Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9427

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-02-2002
Datum publicatie
20-02-2002
Zaaknummer
09-926746-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-926746-00

rolnummer 0006

's-Gravenhage, 20 februari 2002

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op 1 september 1981 te Igdir (Turkije),

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 6 februari 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr P.J. Hoogendam, is verschenen en gehoord.

Er hebben zich twee benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr Van den Honert heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 subsidiair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen munitie zal worden onttrokken aan het verkeer.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen A en B.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 4.537,80 subsidiair 45 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd A.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 4.537,80 subsidiair 45 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd B.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 subsidiair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte had - naar eigen zeggen - met een van de slachtoffers, A., geruime tijd geleden ruzie gehad over een meisje. Daarnaast was verdachte kwaad over het feit dat de eigenaar hem had gevraagd niet voor de deur van het koffiehuis te blijven hangen, toen verdachte daar voor de schietpartij met vrienden koffie kwam drinken. Verdachte kwam kort daarna terug en begon vrijwel direct nadat hij naar de barman vroeg gericht met een semi-automatisch vuurwapen - een micro Uzi - op die A. te schieten. In de bar waren andere mensen aanwezig die in het geheel niets met een en ander te maken hadden. Een van hen - B - werd ook door verdachte neergeschoten. Beide slachtoffers stonden tijdens het schieten op zeer korte afstand van verdachte. De slachtoffers hebben ernstige verwondingen opgelopen; het slachtoffer B zelfs blijvend letsel.

De gevolgen hadden evenwel nog ernstiger kunnen zijn, voor zowel de slachtoffers als de andere personen die in de bar aanwezig waren. Dergelijke grove en gewelddadige handelingen veroorzaken grote angst en gevoelens van onveiligheid, niet alleen bij de slachtoffers, maar ook in de samenleving.

De rechtbank houdt rekening met het rapport van G. Wesselius, GZ-psycholoog te Rotterdam d.d. 12 maart 2001.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het verslag van B. Seinen, psycholoog en J.B. Gorter, assistent-psychiater bij het Pieter Baan Centrum te Utrecht, d.d. 26 oktober 2001.

Uit een op naam van verdachte staand uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt dat hij eerder met justitie in aanraking is geweest.

Het hiervoor overwogene alsmede de omstandigheid dat verdachte weigert om mee te werken aan verdere rapportages en het recidivegevaar brengen de rechtbank ertoe een zwaardere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De maatschappij moet voor langere tijd beschermd worden tegen verdachte.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, te weten 30.00 stk munitie, onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

De vordering van de benadeelde partijen.

A., heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 4.537,80.

Deze vordering vindt rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag in het bij dagvaarding onder 1 subsidiair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering toewijzen.

Gelet op het schrijven van de raadsvrouw van de benadeelde partij A, mr M.Y. Raven d.d. 6 juni 2001 verstaat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij als zijnde een schadevergoeding gebaseerd op immateriële schade.

B, , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot een voorschot op de schadevergoeding, groot € 4.537,80.

Deze vordering is door de verdediging niet weersproken, en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde overgelegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 2 subsidiair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering toewijzen.

Uit de brief d.d. 12 november 2001 van de raadsman van de benadeelde partij B, mr M. de Goey en uit de toelichting ter terechtzitting van mr W.T.J. Raaijmakers is gebleken dat er nog geen eindtoestand is bereikt in de situatie van de benadeelde partij. De rechtbank begrijpt dat voornoemd bedrag als voorschot moet worden verstaan en zal dit bedrag als zodanig voorschot toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregelen.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 4.537,80 ten behoeve van het slachtoffer genaamd A.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 4.537,80 ten behoeve van het slachtoffer genaamd B, bij wijze van voorschot op de schadevergoeding.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 36b, 36c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 subsidiair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair:

POGING TOT DOODSLAG, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op :6 december 2000,

in voorlopige hechtenis gesteld op :8 december 2000,

verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, te weten 30 stk munitie Luger L E;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A toe en veroordeelt verdachte derhalve:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan A een bedrag van € 4.537,80, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van voormeld bedrag groot

€ 4.537,80 ten behoeve van het slachtoffer genaamd A

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

wijst de vordering tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van de benadeelde partij B toe en veroordeelt verdachte derhalve:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan, een bedrag van € 4.537,80 bij wijze van voorschot op de schadevergoeding, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van voormeld bedrag groot

€ 4.537,80 ten behoeve van het slachtoffer genaamd B;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Kalk, voorzitter,

Wien en Van der Wind, rechters,

in tegenwoordigheid van Van Dijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2002.