Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9726

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-01-2002
Datum publicatie
01-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/50609
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging beslistermijn / voorbereidingshandeling / appellabiliteit.

Het verlengen van de beslistermijn in de zin van artikel 42, vierde lid, Vw 2000 vindt in dit geval plaats omdat verweerder ter beoordeling van de inwilligbaarheid van de asielaanvraag van eiseres, een gestelde staatloze, een dactyloscopisch onderzoek door de Oostenrijkse autoriteiten noodzakelijk acht. De beslissing tot verlenging van de beslistermijn is derhalve aan te merken als een procedurebeslissing, genomen in het kader van de voorbereiding van het te nemen besluit op de aanvraag van eiseres. Ingevolge artikel 6:3 Awb is die beslissing in beginsel niet vatbaar voor bezwaar of beroep. Niet gebleken is dat eiseres door de verlenging van de beslistermijn rechtstreeks in haar belang is getroffen. Blijkens de memorie van toelichting bij de Awb is hiervan eerst sprake indien een voorbereidingshandeling op zichzelf reeds voor een of meer belanghebbenden rechtsgevolgen heeft. Het verlengen van de beslistermijn op een aanvraag om toelating kan niet als een dergelijke handeling worden aangemerkt. Hieraan doet niet af dat bij de totstandkoming van de artikel 25 en 42 Vw 2000 er vanuit is gegaan dat tegen een verlenging van de termijn voor het geven van een besluit op een aanvraag rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (nota naar aanleiding van het verslag TK 1999-2000, 26 732, nr. 7). Indien de wetgever wil afwijken van de systematiek van het recht van bezwaar en beroep zoals neergelegd in de Awb, zal die afwijking in een wettelijke bepaling moeten worden neergelegd. Hiervan is niet gebleken. De rechtbank ziet evenmin gronden de onderhavige beslissing op te vatten als een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, waartegen ingevolge artikel 72, derde lid, Vw 2000 rechtsmiddelen openstaan. Beroep niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:3, geldigheid: 2002-01-14
Vreemdelingenwet 2000 42, geldigheid: 2002-01-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/109

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sectorbestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/50609 VRWET

Inzake : A, eiseres, woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde, mr. V.L.J. Maessen, advocaat te Amsterdam

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr J.A.C. Verbeek, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.Eiseres, geboren op [...] 1964, is naar gesteld staatloos. Zij verblijft sedert 8 april 2001 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw2000) in Nederland. Op 1 mei 2001 heeft zij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw2000 ingediend. Bij brief van 7 september 2001 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de beslistermijn inzake haar aanvraag op grond van artikel 42, vierde lid, van de Vw2000, met maximaal zes maanden zal worden verlengd.

2. Bij schrijven van 3 oktober 2001 heeft eiseres tegen de beslissing in de brief van 7 september 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 januari 2001. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Artikel 71 van de Vw2000 luidt: ‘in afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, is voor beroepen tegen besluiten, gegeven op grond van deze wet de rechtbank te ’s-Gravenhage bevoegd.’

Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Krachtens het tweede lid van dat artikel wordt onder beschikking verstaan een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van een afwijzing van een aanvraag daarvan.

In artikel 6:3 van de Awb is bepaald dat een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar is voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Awb (PG Awb I, p. 19 en 121) is de ratio van artikel 6:3 Awb te voorkomen dat procedurele kwesties tot een zelfstandige bron van bezwaar of beroep zouden worden.

Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, wordt op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, binnen zes maanden een beschikking gegeven.

In het vierde lid van artikel 42 is bepaald dat de termijn voor het geven van een beschikking met ten hoogste zes maanden kan worden verlengd, indien naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie nodig is.

In de Vreemdelingencirculaire is in C3/9.2 neergelegd dat onder ‘derden’ onder meer wordt verstaan de autoriteiten van derde landen, bijvoorbeeld landen waar de betrokkene eerder heeft verbleven.

In artikel 3.120 van het Vreemdelingenbesluit is bepaald dat indien de termijn voor het geven van een beschikking op grond van artikel 42, vierde lid, van de Vw2000 wordt verlengd, de vreemdeling hiervan schriftelijk in kennis wordt gesteld. Bij deze kennisgeving wordt aangegeven op welk moment de verlengde beslistermijn eindigt.

Het opschorten van de beslistermijn in de zin van artikel 42, vierde lid, van de Vw2000 vindt in dit geval plaats omdat verweerder ter beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag van eiseres een dactyloscopisch onderzoek door de Oostenrijkse autoriteiten noodzakelijk acht. De beslissing van 7 september 2001 tot verlenging van de beslistermijn is derhalve aan te merken als een procedurebeslissing, genomen in het kader van de voorbereiding van het te nemen besluit op de aanvraag van eiseres. Ingevolge artikel 6:3 van de Awb is die beslissing in beginsel niet vatbaar voor bezwaar of beroep.

Niet gebleken is dat eiseres door de verlenging van de beslistermijn rechtstreeks in haar belang is getroffen. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Awb (PG Awb I, p. 284) is hiervan eerst sprake indien een voorbereidingshandeling op zichzelf reeds voor een of meer belanghebbenden rechtsgevolgen heeft. Het verlengen van de beslistermijn op een aanvraag om toelating kan niet als een dergelijke handeling worden aangemerkt. Hieraan doet niet af dat bij de totstandkoming van artikel 42 van de Vw2000 (ow-art. 40) en artikel 25 van de Vw2000 (ow-art. 23) er vanuit is gegaan dat tegen een verlenging van de termijn voor het geven van een besluit op een aanvraag rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (Nota naar aanleiding van het Verslag TK 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 120, 121, 170 en 171). Indien de wetgever wil afwijken van de systematiek van het recht van bezwaar en beroep zoals neergelegd in de Awb, zal die afwijking in een wettelijke bepaling moeten worden neergelegd. Hiervan is niet gebleken. De rechtbank ziet evenmin gronden de onderhavige beslissing op te vatten als een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, waartegen ingevolge artikel 72, derde lid, van de Vw2000 rechtsmiddelen openstaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het beroep betrekking op een beslissing waartegen geen bezwaar of beroep mogelijk is.

2. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

3. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

IV. RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. G.P. Kleijn en uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2002, in tegenwoordigheid van drs. F.J.M. van den Berg, griffier.

afschrift verzonden op: 16 januari 2002