar aanleiding van het in artikel 3.110 Vb 2000 bedoelde eerste gehoor overweegt de aanvraag binnen 48 procesuren af te wijzen.

Artikel 3.117, eerste lid, Vb 2000 bepaalt het volgende. Indien de Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 Vw 2000, af te wijzen binnen 48 procesuren, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt. Artikel 3.115 Vb 2000 is niet van toepassing. Ingevolge het tweede lid van artikel 3.117 Vb 2000 bedraagt de termijn voor het indienen van een zienswijze dan maximaal drie uren.

Ingevolge artikel 1.1. onder f, Vb 2000 worden onder procesuren verstaan de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 in een aanmeldcentrum beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22.00 uur tot 8.00 uur niet meetellen.

Noch uit de Vw 2000, noch uit de Vb 2000, noch uit de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2001 (200105777/1) en van 25 februari 2002 (200200319/1), valt eenduidig af te leiden wat de aanvangstijd van de 48-uurstermijn is. In de uitspraken van de ABRS wordt in dit verband gemeld dat alle uren sedert de aanmelding van een vreemdeling tot aan de uitreiking van het besluit als procesuren zijn aan te merken. In hoofdstuk C3/12, paragraaf 2.2.3 Vc 2000 is opgenomen dat de 48-uurstermijn in, onder meer, het aanmeldcentrum Ter Apel aanvangt op het moment dat de vreemdelingendienst begint met het eerste onderzoek van de eerste fase. Tussen de aanmelding op afspraak, de zogenaamde slagboomtijd, en de hiervoor bedoelde feitelijke opname in de asielprocedure geldt volgens dezelfde paragraaf in de Vc een maximale wachttijd van vier uur. Overwegingen van organisatorische aard hebben, aldus is door verweerder ter zitting uiteengezet, geleid tot dit beleid.

Uit de stukken is gebleken dat eiser, conform de eerder gemaakte afspraak op 25 februari 2002 om 08.00 uur is aangekomen op het aanmeldcentrum Ter Apel. Dit is de zogenoemde slagboomtijd. Dezelfde dag, om 11.15 uur is door een bij het AC-Ter Apel werkzame ambtenaar een aanvang genomen met het onderzoek naar de aanvraag, mede door het indienen van de aanvraag door middel van het invullen van model M35-H. De bestreden beschikking is uitgereikt op 28 februari 2002 om 17.10 uur.

Tussen de slagboomtijd en de feitelijke aanvang van het onderzoek is niet meer dan vier uur gelegen.

Verweerder heeft aangegeven dat de vreemdeling na aankomst, in afwachting van het moment dat hij wordt opgehaald om de aanvraag in te dienen, in de wachtkamer verblijft. Er worden gedurende die periode geen onderzoekshandelingen verricht. De gemachtigde van eiser heeft weliswaar gesteld dat er redelijkerwijs onderzoek plaats kan vinden gedurende deze periode, maar niet aangegeven dat het onderzoek naar de door eiser nog in te dienen aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning de facto is aangevangen.

Gelet op de definitie van proces-uur, zoals gegeven in artikel 1.1 Vb 2000 en de in het bijzonder uit de artikelen 3.108 en 3.109 blijkende systematiek van het Vb 2000 moet worden geoordeeld dat de aanvangstijd van de 48 uurs-procedure in beginsel ingaat op het moment van het indienen van de aanvraag. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt indien verweerder, voorafgaande aan de indiening van de aanvraag, reeds onderzoekshandelingen met betrekking tot die aanvraag verricht die het kader van artikel 3.109 Vb 2000 te buiten gaan. In de onderhavige situatie is dit echter gesteld, noch gebleken.

Uit het voorgaande volgt dat de aanvraag binnen 48 proces-uren is afgedaan zodat de rechtbank het beroep in zoverre ongegrond verklaart.

Het geven van de beschikking zonder de zienswijze af te wachten

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de beschikking te geven zonder de zienswijze af te wachten.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2001 (200105777/1) en van 25 februari 2002 (200200319/1) oordeelt de rechtbank dat uit artikel 1.1, onder f, Vb 2000 voortvloeit dat -buiten de uren van 22.00 tot 8.00 uur- in beginsel alle uren die sedert de aanmelding van de vreemdeling tot de uitreiking van de beschikking verstrijken als proces-uren zijn aan te merken, met uitzondering van de uren die ten gevolge van door verweerder aan te voeren en aannemelijk te maken feiten en omstandigheden redelijkerwijs niet voor het onderzoek naar de aanvraag konden worden benut. Ter bepaling van de vraag of een aanvraag geschikt is om in een aanmeldcentrum af te doen heeft de regelgever een naar tijdsduur van 48 uur gemeten maatstaf voorgeschreven. Daarbij heeft, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000 en de toelichting op het Vb 2000, de gedachte voorgezeten dat het vereiste dat binnen 48 proces-uren afdoende kan worden beoordeeld of de aanvraag kan worden afgewezen, waarborgt dat op deze wijze slechts zaken worden afgehandeld, die geen tijdrovend onderzoek vergen.

De regelgever heeft de termijnen waarbinnen het nader gehoor kan worden voor- en nabesproken en de zienswijze kan worden voorbereid eveneens van een bepaalde tijdsduur voorzien. Dat de feitelijke gang van zaken binnen een aanmeldcentrum meebrengt dat de facto de rechtshulpverlener onvoldoende tijd heeft in elke voorliggende zaak te overleggen met de vreemdeling, dan wel zonder nader overleg een zienswijze uit te brengen, is een consequentie die uit de regelgeving voortvloeit.

Zoals ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in haar uitspraak van 25 februari 2002 (200200319/1) brengt het voornemen van de verweerder om een zaak binnen het aanmeldcentrum af te doen, diens verantwoordelijkheid mee om het onderzoek en de daarop gebaseerde besluitvorming binnen de bij het Vb 2000 gestelde termijn van 48 proces-uren af te ronden. Hieruit vloeit voort dat de verweerder zich in elk stadium van de aanmeldprocedure de vraag moet stellen of de procedure op een zorgvuldige wijze binnen 48 proces-uren kan worden afgerond. Zo zal verweerder zich op het moment van voorbereiding van het voornemen, gelet op de tijdsduur die nog beschikbaar zal zijn na het uitreiken van het voornemen, dienen te bezinnen op zijn voornemen de zaak via de AC-procedure af te doen. Aspecten die bij deze bezinning van belang zijn, vloeien voort uit de voorliggende problematiek, waarbij mede een rol speelt of de rechtshulpverlener te kennen heeft gegeven dat voor de voorbereiding van het nader gehoor, dan wel het uitbrengen van de zienswijze, meer tijd nodig is dan waarvoor in de regelgeving is voorzien.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verweerder dwingt tot de handelwijze waarbij, nadat het voornemen is uitgereikt, het verstrijken van de tijd dwingt tot het geven en uitreiken van de beschikking. Het standpunt van verweerder dat deze handelwijze geen afbreuk doet aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming nu een na uitreiking van de beschikking ingestuurde zienswijze in het kader van de ex-nunc-toetsing nog in de procedure bij de rechtbank aan de orde kan komen, miskent dat de zienswijze zich tot verweerder richt.

Het is aan verweerder om te beoordelen of een zorgvuldige besluitvorming in de weg staat aan het geven van een beschikking zonder dat een zienswijze naar voren is gebracht. Bij deze beoordeling dient verweerder te betrekken het gewicht van de zaak in relatie tot de tijd die de vreemdeling heeft voor het naar voren brengen van de zienswijze.

Bij het aspect van het gewicht van de zaak is onder meer van belang het door de vreemdeling naar voren gebrachte relaas, de mate waarin dit relaas met bewijsstukken is geadstrueerd en is verweven met de algemeen bekende situatie in het land van herkomst en de omvang en de intensiteit van het onderzoek naar de juistheid van de door de vreemdeling verstrekte gegevens.

Een en ander betekent dat verweerder ook zonder dat een zienswijze is ontvangen mag overgaan tot het geven en uitreiken van de beschikking indien hij tot het standpunt komt dat gelet op het gewicht van de zaak in de beschikbare tijd een zienswijze had kunnen worden naar voren gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de dossierstukken en het verhandelde ter zitting, verweerder ook zonder een zienswijze af te wachten heeft kunnen besluiten de aanvraag af te wijzen.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Albanië zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 in samenhang met artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, b en c Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het relaas van eiser, de overwegingen van verweerder en het feit dat eiser noch in beroep noch ter zitting inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen het standpunt van verweerder, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging. Het standpunt van verweerder maakt de rechtbank tot het hare.

Eiser kan derhalve niet aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 een aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

Het is, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk dat eiser gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zodat eiser aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eiser kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. Eiser kan derhalve aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

In de voorliggende procedure heeft de rechtshulpverlener, op rappel van verweerder dat zijn werkzaamheden moesten worden afgerond, te kennen gegeven dat uit problemen van logistieke aard voortvloeit dat binnen de gestelde termijn geen zienswijze kan worden uitgebracht. Niet is gebleken dat hierbij inhoudelijk is ingegaan op de vraag of er nader onderzoek noodzakelijk was ter beantwoording van de vraag of er aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Evenmin is in de gronden van beroep of ter zitting aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zaak die dermate tijdrovend onderzoek vergt dat deze niet binnen de in de Ac-procedure ter beschikking staande 48 proces-uren had kunnen worden afgedaan.

Het niet afwachten van een zienswijze is gelet op het vorenoverwogene niet onzorgvuldig. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag terecht in het kader van de AC-procedure afgewezen. Het beroep is dan ook ongegrond.

Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van „hoger beroep vreemdelingenzaken“, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Aldus gegeven door mr. K. Wentholt, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.A. Buikema, als griffier op 14 maart 2002.

Afschrift verzonden op: 14 maart 2002