Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9734

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-03-2002
Datum publicatie
01-03-2002
Zaaknummer
09-757407-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09.757.407-01

22.000.088-99 (TUL)

rolnummer 9

's-Gravenhage, 1 maart 2002

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op 12 juli 1955 te 's-Gravenhage,

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 februari 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr S.M.C. van Beek, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Meissen heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3 primair en 4 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen onder verdachte inbeslaggenomen goederen vermeld onder de nummers 1 tot en met 18 zullen worden teruggegeven aan K. , de goederen vermeld onder de nummers 19 tot en met 22 zullen worden teruggegeven aan verdachte, de goederen vermeld onder de nummers 23 tot en met 103 zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbenden en dat het inbeslaggenomen geld zal worden verbeurdverklaard.

Voorts heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, waartoe verdachte bij arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 7 april 1999 is veroordeeld, te weten 5 maanden gevangenisstraf.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd -na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting- hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 primair en 4 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B en B1.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte die blijkens een uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister vele malen eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en ook is veroordeeld, heeft thans gedurende een periode van ruim een jaar gehandeld in cocaïne en heroïne. Hoewel hij pas drie maanden daarvoor op vrije voeten was gesteld na een veroordeling in het kader van de Opiumwet, is verdachte wederom vanuit zijn woning gaan dealen en liet hij zijn kinderen van 15 en 17 jaar de cocaïne en heroïne fijnmaken, wegen en verpakken.

Heroïne en cocaïne zijn stoffen waarvan het gebruik schadelijk is voor de volksgezondheid en die maatschappelijke problemen met zich brengen. In de omgeving veroorzaakte de handelwijze van verdachte voorts overlast door het komen en gaan van kopers van de door hem aangeboden verdovende middelen.

Bij een doorzoeking in oktober 2001 is in de woning van verdachte een enorme hoeveelheid fietsen aangetroffen, waarvan de frame nummers waren weg gevijld en waarvan verdachte op het moment dat hij ze verkreeg wist dat zij van diefstal afkomstig waren. Bij een doorzoeking later dat jaar werd wederom een grote hoeveelheid goederen aangetroffen die verdachte niet op reguliere wijze heeft verkregen. Verdachte nam in ruil voor drugs ook wel goederen aan. Verdachte verkocht de goederen op de markt.

Verdachte heeft zich vervolgens na zijn aanhouding in november 2001 schuldig gemaakt aan bedreiging van een politie ambtenaar en via hem van alle medewerkers van het bureau De Heemstraat, door de verbalisant aan wie hij werd voorgeleid dreigend mee te delen iedereen overhoop te zullen schieten of een granaat het bureau in te zullen gooien.

Een maand eerder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verkrachting van zijn 19 jarige dochter. Hij heeft aldus haar lichamelijke integriteit op ernstige wijze geschonden en haar angsten doen uitstaan en is hierbij volledig voorbij gegaan aan de mogelijke psychische en lichamelijke gevolgen van zijn daden voor zijn dochter.

Verdachte is voor soortgelijke delicten eerder veroordeeld.

Uit het vorenstaande blijkt dat eerdere straffen, waaronder onvoorwaardelijke vrijheidstraffen, weinig indruk hebben gemaakt op verdachte en ook ter terechtzitting heeft hij er geen blijk van gegeven het verwerpelijke van zijn handelwijze -in het bijzonder waar het zijn kinderen betreft- in te zien.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de door verdachte begane feiten derhalve een straf als door de officier van justitie is gevorderd.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen geld (fl. 2.270,--) genummerd 104 verbeurdverklaren, zijnde dit geld voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit verdachte toebehoort en geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten is verkregen.

De rechtbank zal de teruggave aan K. gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1 tot en 5, 8, 14, 15 en 18.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 19 tot en met 22.

Onvoldoende duidelijk is geworden aan wie de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 6, 7, 9 tot en met 13, 16, 17 en 23 tot en met 103, in eigendom toebehoren.

De rechtbank zal, nu geen persoon thans als rechthebbende bekend is, de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten

Een kopie van de beslaglijst is aan dit vonnis gehecht.

De vordering tenuitvoerlegging.

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie d.d. 14 februari 2002 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 7 april 1999, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd, die bij voormeld vonnis was opgelegd en die eindigt op 13 maart 2003, wederom heeft schuldig gemaakt aan een soortgelijk feit.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14g, 33, 33a, 47, 57, 242, 285 en 417 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 primair en 4 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

feit 2:

verkrachting

feit 3 primair:

van het plegen van opzetheling een gewoonte maken

feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op 20 oktober 2001 en

in vrijheid gesteld op 21 oktober 2001

vervolgens terzake van feit 1, en 3 in verzekering

gesteld op 19 november 2001 en in

voorlopige hechtenis gesteld op 22 november 2001;

verklaart verbeurd het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen geld;

gelast de teruggave aan K van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1 tot en 5, 8, 14, 15 en 18;

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 19 tot en met 22;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 6, 7, 9 tot en met 13, 16, 17 en 23 tot en met 103;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 7 april 1999, gewezen onder nummer 22.000.088-99, te weten:

gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden;

Dit vonnis is gewezen door

mrs Donker, voorzitter,

Wapenaar en Böcker, rechters,

in tegenwoordigheid van Bol, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 maart 2002.

Mr Böcker is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.