Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0003

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-01-2002
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
AWB 02/1159
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / strafrechtelijk voortraject.

Eiser is strafrechtelijk aangehouden, vervolgens zonder dagvaarding heengezonden en aansluitend in bewaring gesteld. Eiser stelt dat de openbare orde zijn bewaring niet vordert indien het strafrechtelijk voortraject eindigt met een heenzending zonder dagvaarding. De rechtbank overweegt dat er in de onderhavige situatie voldoende gronden zijn die in het belang van de openbare orde de bewaring vorderen. De rechtbank merkt in dit verband allereerst op dat in de situatie van eiser sprake was van verdenking van een strafbaar feit, te weten een misdrijf. Weliswaar blijkt uit de voorhanden zijnde gedingstukken niet of het tijdstip van inbewaringstelling nog sprake was van strafrechtelijke vervolging. Dit doet evenwel niet af aan de omstandigheid dat daar voordien wel sprake van was. De omstandigheid dat eiser op last van de hulpofficier van Justitie strafrechtelijk is heengezonden brengt in de onderhavige situatie niet met zich dat in de procedure als de onderhavige zou moeten worden vastgesteld dat eiser achteraf bezien in de daaraan voorafgaande periode door de opsporingsautoriteiten niet als verdachte van het plegen van een misdrijf had kunnen worden aangemerkt.

Bij het invullen van de tot inbewaringstelling strekkende papieren mag van de staatssecretaris van Justitie worden verwacht dat de nodige zorgvuldigheid wordt betracht. In casu is de conclusie dat in het proces-verbaal sprake was van een kennelijke misslag die de inbewaringstelling op zich niet onrechtmatig maakte. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 5.2, geldigheid: 2002-01-21
Vreemdelingenwet 2000 59, geldigheid: 2002-01-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 02/1159 VRONTN

UITSPRAAK ex artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 94, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vw toegepast ten aanzien van de

vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A, geboren op [...] 1980, zich thans noemende B, geboren op [...] 1976, van Indiase nationaliteit, eiser, verblijvende in het Politiebureau te Amsterdam,

gemachtigde: mr. P.S.J. Nuijten, advocaat te Amsterdam,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. H. van Galen, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Verweerder heeft op 4 januari 2002 aan eiser met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, onder a, Vw opgelegd.

Eiser heeft hiertegen op 7 januari 2001 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 14 januari 2002. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na het sluiten van de zitting heeft de rechtbank aanleiding gevonden om het onderzoek te heropenen omdat het onderzoek ter zitting niet volledig is geweest. Na ontvangst van nadere informatie van verweerder hebben partijen op 17 januari 2002 schriftelijk toestemming gegeven om de zaak verder buiten zitting af te doen.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen en voert daartoe aan dat eiser is aangehouden op grond van de verdenking van een strafbaar feit, maar later is heengezonden zonder dagvaarding. Voorts is er geen vrees voor onttrekking aan de uitzetting: eiser is coöperatief en heeft inmiddels zijn juiste personalia opgegeven, zodat had kunnen worden volstaan met een meldplicht of een afmeldkaart. Voorts kloppen er een aantal zaken in het dossier niet. De tijdstippen van inbewaringstelling en van het gehoor, voorafgaande aan de inbewaringstelling zijn gelijk aan de tijdstippen van een inbewaringstelling in een andere zaak, hetgeen niet mogelijk is. Dit kan een aanwijzing zijn voor de mogelijkheid dat eiser in het geheel niet is gehoord voorafgaande aan zijn inbewaringstelling. Hiervoor was geen noodzaak, nu eiser niet op zeer korte termijn in bewaring gesteld moest worden. Tenslotte is verweerder onvoldoende zorgvuldig omgegaan ten aanzien van de verwijdering van eiser, nu hij deze ochtend op Schiphol was teneinde te worden uitgezet. Deze uitzetting heeft niet plaatsgehad omdat er iets niet in orde was met het laissez-passer.

Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Het is voor de bewaring niet relevant of de strafrechtelijke aanhouding is gevolgd door een dagvaarding. De aanhouding op grond van de verdenking van een strafbaar feit is voldoende reden voor het aanvoeren van de openbare orde als grond voor de bewaring. Dat eiser thans zijn juiste personalia zou hebben opgegeven doet evenmin terzake want verweerder voert als beleid dat voor toepassing van een lichter middel dan bewaring een identiteitsbewijs is vereist. Dat de tijden in de stukken overeenkomen met die in een andere zaak is te wijten aan de omstandigheid dat de tijden van een voorgaande inbewaringstelling niet zijn aangepast bij het opmaken van de stukken in deze zaak. Eiser is om 17:15 uur in bewaring gesteld en kort daarvoor nog gehoord. Eiser zal vandaag nog worden vervoerd naar Ter Apel, zodat de termijn van tien dagen in een politiecel niet wordt overschreden. Niet gesteld kan worden dat onvoldoende voortvarend is opgetreden ten aanzien van de verwijdering van eiser. Indien de uitzetting vandaag gelukt zou zijn, zou dit een extreem snelle uitzetting zijn geweest. Verweerder vermoedt dat de uitzetting niet is doorgegaan omdat niet over de juiste gegevens van eiser werd beschikt. Eiser heeft immers ter zitting een andere naam opgegeven dan waaronder hij bekend was.

De rechtbank overweegt als volgt.

Na heropening van de zaak is verweerder bij faxbericht van 14 januari 2002 verzocht om duidelijkheid te verschaffen over de tijdstippen van inbewaringstelling en het daaraan voorafgaand gehoor, alsmede over de datering van processtuk 3. Verweerder heeft hierop bij faxbericht van 16 januari 2002 de nodige informatie verstrekt. Partijen hebben op 17 januari 2002 schriftelijk ingestemd met verdere afdoening buiten zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

Niet gebleken is dat de procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring niet in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in de onderhavige situatie voldoende gronden die in het belang van de openbare orde de bewaring vorderen. De rechtbank merkt in dit verband allereerst op dat in de situatie van eiser sprake was van verdenking van een strafbaar feit, te weten een misdrijf. Weliswaar blijkt uit de voorhanden zijnde gedingstukken niet of het tijdstip van inbewaringstelling nog sprake was van strafrechtelijke vervolging. Dit doet evenwel niet af aan de omstandigheid dat daar voordien wel sprake van was. De omstandigheid dat eiser op last van de hulpofficier van Justitie strafrechtelijk is heengezonden brengt in de onderhavige situatie niet met zich dat in de procedure als de onderhavige zou moeten worden vastgesteld dat eiser achteraf bezien in de daaraan voorafgaande periode door de opsporingsautoriteiten niet als verdachte van het plegen van een misdrijf had kunnen worden aangemerkt.

Ook overigens bestaan naar het oordeel van de rechtbank voldoende gronden om eiser in bewaring te stellen. Eiser heeft zich nooit gemeld bij de korpschef, hij heeft geen identiteitsbewijs en hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Bovendien heeft eiser ter zitting een andere naam en geboortedatum opgegeven, dan die waaronder hij in de stukken bekend is.

De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat de omstandigheid dat eiser stelt mee te werken aan zijn verwijdering op zichzelf niet met zich brengt dat had dienen te worden volstaan met een lichter middel. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser niet in het bezit is van identiteitspapieren en voorts ter zitting andere personalia heeft opgegeven. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van eiser persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden die verweerder hadden moeten nopen tot het toepassen van een lichter middel.

Met betrekking tot de grief, inhoudende dat informatie in het dossier, met betrekking tot het tijdstip van gehoor ex artikel 5.2 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), alsmede het tijdstip van de inbewaringstelling overweegt de rechtbank het volgende.

In het aanvullend proces-verbaal van 16 januari 2002 is gerelateerd dat de inbewaringstelling van eiser heeft plaatsgehad om 17:15 uur en dat om 17:10 uur daaraan voorafgaand een gehoor ex artikel 5.2 Vb heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de informatie in laatstgenoemd proces-verbaal voor onjuist te houden en gaat er derhalve van uit dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft plaatsgevonden. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat onder het proces-verbaal van 4 januari 2002 (gedingstuk 5) reeds was aangegeven dat het tijdstip niet goed was ingevuld.

Hoewel van de Staatssecretaris mag worden verwacht dat namens hem de nodige zorgvuldigheid wordt betracht bij invullen van de tot inbewaringstelling strekkende formulieren, moet thans worden geconcludeerd dat in het eerder genoemde proces-verbaal van 4 januari 2002 sprake was van een kennelijke misslag die de inbewaringstelling op zich niet onrechtmatig maakte. Dit geldt -gelet op hetgeen in het aanvullend proces-verbaal van 16 januari 2002 is opgemerkt- mede voor de in processtuk 3 vermelde datum van sluiting van dit proces-verbaal.

De rechtbank is eveneens van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser nu uit het verhandelde ter zitting blijkt dat inmiddels een laissez-passer ten behoeve van eiser is verkregen en dat op 14 januari 2002 een poging tot uitzetting is gedaan. Dat die poging niet is gelukt doet hieraan niet af. Naar het oordeel van de rechtbank behoort verweerder in de gelegenheid te worden gesteld om stappen te ondernemen teneinde eiser, die ter zitting andere personalia heeft opgegeven, alsnog uit te zetten.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring ten aanzien van eiser niet in strijd is met de Vw en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden. De opheffing van de maatregel van bewaring wordt niet bevolen. Derhalve bestaat geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. M. D. Aardema, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2002, in tegenwoordigheid van mr. P. Bruins-Langedijk als griffier.

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Ingevolge artikel 95 Vw staat tegen deze uitspraak, binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.