Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0785

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2002
Datum publicatie
27-03-2002
Zaaknummer
AWB 02/16357 VRONTN D
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / mislukte 48-uursprocedure.

De vreemdeling, van Bengalese nationaliteit, is toegang geweigerd op grond van een bijzondere aanwijzing ingevolge artikel 3, derde lid, Vw 2000. In geschil is de vraag of de bewaring op grond van artikel 6 Vw 2000 kan voortduren nadat de asielprocedure niet binnen 48 procesuren is afgerond. De behandeling van de asielaanvraag vindt thans niet langer plaats in de AC-procedure.

Verweerder ziet als grondslag voor de voortduring van de bewaring hoofdstuk C3/12.13.3.1 Vc 2000 en in het bijzonder onderdeel d. Dit is het criterium dat ten aanzien van de asielzoeker, zijn identiteit en nationaliteit, asielrelaas of overgelegde documenten nader onderzoek of analyse noodzakelijk is. Door de intrekking van de beslissing op het asielverzoek zal verweerder opnieuw op de aanvraag moeten beslissen en opnieuw onderzoek moeten doen naar aanleiding van de asielaanvraag, hetgeen door verweerder wordt aangeduid als nader onderzoek. Dat daartoe inmiddels aan de vreemdeling een voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag is uitgereikt, dat gelijkluidend is aan het voornemen dat in de AC-procedure was uitgereikt, doet er naar de mening van verweerder niet aan af dat het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag nog loopt. Verweerder heeft erop gewezen dat de criteria in dit beleidsonderdeel niet limitatief zijn.

De rechtbank stelt vast dat de wet geen regels bevat op grond waarvan de bewaring zou moeten worden opgeheven indien de asielprocedure niet kan worden afgerond binnen 48 procesuren. De rechtbank is van oordeel dat het d-criterium niet als grondslag kan dienen voor de voortduring van de bewaring. Dit criterium ziet op een aanvulling (een nader onderzoek) van het gebruikelijke onderzoek. Dat een dergelijk nader onderzoek in casu zou moeten worden verricht is niet of gebleken. Uit de gang van zaken valt slechts op te maken dat de reeds genomen beslissing uitsluitend is ingetrokken nadat uit de ABRS-uitspraak nr. 200200319/1 van 25 februari 2002 bleek dat verweerders visie op het verloop van de beschikbare procesuren door de Afdeling niet werd gedeeld.

Dit rechtvaardigt niet een afwijking van de beleidsregel dat geen verdere toepassing wordt gegeven aan artikel 6 Vw 2000. Verweerder kan worden toegegeven dat de opsomming van gevallen in hoofdstuk C3/12.13.3.1 niet limitatief is. Verweerder beroept zich evenwel op dit onderdeel van de Vc 2000 ten aanzien van een naar het zich laat aanzien omvangrijke hoeveelheid zaken. De rechtbank acht het niet aanvaardbaar dat dit zou kunnen op een grond die niet is opgenomen in hoofdstuk C3/12.13.3.1 Vc 2000 en die verweerder ook niet ter zitting heeft kunnen noemen. Ook in de andere delen van het beleid en de wijze waarop tot nu toe, naar de rechtbank ambtshalve bekend is, aan dit beleid uitvoering is gegeven kan geen steun worden gevonden voor het voortduren van de bewaring na overschrijding van de procesuren. De uitzondering die op dit beginsel in beleid en rechtspraak zijn ontwikkeld hebben steeds betrekking op zaaksspecifieke aspecten.

Uitgangspunt is kennelijk dat verweerder de maatregel van bewaring niet op zijn plaats acht bij vreemdelingen die een asielverzoek doen wanneer zij inreizen, tenzij op korte termijn, thans binnen 48 procesuren, is vast te stellen dat het asielverzoek moet worden afgewezen. Met dit uitgangspunt is niet in lijn de uitleg die verweerder op dit punt thans geeft aan de Vc en die in feite als resultaat heeft dat indien de 48 procesuren worden overschreden wegens capaciteitsproblemen, de zaak uit de AC-procedure wordt gehaald terwijl de bewaring voortduurt. Indien de uitleg van verweerder gevolgd zou worden zou dit betekenen dat overschrijding van de in de AC-procedure gestelde termijnen niet langer leidt tot doorplaatsing naar het OC en opheffing van de maatregel van bewaring. Dit houdt in dat er voor verweerder geen enkele stimulans meer zou zijn om zaken van vreemdelingen die in bewaring zitten nog binnen de 48 procesuren af te doen. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 96 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

tevens heropening onderzoek ex artikel 8:68 Awb

reg.nr: AWB 02/ 16357 VRONTN D

inzake: A, geboren op [...] 1958, van Bengalese nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, hierna te noemen: de vreemdeling,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te ’s-Gravenhage, verweerder.

Zitting:14 maart 2002.

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr.L. Sinoo, advocaat te Utrecht.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. D. Kuiper.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 12 februari 2002 is de vreemdeling ex artikel 3 Vw op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdeling is op diezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw toegepast.

1.2 Op 13 februari 2002 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.

Bij besluit van 15 februari 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. De ten aanzien van de vreemdeling toegepaste vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vw is in het besluit gehandhaafd. Op 28 februari 2002 is de afwijzende beschikking van 15 februari 2002 ingetrokken, waarbij de maatregel ex artikel 6 Vw is voortgezet.

1.3 Bij uitspraak van 28 februari 2002 met kenmerk AWB 02/11865 VRONTN J heeft deze rechtbank en nevenvestigingsplaats het eerste beroep tegen de maatregel ex artikel 6 Vw ongegrond verklaard.

1.4 Bij beroepschrift van 5 maart 2002, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de maatregel, tevens inhoudende een verzoek om herziening van voornoemde uitspraak van 28 februari 2002.

Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

2. Overwegingen

Vervolgberoep ingevolge artikel 96 Vw

Wettelijke kader en beleid

2.1 Op grond van artikel 3 Vw wordt onder meer de toegang geweigerd aan de vreemdeling die niet in het bezit is van een geldig paspoort of visum. In het derde lid van de bepaling staat dat indien de vreemdeling een asielverzoek doet hem de toegang alleen kan worden geweigerd indien er een bijzondere aanwijzing is van Onze Minister. Ingevolge artikel 6 Vw kan de vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd in vreemdelingenbewaring worden gesteld.

2.2 Verweerder voert ter uitvoering van de in artikel 6 Vw gegeven bevoegdheid het beleid dat is verwoord in de Vreemdelingencirculaire (Vc). A5/2.2 Vc betreft het toepassen van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen op grond van artikel 6 Vw. Uit A5/2.2.3.1, Vc, voor zover in casu relevant, blijkt het volgende.

Bij binnenkomst wordt beoordeeld of aan de asielzoeker de maatregel ex artikel 6 wordt opgelegd. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van een aantal niet-cumulatieve criteria. Voor de onderhavige casus zijn van belang het criterium dat de aanvraag binnen de AC-procedure Schiphol kan worden afgedaan, het criterium dat ten aanzien van de asielzoeker, zijn identiteit en nationaliteit, asielrelaas of overgelegde documenten nader onderzoek of analyse noodzakelijk is en het criterium dat ten aanzien van de asielzoeker een claim is gelegd bij de aanvoerende luchtvaartmaatschappij.

Als aan één of meer van deze criteria wordt voldaan, kan oplegging van de maatregel van artikel 6 plaatsvinden. Er wordt geprobeerd om zoveel mogelijk vast te houden aan het bij aanvang van de procedure gekozen criterium. Wisseling van criterium gedurende de procedure is weliswaar mogelijk, maar wordt ter voorkoming van misverstanden bij voorkeur vermeden.

Na het eerste gehoor wordt opnieuw beoordeeld of de artikel 6 maatregel wordt voortgezet. Indien op dat moment is gebleken dat de aanvraag zich niet leent voor afdoening binnen de AC-procedure vindt doorzending naar een Opvangcentrum plaats en wordt aan de asielzoeker feitelijk toegang verschaft. De toegangsweigering blijft evenwel in stand. In deze situatie wordt aan de vreemdeling de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Voorts wordt bij de beslissing op de asielaanvraag beoordeeld of de artikel 6 maatregel wordt voortgezet.

2.3 C3/12 Vc beschrijft de procedure in het aanmeldcentrum. Op basis van het beleid zoals verwoord in C3/12.2.3 vindt in principe doorverwijzing plaats naar een opvanglocatie indien de AC-procedure langer duurt dan 48 proces-uren.

2.4 C3/12.13.3.1 somt de criteria op voor plaatsing in het Grenshospitium, na aanmelding en indiening van de aanvraag. Deze criteria zijn merendeels dezelfde als de criteria van A5/2.2.3.1 die bij binnenkomst van de asielzoeker gelden. Voor de

onderhavige casus zijn dan ook dezelfde criteria van belang als eerder in rechtsoverweging 2.2 genoemd.

Indien is voldaan aan één of meer van de criteria in 13.3.1, zo vervolgt de Vc in 13.3.2, wordt de aanvraag direct behandeld in het AC en duurt de maatregel op grond van artikel 6 Vw voort. Afgezien van de mogelijkheid dat de vreemdeling in het

Grenshospitium wordt geplaatst en in bewaring blijft in afwachting van de aanvang van de behandeling van de aanvraag in de AC-procedure kan de maatregel van bewaring eveneens voortduren indien de asielzoeker de verdere behandeling van zijn aanvraag in het Grenshospitium dient af te wachten, welke niet plaats vindt binnen de AC-procedure. De aldaar geldende termijnen zijn niet van toepassing. De verdere afhandeling van de aanvraag, inclusief eventueel nader onderzoek dient echter wel voortvarend te geschieden. Plaatsing in het Grenshospitium kan plaatsvinden na het eerste gehoor, of ieder moment daarna tijdens de AC-procedure.

Op basis van dit beleid geldt verder als regel dat geen (verdere) toepassing van artikel 6, eerste lid, jo. tweede lid, Vw zal plaatsvinden indien geen zicht is op uitzetting of indien een verzoek om voorlopige voorziening is toegewezen door de rechter.

Hiervan kan worden afgeweken indien daartoe op grond van de inhoud van de zaak aanleiding bestaat.

2.5 C3/13.1 bespreekt de situatie na doorverwijzing naar de opvang en vermeldt dat bij indiening van een eerste asielaanvraag die niet binnen de AC-procedure wordt afgehandeld, in beginsel recht op opvang bestaat.

Standpunten van partijen

2.6 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bovengenoemd beleid ruimte biedt om vanwege formele redenen niet door te verwijzen naar een opvangcentrum en de maatregel van bewaring op grond van artikel 6 Vw te doen voortduren.

2.7 De vreemdeling heeft in de eerste plaats betoogd dat nu geen bijzondere aanwijzing is gegeven bij de toegangsweigering de maatregel van bewaring had moeten worden opgeheven. Met de intrekking van de beschikking inhoudende de weigering van toelating van de vreemdeling heeft verweerder besloten dat de vreemdeling mogelijk dient te worden toegelaten. Ten tweede heeft de vreemdeling aangevoerd dat nu hij zich niet meer in de AC-procedure bevindt, de maatregel van bewaring niet had mogen voortduren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Toegangsweigering

2.8 Uit het zich in het dossier bevindende proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2002 blijkt dat aan de vreemdeling de toegang is geweigerd op grond van een bijzondere aanwijzing ingevolge artikel 3, derde lid, Vw. Anders dan de gemachtigde van de vreemdeling kennelijk meent is deze toegangsweigering met de intrekking van de beslissing van 15 februari 2002 naar het oordeel van de rechtbank niet komen te vervallen. Uitgaande van de toegangsweigering van 12 februari 2002 kon verweerder derhalve de maatregel van bewaring op grond van artikel 6 Vw opleggen.

Voortduring van de bewaring

2.9 In artikel 3:116 Vb ziet verweerder mogelijkheden om de aanvraag op een andere wijze af te wikkelen dan binnen de AC-procedure. Of verweerder op die wijze juiste toepassing geeft aan deze bepaling staat in deze procedure niet ter discussie. Deze vraag zal in een eventuele beroepsprocedure tegen de uiteindelijke beslissing op asielverzoek aan de orde kunnen worden gesteld.

2.10 In de procedure die nu aan de orde is ligt uitsluitend de vraag voor of de bewaring op grond van artikel 6 Vw kan voortduren nadat de asielprocedure, die aanvankelijk was gestart in de AC-procedure, niet binnen 48 proces-uren is afgerond. In confesso is dat de behandeling van de asielaanvraag thans niet langer plaatsvindt in de aanmeldcentrumprocedure van 48 uren. Ingevolge artikel 96, vierde lid, Vw dient de rechtbank te beoordelen of toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met deze wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2.11 Ter zitting heeft verweerder als grondslag voor de voortduring van de bewaring gedurende de afhandeling van het asielverzoek buiten de AC-procedure verwezen naar criterium d zoals verwoord in C3/12.13.3.1. Door de intrekking van de beslissing op het asielverzoek zal verweerder opnieuw op de aanvraag moeten beslissen en opnieuw onderzoek moeten doen naar aanleiding van de asielaanvraag. Dit wordt door verweerder als nader onderzoek aangeduid. Dat daartoe inmiddels aan de vreemdeling een voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag is uitgereikt, dat gelijkluidend is aan het voornemen dat in de AC-procedure was uitgereikt, doet er naar de mening van verweerder niet aan af dat het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag nog loopt.

Voorts heeft verweerder, gelet op de niet-limitatieve criteria opgesomd in dit beleidsonderdeel, zich op het standpunt gesteld dat hij in de enkele overschrijding van de 48-uursprocedure geen aanleiding hoeft te zien om de vreemdeling in een

opvangcentrum te plaatsen en de vreemdelingenbewaring op te heffen. In het onderhavige geval is bovendien een claim gelegd op de aanvoerende luchtvaartmaatschappij, zodat de maatregel van bewaring volgens verweerder ook kon voortduren op basis van

criterium g in C3./12.13.3.1 Vc.

2.12 De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat de wet geen regels bevat op grond waarvan de bewaring zou moeten worden opgeheven indien de asielprocedure niet kan worden afgerond binnen 48 proces-uren. Vervolgens staat de rechtbank voor de vraag of het beleid dat verweerder op basis van de wettelijke regels heeft gemaakt zich verzet tegen voortzetting van de bewaring onder dergelijke omstandigheden.

2.13 De rechtbank is van oordeel dat het d-criterium niet als grondslag kan dienen voor de voortduring van de bewaring. De bewaring op grond van dit criterium kan worden voortgezet indien ten aanzien van de asielzoeker, zijn identiteit en

nationaliteit, asielrelaas of overgelegde documenten nader onderzoek of analyse noodzakelijk is. Indien de wijze waarop verweerder deze bepaling uitlegt juist zou zijn, zou het criterium van toepassing zijn op alle asielaanvragen en niet onderscheidend werken. Echter, naar het oordeel van de rechtbank ziet dit criterium op een aanvulling, een nader onderzoek, van het gebruikelijke onderzoek. Dat een dergelijk nader onderzoek in casu zou moeten worden verricht is gesteld noch gebleken. Integendeel, uit de gang van zaken valt slechts op te maken dat de beslissing die al genomen was, uitsluitend is ingetrokken nadat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2002, nr. 200200319/1, bleek dat verweerders visie op het verloop van de beschikbare proces-uren door de Afdeling niet werd gedeeld. Dit rechtvaardigt niet een afwijking van de beleidsregel dat geen verdere toepassing wordt gegeven aan artikel 6 Vw. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat verweerder niet alleen in deze zaak, maar ook in een substantieel aantal andere zaken waarin de 48 proces-uren zijn overschreden de maatregel op grond van artikel 6 doet voortduren. Voor een dergelijke categoriale afwijking van de voor bijzondere gevallen geformuleerde regel biedt het beleid geen basis. Verweerder kan worden toegegeven dat de opsomming van gevallen in C3/12.13.3.1 niet limitatief is. Omdat verweerder zich evenwel op dit onderdeel van de Vc beroept ten aanzien van een naar het zich laat aanzien omvangrijke hoeveelheid zaken acht de rechtbank het niet aanvaardbaar dat dit zou kunnen op een grond die niet is opgenomen in C3/12.13.3.1 en die verweerders gemachtigde ook niet ter zitting heeft kunnen noemen.

2.14 Ook het beroep op het g-criterium kan verweerder niet baten. Uit het beleid blijkt dat categoriewijziging alleen in bijzondere gevallen plaats vindt. De omstandigheid dat in het onderhavige geval een claim is gelegd op de aanvoerende

luchtvaartmaatschappij maakt de onderhavige casus niet tot bijzonder geval.

2.15 Ook in de andere delen van het beleid en de wijze waarop tot nu toe, naar de rechtbank ambtshalve bekend is, aan dit beleid uitvoering is gegeven kan geen steun worden gevonden voor het voortduren van de bewaring na overschrijding van de

proces-uren.

Uit dit beleid volgt namelijk dat in principe doorverwijzing plaatsvindt naar een opvanglocatie indien de AC-procedure langer duurt dan 48 proces-uren (C3/12.2.3). Van dit principe werd door verweerder tot nu toe niet afgeweken.

Voorts volgt uit het beleid dat weliswaar naast de AC-procedure de maatregel van bewaring kan voortduren indien de asielzoeker de verdere behandeling van zijn aanvraag in het Grenshospitium dient af te wachten; het beleid voorziet echter niet in een verdere behandeling van de aanvraag in het Grenshospitium en voortduring van de bewaring na de intrekking van de beslissing op de aanvraag gevolgd door een tweede behandeling van dezelfde aanvraag.

Tenslotte merkt de rechtbank het volgende op naar aanleiding van het in C3/12.13.3.2 verwoorde uitgangspunt, te weten dat als regel geldt dat geen (verdere) toepassing van artikel 6, eerste lid, jo. tweede lid, Vw zal plaatsvinden indien geen zicht is

op uitzetting of indien een verzoek om voorlopige voorziening is toegewezen door de rechter, tenzij daartoe op grond van de inhoud van de zaak aanleiding bestaat. In casu is sprake van een ingetrokken beslissing op het asielverzoek vanwege

overschrijding van de 48 proces-uren, kennelijk ter afwending van een toewijzing van een voorlopige voorziening dan wel gegrondverklaring van het beroep. Deze situatie dient naar het oordeel van de rechtbank met de toewijzing van de voorlopige

voorziening te worden gelijkgesteld.

2.16 Uit het hiervoor samengevatte beleid in de Vc kan de rechtbank geen andere conclusie trekken dan dat dit aldus is opgezet dat indien verweerder beslist om een asielaanvraag te behandelen binnen 48 proces-uren, de bewaring in beginsel alleen voortduurt indien die procedure uitmondt in een negatieve beschikking die binnen de 48 uren gegeven is. De uitzondering die op dit beginsel in beleid en rechtspraak zijn ontwikkeld hebben steeds betrekking op zaaksspecifieke aspecten. Uitgangspunt is kennelijk dat verweerder de maatregel van bewaring niet op zijn plaats acht bij vreemdelingen die een asielverzoek doen wanneer zij inreizen, tenzij op korte termijn, thans binnen 48 proces-uren, is vast te stellen dat het asielverzoek moet worden afgewezen. Met dit uitgangspunt is niet in lijn de uitleg die verweerder op dit punt thans geeft aan de Vc en die in feite als resultaat heeft dat indien de 48 proces-uren worden overschreden wegens capaciteitsproblemen, de zaak uit de AC-procedure wordt gehaald terwijl de bewaring voortduurt. Weliswaar wil de rechtbank de problemen waarvoor verweerder zich gesteld ziet na de recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak niet miskennen, indien echter de uitleg van verweerder gevolgd zou worden zou dit betekenen dat overschrijding van de in de AC-procedure gestelde termijnen niet langer leidt tot doorplaatsing naar het OC en opheffing van de maatregel van bewaring. Dit houdt in dat er voor verweerder geen enkele stimulans meer zou zijn om zaken van vreemdelingen die in bewaring zitten nog binnen de 48 proces-uren af te doen.

2.17 In casu is niet gebleken van feiten en omstandigheden gelegen in de inhoud van de zaak die nopen tot het maken van een uitzondering op de regel dat geen (verdere) toepassing van artikel 6 Vw zal plaatsvinden.

2.18 Concluderend is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden gelegen in de inhoud van de zaak die voortduring van de bewaring rechtvaardigen. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding kunnen vinden om af te wijken van zijn uitgangspunt zoals dat is verwoord in rechtsoverweging 2.16. Het beroep is dan ook gegrond. Tengevolge daarvan zal de rechtbank de opheffing van de maatregel van bewaring bevelen met ingang van 21 maart 2002.

2.19 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

Schadevergoeding en verzoek om herziening.

2.20 De gemachtigde van de vreemdeling heeft in het beroepschrift aangevoerd dat indien de rechtbank ten tijde van de behandeling van het beroep van 21 februari 2002 op de hoogte was geweest van het –naar achteraf is komen vast te staan- ontbreken van de afwijzende beslissing op de asielaanvraag binnen de AC-procedure er zonder meer reden was geweest om het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel gegrond te verklaren. De gemachtigde van de vreemdeling verzoekt om toekenning van schadevergoeding voor iedere dag dat de vreemdeling onterecht in bewaring heeft verbleven.

2.21 De rechtbank heropent het onderzoek voor zover het de onder rechtsoverweging 2.18 bedoelde kwestie betreft en zal hierover afzonderlijk uitspraak doen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat over enige weken de meervoudige kamer van de deze rechtbank en nevenvestigingsplaats zich over een dergelijke kwestie zal uitspreken. Partijen zal te zijner tijd een afschrift van de uitspraak van de meervoudige kamer worden toegestuurd. Zij zullen in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren voordat uitspraak wordt gedaan.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond en beeelt de opheffing van de bewaring met ingang van 21 maart 2002;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

heropent het onderzoek ter fine van hetgeen hierboven in rechtsoverweging 2.21 is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en mr. J.M. Janse van Mantgem en mr J.C.W. Bogaards, leden, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2002, in tegenwoordigheid van drs. M.C.H. Dijkstra als griffier.

Afschrift verzonden op: 21 maart 2002

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.