Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0300

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-02-2002
Datum publicatie
19-03-2002
Zaaknummer
AWB 02/7394
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / proceskostenveroordeling.

De vreemdeling, van gestelde Indiase afkomst, kon niet binnen de wettelijke termijn worden gehoord op een eerste beroep, omdat hij niet is aangevoerd voor zitting. De bewaring is alleen om deze reden al onrechtmatig geworden en wordt opgeheven. Er is geen ruimte voor toekenning van schadevergoeding. Het niet tijdig horen kan volgens de rechtbank slechts dan tot schadevergoeding leiden als de bewaring voortduurt na de dag waarop de termijn van artikel 94, tweede lid, tweede volzin Vw 2000 is verstreken. Evenmin bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat noch het beroepschrift noch hetgeen ter zitting is aangevoerd heeft kunnen leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Dit is uitsluitend geschied op de ambtshalve overweging dat de vreemdeling ten onrechte niet is aangevoerd. Beroep gegrond, afwijzing verzoek om vergoeding proceskosten en afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vreemdelingenwet 2000 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

reg.nr.: AWB 02/7394 VRWET

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge

artikel 8:67 Algemene wet bestuursrecht

Inzake het beroepschrift d.d. 28 januari 2002 op grond van artikel 8:1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 93 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) en inzake de kennisgeving d.d. 28 januari 2002 op grond van artikel 94 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) met betrekking tot de vreemdeling:

A,

geboren op [...] 1983 van gestelde Indiase nationaliteit,

thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Tilburg

bijgestaan door mr. D.S. Urcun, advocaat te Rotterdam (gemachtigde).

1. Zitting

Datum: 4 februari 2002.

Zitting hebben:

mr. M.C.J.A. Huijgens, lid van de enkelvoudige kamer,

J.A. de Kievit-Tempels, griffier.

Ter zitting zijn verschenen:

de gemachtigde van de vreemdeling alsmede

de Staatssecretaris van Justitie (verweerder) bij gemachtigde mr. J. Laros.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, doet de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak als onder 4. vermeld.

2. Feiten

Op 25 januari 2002 heeft verweerder de vreemdeling een maatregel als bedoeld in artikel 59 Vw2000 opgelegd.

3. Gronden

Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

Ingevolge artikel 94, tweede lid, tweede volzin, Vw2000, vindt de zitting uiterlijk op de zevende dag na ontvangst van het beroepschrift dan wel de kennisgeving plaats. Ingevolge de derde volzin van dit artikellid roept de rechtbank de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon bij raadsman en Onze Minister om bij gemachtigde te verschijnen teneinde te worden gehoord.

Bij schrijven van 1 februari 2002 is de vreemdeling opgeroepen in persoon ter zitting te verschijnen. Hij is niet ter zitting verschenen, omdat hij - hoewel op 31 januari 2002 een transportorder is gegeven - niet naar de rechtbank is vervoerd. De rechtbank overweegt dat deze omstandigheid niet voor risico van betrokkene behoort te komen. Nu voorts vast staat dat hij niet binnen de termijn van artikel 94, tweede lid, tweede volzin, door de rechtbank kan worden gehoord, is de rechtbank van oordeel dat de bewaring in strijd is met die bepaling en daarom dient te worden opgeheven.

De gemachtigde van de vreemdeling heeft desgevraagd gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat de bewaring van de vreemdeling, afgezien van het feit dat hij niet tijdig door de rechtbank kon worden gehoord, rechtmatig was.

De bewaring als zodanig levert daarom geen grond op voor schadevergoeding. Het niet tijdig horen kan slechts tot schadevergoeding leiden indien de bewaring voortduurt na de dag waarop de termijn van artikel 94, tweede lid, tweede volzin, Vw2000, is verstreken. Deze termijn eindigt heden, terwijl ook heden de bewaring wordt opgeheven. Gelet hierop is er geen aanleiding voor toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank ziet eveneens geen aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdelinge gemaakte proceskosten. Het beroepschrift noch hetgeen ter zitting is aangevoerd heeft kunnen leiden tot gegrond verklaring van het beroep. Dit is uitsluitend geschied op de ambtshalve overweging dat de vreemdeling ten onrechte niet is aangevoerd. Onder deze omstandigheid is er geen aanleiding voor toekenning van proceskosten.

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring;

3. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

4. wijst het verzoek om proceskosten af.

5. Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Voor zover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

afschrift verzonden op: