Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9861

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2002
Datum publicatie
06-03-2002
Zaaknummer
AWB 02/13065 VRONTN , 02/13068 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / 48-uurstermijn / voornemenprocedure.

Nu verweerder bij brief van 22 januari 2002 heeft besloten de aanvraag van verzoeker, een Syriër, niet langer in de AC-procedure af te doen maar conform het bepaalde in artikel 3.116 Vb 2000, was verweerder niet langer gebonden aan een termijn van 48 procesuren. De stelling van verzoeker dat verweerder in de AC-procedure niet zomaar mag overstappen naar de procedure als beschreven in artikel 3.116 Vb 2000, waarmee verzoeker kennelijk beoogt te stellen dat verweerder in strijd handelt met het Vb 2000, is niet nader onderbouwd. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de bevoegdheid op elk moment in de AC-procedure te beslissen dat de aanvraag niet langer binnen 48 procesuren wordt afgedaan, derhalve ook in het geval de 48 procesuren reeds zijn verstreken. Het ligt zelfs voor de hand dat verweerder bij termijnoverschrijding beslist de AC-procedure te verlaten.

De rechtbank vermag ook overigens niet in te zien waarom verweerder niet bevoegd zou zijn te bepalen dat de aanvraag van verzoeker vervolgens wordt behandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.116, tweede lid, Vb 2000. Er is immers voldaan aan het bepaalde in artikel 3.116, eerste lid, Vb 2000, te weten dat aan verzoeker rechtens de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 6 Vw 2000. Verweerder heeft voldoende spoed betracht door vervolgens binnen twee weken een beslissing op de aanvraag te nemen en uit te reiken. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vreemdelingenbesluit 2000 3.116
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

voorlopige voorziening

Uitspraak

artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/13065 VRONTN (voorlopige voorziening)

AWB 02/13068 VRONTN (beroep)

inzake: A, geboren op [...] 1974, van Syrische nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. R.J. van der Zee, medewerker van de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.T. Idema, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie te Den Haag.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 17 februari 2002, uitgereikt op 18 februari 2002, heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen. Uit het besluit blijkt dat verzoeker de behandeling van een in te dienen beroep niet in Nederland mag afwachten en dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij beroepschrift van 19 februari 2002, aangevuld bij brief van 28 februari 2002, beroep ingesteld.

2. Bij verzoekschrift van 19 februari 2002 heeft verzoeker de voorzieningenrechter (hierna ook: de rechtbank) verzocht verweerder te verbieden om verzoeker uit Nederland te verwijderen zolang er nog geen beslissing is genomen op het door verzoeker ingediende beroepschrift.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2002. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A.S.M. Al Hamawandi, tolk in de Arabische taal.

4. Aan het eind van de zitting is het onderzoek conform artikel 8:65 van de Awb gesloten.

II. FEITEN

Verzoeker heeft geen documenten overgelegd.

Bij uitspraken van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 5 februari 2002 is het door verzoeker ingediende verzoek om voorlopige voorziening en beroep, beide gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag, niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet van verzoeker tegen deze uitspraak is ongegrond verklaard bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 27 februari 2002.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verzoeker stelt dat hij de Syrische nationaliteit bezit, afkomstig is uit Maidan Akbaz (Syrië) en dat hij behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Hij stelt dat hij vanaf 25 december 2001 wordt gezocht door de Syrische autoriteiten. Verzoeker stelt dat hij tijdens zijn militaire dienst bevriend raakte met Koerdische jongens, waardoor hij zich aansloot bij de Yeketi-partij. Toen de officieren ontdekten dat hij pamfletten van deze partij onder zijn bed had verborgen, werd verzoeker opgepakt en meegenomen naar een kelder, waar hij werd mishandeld. Door deze mishandeling is verzoeker gehandicapt geraakt, waardoor hij in april 1997 (in plaats van juni 1997) vervroegd uit dienst moest. Na zijn dienstplicht had verzoeker nog steeds contact zijn vrienden van de Yeketi-partij, die hem regelmatig kwamen opzoeken. Verzoeker heeft twee keer pamfletten in zijn huis verborgen. Op 24 december 2001 kreeg verzoeker te horen dat deze vrienden waren opgepakt vanwege het verspreiden van pamfletten. Verzoeker is toen uit zijn dorp gevlucht en is ondergedoken totdat hij op 3 januari 2002 zijn land van herkomst heeft verlaten.

2. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Daartoe voert verweerder het volgende aan. Verzoeker beschikt niet over documenten ter staving van zijn identiteit, nationaliteit of reisroute en heeft daarvoor geen verschoonbare reden opgegeven. Dit doet op voorhand afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. Uit de verklaringen van verzoeker blijkt onvoldoende dat hij zich als tegenstander van de Syrische autoriteiten heeft geprofileerd, waardoor voor hem een negatieve belangstelling bestaat. Verzoeker heeft verklaard nimmer (actief) lid te zijn geweest van een politieke partij of beweging. Verzoeker heeft geen enkel document overgelegd om de gestelde sympathie en/of de gestelde activiteiten voor de Yeketi-partij te staven. Evenmin heeft hij documenten overgelegd om de gestelde vrees voor vervolging te onderbouwen. Verzoekers gestelde activiteiten zijn dusdanig marginaal van aard dat het niet aannemelijk is dat hij op grond hiervan in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. Desgevraagd heeft verzoeker vage antwoorden gegeven op vragen over de inhoud van de twee bijeenkomsten en de twee pamfletten, waarvan hij kennis stelt te hebben genomen. Niet gebleken is dat de autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van verzoekers vermeende sympathie voor de Yeketi-partij dan wel de gestelde activiteiten voor deze partij. De verklaring dat zijn vrienden zijn gearresteerd en zij mogelijk zijn naam zullen noemen, wordt onvoldoende aannemelijk geacht omdat dit louter is gebaseerd op een verklaring van derden dan wel zijn eigen vermoedens. Voorts bevond verzoeker zich niet in aan acute vluchtsituatie aangezien hij tot acht dagen voor zijn vertrek probleemloos op het adres van zijn zuster in B heeft verbleven en hij vervolgens in de acht dagen voorafgaand aan zijn vertrek eveneens probleemloos op zijn eigen adres heeft verbleven. Deze omstandigheid duidt evenmin op vervolgingsactiviteiten jegens verzoeker. Gesteld noch gebleken is dat de autoriteiten in deze periode op enige wijze naar hem hebben gezocht. De verklaring dat verzoeker tijdens zijn militaire dienst is opgepakt en mishandeld, maakt niet aannemelijk dat er (ernstige) bezwaren jegens zijn persoon hebben bestaan, aangezien hij sedertdien geen problemen meer heeft ondervonden van de Syrische autoriteiten.

Verweerder meent dat verzoeker ook niet op de andere in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde gronden voor toelating in aanmerking komt.

3. Verzoeker stelt in beroep dat verweerder het besluit ten onrechte niet binnen 48 proces-uren heeft uitgereikt. Verzoeker beroept zich op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 december 2001 en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 januari 2002. Gelet hierop wordt het niet noodzakelijk geacht nader, inhoudelijk in te gaan op onderhavige zaak. De bewijslast met betrekking tot de termijnoverschrijding ligt volgens de Raad van State bij verweerder.

4. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat verweerder, zoals aangegeven in de brief van

22 januari 2002, heeft besloten de onderhavige aanvraag niet langer in de AC-procedure af te doen. Verzoeker is in het Grenshospitium geplaatst en de procedure is vervolgd met toepassing van artikel 3.116, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). De passage in het bestreden besluit over de termijnoverschrijding moet als niet geschreven worden beschouwd.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen dan wel het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de rechtbank na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoeker is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

3. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen.

4. Omtrent de stelling van verzoeker dat sprake is van een overschrijding van de 48 proces-uren waarbinnen de AC-procedure dient te worden afgerond overweegt de rechtbank dat, nu verweerder bij brief van 22 januari 2002 heeft besloten de aanvraag van verzoeker niet langer in de AC-procedure af te doen maar conform het bepaalde in artikel 3.116 van het Vb 2000, verweerder niet langer gebonden was aan een termijn van 48 proces-uren. De stelling van verzoeker op dit punt berust derhalve op een onjuiste feitelijke grondslag.

5. Voor wat betreft de stelling van verzoeker dat verweerder in de AC-procedure niet zomaar mag overstappen naar de procedure als beschreven in artikel 3.116 van het Vb 2000, waarmee verzoeker kennelijk beoogt te stellen dat verweerder in strijd handelt met het Vb 2000, overweegt de rechtbank (net als in de uitspraak van 5 februari jl.) dat verzoeker deze stelling wederom niet nader heeft onderbouwd. Ter zitting heeft verzoeker gesteld dat dit niet mogelijk is als de 48 proces-uren reeds zijn overschreden. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de bevoegdheid op elk moment in de AC-procedure te beslissen dat de aanvraag niet langer binnen 48 proces-uren wordt afgedaan, derhalve ook in het geval de 48 proces-uren reeds zijn verstreken. Het ligt zelfs voor de hand dat verweerder bij termijnoverschrijding beslist de AC-procedure te verlaten.

6. De rechtbank vermag ook overigens niet in te zien waarom verweerder niet bevoegd zou zijn te bepalen dat de aanvraag van verzoeker vervolgens wordt behandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.116, tweede lid, van het Vb 2000. Er is immers voldaan aan het bepaalde in artikel 3.116, eerste lid, van het Vb 2000, te weten dat aan verzoeker rechtens de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 6 van de Vw 2000.

7. Voor wat betreft de stelling van verzoeker dat verweerder in het geheel geen nader onderzoek als bedoeld in hoofdstuk C3/12.13.1 aanhef en sub d, van de Vreemdelingencirculaire 2000 behoefde te verrichten, zodat plaatsing van verzoeker in het Grenshospitium op die grond niet juist was, overweegt de rechtbank allereerst dat tegen het voortduren van de maatregel als bedoeld in artikel 6 van de Vw 2000 een afzonderlijke rechtsgang openstaat en dat deze stelling derhalve in dit verzoek om voorlopige voorziening niet aan de orde kan komen.

8. Voor zover de stelling van verzoeker aldus dient te worden verstaan dat verweerder veel eerder een beslissing op de aanvraag van verzoeker had kunnen nemen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder conform het Vb 2000 heeft gehandeld door verzoeker bij brief van 22 januari 2002 conform het bepaalde in artikel 3.116, tweede lid, van het Vb 2000 twee weken de tijd te geven voor het indienen van een zienswijze. De omstandigheid dat verzoeker in de AC-procedure weigerde binnen een termijn van drie procesuren een zienswijze uit te brengen betekende niet ipse facto dat verzoeker tevens zou weigeren binnen de twee-wekentermijn als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, van het Vb 2000 een zienswijze uit te brengen. Verweerder heeft voldoende spoed betracht door vervolgens binnen twee weken een beslissing op de aanvraag te nemen en uit te reiken.

9. Verzoeker noch diens gemachtigde hebben een zienswijze ingediend en hebben noch, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, in de gronden van het beroep, noch ter zitting gesteld dat de bestreden beschikking materieel in strijd met geschreven of ongeschreven regels is genomen. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel op een andere grond voor toelating in aanmerking komt.

10. Omdat nader onderzoek niet verder zal bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal op de voet van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak. Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoeker zal dan ook ongegrond worden verklaard. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

11. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is niet gebleken.

V. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 02/13068 VRONTN:

verklaart het beroep ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 02/13065 VRONTN:

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2002 door

mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.J. van de Pol, griffier.

Afschrift verzonden op: 5 maart 2002

Conc.: YV/PP

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.