Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9807

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-01-2002
Datum publicatie
05-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/25487
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv / vtv partner / duurzame en exclusieve relatie.

Verweerder werpt eiser tegen dat hij niet met objectieve stukken heeft aangetoond een duurzame en exclusieve relatie te hebben. Volgens het beleid kan een dergelijke relatie worden aangetoond door middel van het ondertekenen van een relatieverklaring, tenzij er aanwijzingen zijn dat sprake is van een schijnrelatie. De rechtbank overweegt dat, hoewel het beleid in beginsel ruimte laat voor andere bewijsmiddelen dan het ondertekenen van een relatieverklaring, het niet redelijk is van eiser te verlangen dat hij aantoont dat hij in het verleden een relatie met referente had en met haar samenwoonde. Dit zegt immers niets over het bestaan van de relatie op dit moment en voor de nabije toekomst, terwijl de aanvraag om verlening van een mvv daarop juist gericht is. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit voorts onzorgvuldig voorbereid omdat niet gebleken is dat eiser en referente in de gelegenheid zijn gesteld een relatieverklaring te ondertekenen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

reg. nr.: AWB 01/25487 MVV

inzake: A, geboren op [...] 1959, van Surinaamse nationaliteit, wonende te Paramaribo, Suriname, eiser,

gemachtigde: mr. C.A. Willemsen-de Vries, advocaat te Alphen aan den Rijn,

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. N.B. de Neef, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 22 mei 2001 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit tot niet-inwilliging van zijn verzoek om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 15 juni 2001, aangevuld bij brief van 13 juli 2001, heeft gemachtigde van eiser namens eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In zijn verweerschrift van 28 september 2001 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2002. Eiser is aldaar vertegen-woordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig Helga Joyce Fränkel, partner van eiser.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende, vaststaande dan wel niet betwiste, feiten. Op 21 augustus 2000 heeft B (hierna: referente), namens eiser een mvv aangevraagd in het kader van de zogenaamde referentenprocedure. Eiser beoogt verblijf bij referente. Referente heeft de Nederlandse nationaliteit.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv. Eiser komt niet in aanmerking voor verblijf bij zijn Nederlandse partner B, omdat niet is gebleken dat zij een duurzame en exclusieve relatie hebben in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw.) Van een dergelijke relatie is sprake indien zij in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de relatie naast duurzaam en exclusief tevens als affectief moet kunnen worden aangemerkt. Het is aan de partners om aannemelijk te maken dat van een dergelijke relatie sprake is. In casu zijn eiser en zijn partner daarin niet geslaagd, omdat noch bij de indiening van de aanvraag, noch nadien stukken zijn overgelegd waaruit het bestaan van zo'n relatie blijkt.

De verklaringen van eiser en zijn partner hieromtrent onvoldoende, omdat zij niet met relevante bewijzen zijn onderbouwd. Verweerder ziet niet in waarom eiser zijn stelling dat hij met zijn partner heeft samengewoond niet heeft kunnen onderbouwen met objectieve stukken, zoals bijvoorbeeld verzekeringspapieren, bankafschriften en dergelijke.

Niet is gebleken van dermate bijzondere feiten of omstandigheden dat van het beleid, op de voet van artikel 4:84 van de Awb, dient te worden afgeweken. Van een schending van het recht op gezinsleven van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geen sprake, omdat tussen eiser en zijn partner geen sprake is van gezinsleven in de zin van dat artikel. Eiser en zijn partner zijn in de bezwaarfase niet gehoord, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de gevraagde mvv ten onrechte heeft geweigerd. Hij en zijn partner hebben wel degelijk een relatie in de zin van de Vw. Eiser heeft vrijwel dagelijks telefonisch contact met zijn partner. Dit gebeurt via telefoonkaarten, omdat dit goedkoper is dan via de PTT. Schrijven doen de partners niet vaak. Van januari 1999 tot aan het vertrek van eiser naar Suriname in augustus 2000 hebben eiser en zijn partner samengewoond in C. Eiser kon zich niet op het adres van zijn partner inschrijven, omdat hij illegaal was. Uit het voorgaande volgt dat het onmogelijk is om de bewijsstukken te leveren waar verweerder om vraagt. Er zijn onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat het hier gaat om een schijnrelatie.

Eiser en zijn partner zijn in de bezwaarfase ten onrechte niet gehoord.

3. Ter zitting is namens eiser nog het volgende aangevoerd. Recent heeft eiser een brief, een verjaardags- en een kerstkaart aan zijn partner gestuurd. Dit zijn de enige bewijsstukken die er zijn. De samenwoning is niet aan te tonen, want eiser was illegaal. Om die reden is ook geen samenlevingsovereenkomst opgesteld.

4. Verweerder heeft ter zitting zijn standpunt gehandhaafd en het volgende toegevoegd. In het beleid is niet geregeld dat moet worden aangetoond dat een relatie affectief is. Wel moet worden aangetoond dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Er mag geen sprake zijn van een relatie die alleen wordt aangegaan met het doel een verblijfsvergunning te verkrijgen.

In de vragenlijst die naar aanleiding van de aanvraag moet worden ingevuld wordt ten onrechte gevraagd naar bewijzen voor het affectieve karakter van de relatie.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat hem slechts één uitspraak bekend is waarin de rechtbank overweegt dat een redelijke uitleg van het partnerbeleid inhoudt dat sprake moet zijn van een relatie die uitstijgt boven een louter vriendschappelijke band (Rb. 's-Gravenhage, 24 mei 2001, AWB 00/66375, JV 2001/220).

IV. OVERWEGINGEN

1. Het bestreden besluit is een besluit omtrent de afgifte van een visum. Dit besluit is genomen op basis van het Souverein Besluit van 12 december 1813. Op grond van artikel 72, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een dergelijk besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld met een besluit gegeven krachtens de Vw 2000. Deze rechtbank is derhalve bevoegd.

2. Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt getoetst aan dezelfde criteria als een aanvraag om een vergunning tot verblijf. Blijkens artikel 13 van de Vw 2000 geldt daarbij als uitgangspunt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts wordt ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. In geschil is de vraag of verweerder eiser terecht heeft tegengeworpen dat hij niet heeft aangetoond dat hij een duurzame en exclusieve relatie heeft in de zin van de Vw 2000.

4. Artikel 3.14, aanhef onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bepaalt, voorzover hier van belang, dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming wordt verleend aan de vreemdeling van achttien jaar of ouder die met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt.

5. In hoofdstuk B2/4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is het begrip "duurzame en exclusieve relatie" nader uitgewerkt. Voorzover hier van belang is daarin bepaald dat van een duurzame en exclusieve relatie sprake is indien de relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen. Het bestaan van een duurzame en exclusieve relatie kan worden aangetoond door de ondertekening door beide partners van een relatieverklaring (model M42). Door de ondertekening van die schriftelijke verklaring verklaren de vreemdeling en de hoofdpersoon feitelijk samen te (gaan) wonen en een duurzame en exclusieve relatie te onderhouden. Deze verklaring vormt geen onweerlegbaar bewijs. Indien aannemelijk is dat sprake is van een schijnrelatie wordt de aanvraag, ongeacht de ondertekening van de relatieverklaring, afgewezen.

6. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beleid niet vereist dat de vreemdeling aantoont dat hij een affectieve relatie onderhoudt. Dit is door verweerder ter zitting erkend. Voorzover het bestreden besluit is gebaseerd op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat hij met referente een affectieve relatie heeft is het besluit derhalve gebaseerd op een onjuiste juridische grondslag.

7. Wel dient eiser, blijkens het hiervoor omschreven beleid, aan te tonen dat hij een duurzame en exclusieve relatie heeft met referente. Hoewel het hiervoor omschreven beleid in beginsel ruimte laat voor andere bewijsmiddelen dan het ondertekenen van een relatieverklaring is de rechtbank van oordeel dat het niet redelijk is van eiser te verlangen dat hij aantoont dat hij in het verleden een relatie had en samenwoonde met referente. Dit zegt immers op zichzelf niets over het bestaan van de relatie op dit moment en in de (nabije) toekomst, terwijl de aanvraag om verlening van een mvv daarop juist gericht is.

8. Voorts vermeldt het beleid dat het bestaan van de relatie kan worden aangetoond door het ondertekenen van een relatieverklaring. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen door eiser en referente ondertekende relatieverklaringen bevinden. Uit het dossier blijkt niet dat verweerder eiser en referente in de gelegenheid heeft gesteld om een relatieverklaring te ondertekenen. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit daardoor onzorgvuldig voorbereid. Verweerder zal eiser en referente alsnog in de gelegenheid moeten stellen tot het ondertekenen van een relatieverklaring en zich vervolgens moeten afvragen of het beleid dan nog ruimte biedt voor het standpunt dat het bestaan van een duurzame en exclusieve relatie niet is aangetoond. In dit verband stelt de rechtbank vast dat gesteld noch gebleken is dat er aanwijzingen zijn dat sprake is van een schijnrelatie.

9. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in redelijkheid niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen en dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het bestreden besluit dient derhalve wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep wordt gegrond verklaard.

10. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op 644,-- euro als kosten van verleende rechtsbijstand.

11. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op 644,-- euro (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad 102,10 euro (zegge: honderdtwee euro en tien eurocent).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2002 door mr. S.J. Bosma, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.H. van den Berg, griffier.

Afschrift verzonden op: 30 januari 2002

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.