Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0173

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-03-2002
Datum publicatie
13-03-2002
Zaaknummer
09/926077-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/926077-01

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 13 maart 2002.

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op 22 december 1969 te Tuzulca (Turkije),

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 29 november 2001, 17 januari 2002 en 27 februari 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsvrouw mr Laning, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Krol heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder primair telastgelegde doodslag in vereniging wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder X inbeslaggenomen auto, merk BMW, zal worden teruggegeven aan X, dat de onder verdachte inbeslaggenomen kleding als vermeld onder 2 tot en met 7 van de beslaglijst zal worden teruggegeven aan medeverdachte en dat de onder verdachte inbeslaggenomen kleding als vermeld onder 8 tot en met 12 van de beslaglijst zal worden teruggegeven aan verdachte.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding onder primair en subsidiair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding onder meer subsidiair vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte en zijn broer de mishandeling met voorbedachten rade hebben gepleegd.

Uit het dossier blijkt immers dat verdachte en zijn broer zich - nadat zij de avond daarvoor met het slachtoffer een heftige ruzie hebben gehad - 's ochtends gezamenlijk naar het kantoor waar het slachtoffer verbleef hebben begeven, terwijl zij voorzien waren van een houten lat om het slachtoffer daarmee een lesje te leren.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden, waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte en zijn broer hebben op een avond een heftige ruzie gehad met hun broer. De volgende ochtend hebben verdachte en zijn broer zich gezamenlijk naar het kantoor waar hun broer verbleef begeven teneinde hem een lesje te leren. Zij hebben daartoe een houten lat meegenomen.

Nadat zij het kantoor waren binnengekomen is tussen het slachtoffer die aldaar naakt lag te slapen en de broer van verdachte een vechtpartij ontstaan. Het slachtoffer is daarbij met de houten lat geslagen waardoor hij door een ruit is gevallen. Het slachtoffer is ten gevolge van de ernstige verwondingen die hij daarbij opliep overleden. Verdachte die bij de vechtpartij aanwezig was, heeft zich op geen enkel moment gedistantieerd van de door zijn broer verrichte handelingen, terwijl hij voorts ook niets heeft ondernomen om zijn broer te hulp te schieten. Verdachte heeft zijn in doodsnood verkerende broer in hulpeloze toestand achtergelaten en heeft zich vervolgens, net als zijn broer, uit de voeten gemaakt.

Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit. Verdachte en zijn mededader hebben met hun handelen hun broer van het leven beroofd en hem een toekomst ontnomen. Het gewelddadig overlijden van het slachtoffer heeft gevoelens van verdriet bij de nabestaanden teweeggebracht. De nabestaanden zullen dan ook nog geruime tijd nodig hebben om het verlies van het slachtoffer te kunnen verwerken. Bovendien hebben verdachte en zijn mededader de in de samenleving bestaande gevoelens van angst en onveiligheid bevestigd en versterkt.

Blijkens het rapport d.d. 16 november 2001, betreffende verdachte, opgemaakt door L.A. Vink, psychiater, kunnen de telastgelegde feiten volledig aan betrokkene worden toegerekend.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De omstandigheid dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld is, gelet op de ernst van het feit, bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf slechts van zeer beperkte betekenis.

De rechtbank houdt er wel rekening mee dat de rol van verdachte een meer beperkte was dan die van zijn broer.

De rechtbank acht na te melden straf passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de teruggave aan X gelasten van het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 1, te weten een personenauto, merk BMW 524, kleur wit,

De rechtbank zal de teruggave aan medeverdachte gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 2, 3, 4, 5, 6, en 7, te weten: een blauwe broek, een zwarte slip, een blauwe spijkerbroek, een zwarte trui, een paar grijze sokken en een paar zwarte schoenen.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 8, 9, 10, 11 en 12, te weten een paar zwarte schoenen, een grijs poloshirt, een paar blauwe sokken, een wit t-shirt en een zwarte broek.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 47 en 301 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder primair en subsidiair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij

- gewijzigde - dagvaarding meer subsidiair telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

Medeplegen van mishandeling met voorbedachte raad, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 15 juli 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 20 juli 2001;

gelast de teruggave aan X van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 1, te weten een personenauto, merk BMW 524, , kleur wit;

gelast de teruggave aan medeverdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 2, 3, 4, 5, 6, en 7, te weten: een blauwe broek, een zwarte slip, een blauwe spijkerbroek, een zwarte trui, een paar grijze sokken en een paar zwarte schoenen.

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 8, 9, 10, 11 en 12, te weten een paar zwarte schoenen, een grijs poloshirt, een paar blauwe sokken, een wit t-shirt en een zwarte broek;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Timmermans, voorzitter,

Schaffels en Jalink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Van der Kleijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 maart 2002.