Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0318

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2002
Datum publicatie
19-03-2002
Zaaknummer
AWB 00/62519
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / tijdsverloop.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de periode tussen het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten, in een eerdere procedure niet als relevant tijdsverloop kan worden aangemerkt. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder uitdrukkelijke afstand genomen van het in het bestreden besluit ingenomen standpunt met betrekking tot het relevante tijdsverloop. Volgens verweerder kan desalniettemin geen succesvol beroep worden gedaan op de driejarentermijn omdat de rechtbank de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten. Uit toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb vloeit naar de mening van verweerder impliciet voort dat de rechtbank in de uitspraak van 16 februari 1999, ex nunc toetsend, het driejarenbeleid reeds in haar beoordeling heeft meegenomen. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Nu verweerder op haar standpunt terug is gekomen is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 Awb genomen. Het besluit berust niet meer op een deugdelijke motivering. De rechtbank is van oordeel dat uit het oogpunt van de rechtszekerheid toetsing van het driejarenbeleid slechts kan worden aangenomen indien zulks expliciet in de uitspraak is overwogen. De rechtbank ziet in de door verweerder naar voren gebrachte contra-indicaties evenmin aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb de rechtsgevolgen in stand te laten. Nu de aangevoerde contra-indicaties te weinig gespecificeerd en geconcretiseerd zijn, is onvoldoende gebleken dat zij aan eisers aanspraak op een vtv op grond van tijdsverloop in de weg zouden staan. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 2002-01-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 00/62519 VRWET

inzake: A, geboren op [...] 1968, van Ethiopische nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. F.M. Holwerda, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.T. Idema, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 1 maart 1999 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid. Bij besluit van 19 oktober 1999 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 15 november 1999 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 9 december 1999. Het bezwaar is bij besluit van 7 augustus 2000 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 1 september 2000 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 8 september 2000. Op 19 december 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 21 september 2001 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig T. Ogbamichael, tolk in de Amhaarse taal.

II. FEITEN

1. In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Op 27 maart 1995 heeft eiser verzocht om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 1 september 1995 zijn beide aanvragen niet ingewilligd. Op 15 september 1995 is tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tegelijkertijd is verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 18 oktober 1995 is het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Op 4 december 1997 is eiser door de Adviescommissie Vreemdelingenzaken (ACV) gehoord. De ACV heeft tot ongegrondverklaring van het bezwaar geadviseerd. Bij besluit van 21 januari 1998 is het bezwaar ongegrond verklaard. Op 17 februari 1998 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 6 april 1998 en aangevuld bij brief van 24 april 1998 en 28 juli 1998. Bij uitspraak van 16 februari 1999 is het beroep door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard met instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op het zogenaamde driejarenbeleid, zoals neergelegd in hoofdstuk A4/6.22 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc). De periode tussen het bestreden besluit van 21 januari 1998 en de uitspraak van 16 februari 1999 kan niet als relevant tijdsverloop worden aangemerkt. Aan eiser is in de beroepsfase uitstel van vertrek verleend, waarbij is aangegeven dat dit uitstel enkel ter voorkoming van een dubbele procedure in die beroepsfase werd verleend. Hierbij is expliciet aangegeven dat het uitstel van vertrek niet om beleidsmatige redenen is gegeven en dat hieraan derhalve geen rechten in het kader van het driejarenbeleid kan worden ontleend.

Gesteld noch gebleken is dat eiser in het bezit is van een geldig nationaal paspoort.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte een vergunning tot verblijf heeft geweigerd. De periode tussen het bestreden besluit van 21 januari 1998 en de uitspraak van 16 januari 1999 is, gelet op het navolgende, relevant tijdsverloop in zin van het driejarenbeleid.

De vernietiging met instandlating van de rechtsgevolgen ex artikel 8:72, derde lid, van de Awb van het besluit van 21 januari 1998 moet worden beschouwd als een vorm van zelf door de rechtbank in de zaak voorzien uit proceseconomische redenen. Dit betekent dat voor de uitspraak van 16 februari 1999 de afwijzing van de aanvragen van eiser onrechtmatig was en het besluit van 21 januari 1998 geacht kan worden in juridische zin nooit te hebben bestaan. Dit is eerst op het moment van de uitspraak vastgesteld. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 maart 1998 (AWB 98/229 VRWET).

Eiser is, gelet op het bepaalde in hoofdstuk A4/6.22.6 van de Vc, vrijgesteld van het paspoortvereiste.

3. In het verweerschrift en ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder uitdrukkelijk afstand genomen van het in het bestreden besluit ingenomen standpunt met betrekking tot het relevante tijdsverloop. Verweerder heeft zich thans op het standpunt gesteld dat de tijd tussen de beschikking op bezwaar van 21 januari 1998 en de uitspraak in beroep van 16 februari 1999 als relevant tijdsverloop in de zin het driejarenbeleid kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat de rechtbank de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten, heeft echter tot gevolg dat geen succesvol beroep meer gedaan kan worden op deze verstreken driejarentermijn. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 18 juli 2000 (AWB 99/10718) vloeit uit de toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb immers impliciet voort dat de rechtbank in de uitspraak van 16 februari 1999, ex nunc toetsend, het driejarenbeleid reeds in haar beoordeling heeft meegenomen.

Tot slot heeft verweerder opgemerkt dat eiser in zijn asielrelaas onjuiste gegevens heeft verstrekt en het beroep op het driejarenbeleid, afgezien van het voorgaande, reeds hierom faalt.

4. Ter zitting heeft eiser gesteld dat de rechtbank in de uitspraak van 16 februari 1999 niet feitelijk heeft getoetst aan het driejarenbeleid. Niet is immers gebleken dat de rechtbank ex nunc heeft getoetst. De door verweerder aangehaalde uitspraak van 18 juli 2000 dateert van na voornoemde uitspraak.

Voorts heeft eiser nog aangevoerd dat verweerder niet eerst in het verweerschrift contra-indicaties aan eiser kan tegenwerpen. Verweerder heeft daarbij nagelaten nader te specificeren waaruit deze contra-indicaties zouden bestaan.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Het bestreden besluit dateert van 7 augustus 2000. Het is derhalve genomen vóór inwerkingtreding van de Vw 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495) op basis van de Vreemdelingenwet 1965 (Vw) (Wet van 13 januari 1965, Stb. 40) en aanverwante regelingen. De rechtbank zal zich, ex tunc toetsend, moeten uitlaten over de rechtmatigheid van dit besluit. Derhalve worden bij de toetsing van het bestreden besluit de Vw en aanverwante regelingen toegepast.

3. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikel het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vc.

4. Partijen zijn verdeeld over de vraag of eiser op juiste gronden een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid is geweigerd.

5. Op grond van het driejarenbeleid, neergelegd in hoofdstuk A4/6.22 van de Vc, kan een vreemdeling die langdurig in onzekerheid verkeert omtrent de uitkomst van zijn toelatingsprocedure onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor toelating tot Nederland. Het enkele tijdsverloop in een verblijfsrechtelijke procedure is in het algemeen geen reden om tot verblijfsaanvaarding over te gaan. Een vreemdeling verkrijgt in asielzaken een vergunning tot verblijf zonder beperking en in reguliere zaken een vergunning onder beperking op grond van het driejarenbeleid, indien aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden is voldaan:

1. Er zijn ten minste drie jaren verstreken na de datum van de aanvraag om toelating en de vreemdeling heeft nog geen beslissing of nog geen onherroepelijke beslissing op zijn aanvraag ontvangen, terwijl het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel nog steeds van toepassing is; en

2. de uitzetting is om beleidsmatige redenen achterwege gebleven; dat wil zeggen om een reden die verband houdt met het verblijfsdoel; en

3. er is geen sprake van contra-indicaties.

6. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de periode tussen het besluit op bezwaar van 21 januari 1998 en de uitspraak in beroep van 16 februari 1999 niet als relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid dient te worden aangemerkt en eiser derhalve geen aanspraak kan maken op een vergunning tot verblijf wegens tijdsverloop. Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat verweerder op dit standpunt is teruggekomen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb is genomen, nu dit besluit ook in de visie van verweerder niet op een deugdelijke motivering berust. Reeds hierom is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd.

7. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe is het volgende redengevend. Verweerder heeft gesteld dat de rechtbank in de uitspraak van 16 februari 1999 eventuele aanspraken van eiser op grond van het driejarenbeleid in haar beoordeling heeft meegenomen. Het feit of in een uitspraak een beoordeling van het driejarenbeleid heeft plaatsgevonden kan, naar het oordeel van de rechtbank, uit het oogpunt van de rechtszekerheid slechts worden aangenomen indien zulks expliciet in de uitspraak is overwogen. Nu in de uitspraak van 16 februari 1999 niet van een dergelijke expliciete overweging is gebleken, dient verweerders stelling hieromtrent te falen.

8. De rechtbank ziet in de door verweerder in het verweerschrift naar voren gebrachte contra-indicaties evenmin aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen in stand te laten. Daarbij is van belang dat dit element in het verweerschrift onvoldoende geconcretiseerd is. Eiser moet in de gelegenheid worden gesteld hiertegen gemotiveerd verweer te voeren. Nu verweerders standpunt omtrent de aanwezigheid van contra-indicaties te algemeen en te weinig gespecificeerd is, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat deze contra-indicaties aan eisers aanspraken op een vergunning tot verblijf op grond van tijdsverloop in de weg staan.

9. Op grond van het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

10. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op EUR 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

11. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op EUR 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad EUR 102,10 (zegge: honderd en twee euro en tien eurocent).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2002, door mr. F. Salomon, rechter, in tegenwoordigheid van drs. Y.H.F. van Veldhuizen, griffier.

Afschrift verzonden op: 14 februari 2002

Conc: Yve

Coll:

Bp: -

D:B