Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9682

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-02-2002
Datum publicatie
01-03-2002
Zaaknummer
09.755.106.01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(verkort vonnis)

parketnummer 09.755.106.01

's-Gravenhage, 27 februari 2002

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, recht doende in strafzaken, heeft het volgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], zonder vast adres,

thans gedetineerd in het penitentiair complex Scheveningen (Unit 1) te 's-Gravenhage,

in verzekering gesteld op 5 november 2001

en in voorlopige hechtenis gesteld op 8 november 2001.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13 februari 2002.

De verdachte is ter terechtzitting gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr De Milliano.

Vijf benadeelde partijen hebben zich in de zaak gevoegd.

De officier van justitie, mr Fetter, heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de hem bij dagvaarding onder 1 tot en met 7, telkens primair, 8 en 9 telastgelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

Inzake de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Inzake de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft de officier van justitie geconcludeerd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 11.363,-, met oplegging van genoemde schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij ten aanzien van meer gevorderde niet ontvankelijk te verklaren.

Inzake de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] heeft de officier van justitie geconcludeerd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 189.787,50, eveneens met oplegging van genoemde schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij ten aanzien van meer gevorderde niet ontvankelijk te verklaren.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd --na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting-- hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De bewijsmiddelen.

p.m.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen --elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft-- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de hem bij dagvaarding onder 1 tot en met 7, telkens primair, 8 en 9 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht --en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventuele verschrijvingen in de telastlegging, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad-- de inhoud van de telastlegging, zoals vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte.

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is strafbaar; ten aanzien van hem zijn geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstan-digheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft opdrachten voor bouw- en/of verbouwingswerkzaamheden aangenomen, in welk verband hij van zijn opdrachtgevers de door hem gevraagde aanbetalingen heeft ontvangen. Verdachte liet echter na om vervolgens de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren. De door zijn opdrachtgevers aan hem verstrekte gelden, onder meer bedoeld voor de aanschaf van materiaal en inventaris van de woning, verspeelde verdachte grotendeels in het casino. Op deze wijze heeft verdachte velen financieel gedupeerd en een aantal van hen ook voor zeer aanzienlijke bedragen. Daarnaast heeft hij zijn opdrachtgevers ook ernstig in hun woongenot gedupeerd. Dikwijls bracht verdachte het niet verder dan het uitbreken van de door hem te verbouwen woonruimte(s). Ook nadat de bouwbedrijven waarmee verdachte als aannemer opereerde in staat van faillissement waren verklaard, liet verdachte na de door hem ontvangen geldbedragen tegenover de curator te verantwoorden.

De aard en de ernst van deze feiten, daarbij gelet op omvang van de schade die verdachte door zijn handelwijze anderen heeft berokkend, rechtvaardigen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Gelet op de persoon van de verdachte, in het bijzonder op de aan zijn handelwijze ten grondslag liggende gokverslaving, acht de rechtbank reclasseringsbegeleiding van verdachte noodzakelijk. Van de zijde van de reclassering is dit ook bij rapport van Parnassia van 14 december 2001 geadviseerd.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden is.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

1. [Benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij in de zaak gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 964,28 en een bedrag van € 120,- ter vergoeding van reiskosten.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de vordering betreffende de schadevergoeding rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 telastgelegde en bewezen verklaarde feit en wel voor genoemd bedrag van € 964,28. Verdachte heeft dit bedrag niet weersproken. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen. De rechtbank acht de vordering inzake vergoeding van reiskosten eveneens toewijsbaar en zal dit onderdeel van de vordering opnemen in de in het dictum te noemen proceskostenveroordeling.

2. [Benadeelde partij 4] heeft zich als benadeelde partij in de zaak gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 28.781,39.

De rechtbank zal deze vordering voorshands toewijzen tot een bedrag van € 11.344,51 (= ƒ25.000,-). Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat dit deel van de vordering voor genoemd bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 telastgelegde en bewezen verklaarde feit. Verdachte heeft dit bedrag niet heeft weersproken.

De rechtbank acht de vordering voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Zij zal de benadeelde partij daarom in de vordering, voor zover deze genoemd bedrag van € 11.344,51 te boven gaat, niet ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

3. [Benadeelde partij 2] heeft zich als benadeelde partij in de zaak gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.722,68.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat deze vordering rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 telastgelegde en bewezen verklaarde feit en wel voor bedrag als gevorderd. Verdachte heeft dit bedrag niet weersproken. De rechtbank acht de vordering derhalve toewijsbaar.

4. [Benadeelde partij 5] heeft zich als benadeelde partij in de zaak gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 249.875,-.

De rechtbank acht deze vordering niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Zij zal de benadeelde partij daarom in de vordering niet ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

5. [Benadeelde partij 3] heeft zich als benadeelde partij in de zaak gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 43.508,-.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat deze vordering

rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 telastgelegde en bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht deze vordering voldoende onderbouwd, terwijl de vordering niet door verdachte is weersproken. De rechtbank acht de vordering derhalve toewijsbaar.

Voor het opleggen van een betalingsverplichting aan de staat, zoals door de officier van justitie gevorderd, ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen: 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 57, 321, 322 en 341 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem bij dagvaarding onder 1 tot en met 7, telkens primair, 8 en 9 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

feiten 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd;

feiten 5 primair, 6 primair, 7 primair: medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd;

feit 8: bedrieglijke bankbreuk;

feit 9: medeplegen van bedrieglijke bankbreuk;

verklaart het bewezene en verdachte strafbaar;

veroordeelt verdachte voor deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te

geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Den Haag, in casu

psycho-medisch centrum Parnassia, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering

en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem onvoorwaardelijk

opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

beslist inzake de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt:

1. wijst toe de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1];

veroordeelt verdachte tot betaling --tegen behoorlijk bewijs van kwijting-- aan [benadeelde partij 1], wonende [adres] te [woonplaats], van een bedrag van € 964,28;

veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeel-de partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op € 120,- en ten behoeve van de tenuitvoer-legging nog te maken;

2. wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toe tot een bedrag van € 11.344,51 (= ƒ 25.000,-);

veroordeelt verdachte tot betaling --tegen behoorlijk bewijs van kwijting-- aan [benadeelde partij 4], p/a [adres] te [woonplaats], van een bedrag van € 11.344,51;

veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeel-de partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoer-legging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij in de vordering, voor zover deze genoemd bedrag van

€ 11.344,51 te boven gaat niet ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

3. wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2];

veroordeelt verdachte tot betaling --tegen behoorlijk bewijs van kwijting-- aan [benadeelde partij 2], wonende [adres] te [woonplaats], van een bedrag van € 2.722,68;

ver-oordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeel-de partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoer-legging nog te maken;

4. verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5] in de vordering niet ontvankelijk;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

5. wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3];

veroordeelt verdachte tot betaling --tegen behoorlijk bewijs van kwijting-- aan [benadeelde partij 3], wonende [adres] te [woonplaats], van een bedrag van € 43.508,-;

veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeel-de partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoer-legging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Kalk, voorzitter,

Schaffels en Van der Wind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Hoekstra, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2002.