Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0314

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-01-2002
Datum publicatie
19-03-2002
Zaaknummer
AWB 00/76780, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Witte-illegalenbeleid / bijzondere status.

Eiser heeft van november 1991 tot december 1996 als ambtenaar bij de Pakistaanse ambassade te Den Haag gewerkt. Op grond van het Weens Verdrag inzake Diplomatieke Betrekkingen genoten hij en zijn gezinsleden een bijzondere status, die onder meer met zich meebracht dat zij vrijgesteld waren van het hebben van een vtv in de zin van de Vreemdelingenwet. De rechtbank overweegt dat eisers gedurende een substantieel deel van de periode die bij het verlenen van een vtv in het kader van de Tijdelijke Witte-illegalen Regeling (TWIR) in ogenschouw wordt genomen, niet zonder dat daarvoor een wettelijk basis bestond en dus niet illegaal in Nederland waren. Derhalve behoren zij niet tot de doelgroep van de TWIR-regeling. Dat zij geen Nederlandse belastingen of sociale premies hoefden te betalen en niet de beschikking kregen over een sofi-nummer, vloeit voort uit die bijzondere status. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eisers ingevolge genoemd beleid niet in aanmerking komen voor de gevraagde vergunning. Evenmin is gebleken van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vtv in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nrs: AWB 00/76780 VRWET, AWB 00/76785 VRWET,

AWB 00/76788 VRWET, AWB 00/76790 VRWET,

AWB 00/76794 VRWET, AWB 00/76747 VRWET,

AWB 00/76796 VRWET.

Inzake : A, geboren [...] 1940,

B, geboren [...] 1944,

C, geboren [...] 1968,

D, geboren [...] 1972,

E, geboren [...] 1973,

F, geboren [...] 1975,

G, geboren [...] 1976,

eisers, woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigde, mr. J Singh,

advocaat te Hoofddorp.

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde drs. P.E.G. Heijdanus Meershoek, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eisers, ouders en vijf kinderen, bezitten de Pakistaanse nationaliteit. Zij verblijven sedert 1991 in Nederland. Op 29 november 1999 hebben zij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel 'verblijf op basis van de tijdelijke regeling witte illegalen (TBV 1999/23)'. Moeder, B, heeft haar aanvraag gedaan mede namens haar minderjarig kind H, geboren [...] 1984. Op deze aanvragen is door verweerder op 11 mei 2000 afwijzend beslist. Eisers hebben tegen deze besluiten op 24 mei 2000 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluiten van 7 december 2000 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

2. Op 13 december 2000 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2001. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw2000), Stb. 2000, 495. Nu het bestreden besluit is bekend gemaakt voor 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het v¢¢r die datum geldende recht van toepassing.

2. In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. Daartoe moet worden bezien of deze besluiten de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

3. Eisers stellen dat zij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf met als doel 'verblijf op basis van de tijdelijke regeling witte illegalen neergelegd in TBV 1999/23'. Daartoe hebben zij onder meer aangevoerd dat zij vanaf november 1991 tot december 1996 in het bezit zijn geweest van een legitimatiebewijs van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, aangezien de vader van het gezin van november 1991 tot december 1996 als ambtenaar bij de Pakistaanse ambassade te Den Haag heeft gewerkt. Op grond van het Weens Verdrag inzake Diplomatieke Betrekkingen zijn consulaire ambtenaren en hun gezinsleden vrijgesteld van het betalen van Nederlandse belastingen en sociale premies. Zij krijgen daarom geen sofi-nummer toegekend.

Door verweerder wordt niet betwist dat eisers niet eerder in het bezit konden komen van een sofi-nummer. Derhalve kan het eisers niet worden verweten niet eerder in het bezit te zijn gekomen van een sofi-nummer.

Eisers doen een beroep op het gelijkheidsbeginsel; een aanvraag van een witte illegaal (IND dossiernr. 9012-03-0113) is ondanks het feit dat deze persoon zijn sofi-nummer pas in 1996 heeft toegekend gekregen, doorgestuurd naar de burgemeesterscommissie. Bij telefonische navraag is gebleken dat deze persoon binnenkort een positieve beslissing zal ontvangen.

Voorts stellen eisers dat verweerder gebruik dient te maken van zijn afwijkingsbevoegdheid.

Door getuigen kan bevestigd worden dat eisers sinds 1992 in Nederland woonachtig zijn. Eisers stellen geheel te zijn ingeburgerd in Nederland.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet voor toelating in aanmerking komen, want zij voldoen niet aan voorwaarde 3 van de TBV 1999/23 nu zij niet gedurende de gehele periode vanaf 1 januari 1992 tot en met 1 juli 1998 rechtmatig in het bezit zijn geweest van een sofi-nummer.

5. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

7. Het beleid met betrekking tot toelating op grond van de tijdelijke regeling voor langdurig illegalen is neergelegd in TBV 1999/23, die geldig was van 1 oktober 1999 tot 1 december 1999. Volgens deze regeling gelden ter zake de voorlegging van de aanvragen voor advisering door de commissie van burgemeesters - kort weergegeven - de volgende voorwaarden:

1. Het verzoek moet tussen 1 oktober 1999 en 1 december 1999 worden ingediend en zijn ontvangen bij de IND;

2. De vreemdeling dient aan te tonen dat hij vanaf 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats in Nederland heeft gehad;

3. De vreemdeling moet in elk geval vanaf 1 januari 1992 tot 1 juli 1998 (rechtmatig) in het bezit zijn geweest van een sofi-nummer;

4. De vreemdeling moet in het bezit zijn van een geldig paspoort;

5. De vreemdeling mag gedurende de onder 2. genoemde periode niet Nederland zijn uitgezet;

6. De vreemdeling mag niet in het bezit zijn geweest of gebruik hebben gemaakt van (ver)vals(t)e documenten;

7. De vreemdeling mag geen onjuiste gegevens hebben verstrekt;

8. Er mag geen sprake zijn van criminele antecedenten.

8. De rechtbank overweegt het volgende.

De Tijdelijke regeling witte illegalen (TWIR) is blijkens de parlementaire stukken (onder andere TK, 1999-2000, 19 637, nr. 482) bedoeld om personen die lange tijd illegaal in Nederland hebben verbleven en aan bepaalde voorwaarden voldoen de mogelijkheid te bieden alsnog een vergunning tot verblijf te verkrijgen.

Vader, A, heeft van november 1991 tot december 1996 als ambtenaar bij de Pakistaanse ambassade te Den Haag gewerkt. Op grond van het Weens Verdrag inzake Diplomatieke Betrekkingen genoten hij en zijn gezinsleden een bijzondere status, die onder meer met zich meebracht dat zij vrijgesteld waren van het hebben van een vergunning tot verblijf in de zin van de Vreemdelingenwet.

De rechtbank overweegt dat eisers gedurende een substantieel deel van de periode die bij het verlenen van een vergunning tot verblijf in het kader van de TWIR in ogenschouw wordt genomen, niet zonder dat daarvoor een wettelijk basis bestond en dus niet illegaal in Nederland waren. Derhalve behoren zij niet tot de doelgroep van de TWIR-regeling. Dat zij geen Nederlandse belastingen of sociale premies hoefden te betalen en niet de beschikking kregen over een sofi-nummer, vloeit voort uit die bijzondere status.

Nu de TWIR-regeling op eisers niet van toepassing is, kunnen de aan die regeling gerelateerde grieven van eisers verder onbesproken blijven.

9. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eisers ingevolge genoemd beleid niet in aanmerking komen voor de gevraagde vergunning. Evenmin is gebleken van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden.

10. Het beroep is derhalve ongegrond.

11. Van omstandigheden op grond waarvan ‚‚n der partijen moet worden veroordeeld in de kosten van de andere partij, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen ongegrond.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat ingevolge artikel 120 Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2002, in tegenwoordigheid van mr. J.R. van Veen, griffier.

afschrift verzonden op: 18 januari 2002