Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9900

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2002
Datum publicatie
06-03-2002
Zaaknummer
09-753197-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/753197-01

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 6 maart 2002

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op 22 september 1967 te Doetinchem,

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 27 november 2001 en 20 februari 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr L.A. van der Niet, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Kattouw heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te weten tot een bedrag van EUR 1.389,57,=.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot EUR 1.389,57,= subsidiair 27 dagen hechtenis ten behoeve van het [slachtoffer]

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden, waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft na eerst een verkenning te hebben uitgevoerd een overval gepleegd op een tankstation door een neppistool op een medewerker te richten en daarbij dreigende woorden toe te voegen. Als reden voor de overval heeft verdachte verklaard honger te lijden en daarom geld nodig te hebben. Blijkens verdachtes eigen verklaring heeft hij de buit van ruim FL. 3000,= er in korte tijd doorgejaagd door het uit te geven aan de drank, eten en bezoek aan de rosse buurt.

Feiten als deze maken een diepe en blijvende indruk op het slachtoffer en dragen ook bij aan ernstige gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verdachte heeft met deze voorzienbare gevolgen geen rekening gehouden, maar heeft zijn eigen op buit gericht belang nagestreefd. Bovendien heeft hij er ter zitting blijk van gegeven de gevolgen van zijn eigen handelen te bagatelliseren. Zo schatte hij de onrust van de door hem gepleegde bedreiging niet zwaar in omdat deze met een nepvuurwapen was gepleegd. Hij gaat eraan voorbij dat het slachtoffer niet weet dat het een namaakwapen is, en het dan ook als een bedreiging met een echt vuurwapen ervaart. Zijn opstelling hangt samen met zijn zwervend bestaan en zijn onkunde bij de juiste instellingen om hulp te vragen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een op naam van verdachte staand uittreksel uit het algemeen documentatieregister waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van vermogensdelicten is veroordeeld.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een rapport van E. Mostert, psychiater, gedateerd 27 november 2001 en op een rapport van G.M. Jansen, psycholoog, gedateerd 4 januari 2002.

Beide deskundigen concluderen dat verdachte ten tijde van het plegen van het strafbaar feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke storing van zijn geestvermogens.

Derhalve kan het bewezenverklaarde feit verdachte in enigszins verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

De rechtbank heeft wat betreft de persoon van verdachte voorts gelet op een voorlichtingsrapport van het Leger des Heils gedateerd 26 november 2001 waarin wordt geadviseerd indien de strafmaat het toelaat verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een groot deel voorwaardelijk op te leggen met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact.

Hoewel de ernst van het feit en de documentatie van verdachte een geheel onvoorwaardelijke straf op zich zonder meer zou rechtvaardigen, ziet de rechtbank, met name vanuit het oogpunt van preventie, in bovenomschreven bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding om verdachte een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij reclasseringstoezicht te koppelen aan een voorwaardelijk deel, op te leggen.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij] gevestigd te Leiden ([adres]), heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot EUR 1.388,57.

Deze vordering is door de verdediging niet weersproken, is gezien de eigen verklaring van verdachte gestaafd en is eenvoudig van aard en vindt rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag in het bij dagvaarding aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering toewijzen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN, VERGEZELD EN GEVOLGD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN EN OM BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD AAN ZICHZELF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 10 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 16 augustus 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 21 augustus 2001,

en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de afdeling reclassering van de Stichting Welzijn- en Gezondheidszorg van het Leger des Heils in het arrondissement 's-Gravenhage, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij] gevestigd te Leiden, een bedrag van EUR 1.388,57,=, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Hensen, voorzitter,

Drop en De Ruiter, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Seedorf, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2002.