Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AD8771

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-01-2002
Datum publicatie
01-02-2002
Zaaknummer
09-92594-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-925954-01

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 31 januari 2002

De Rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op 25 augustus 1982 te Teheran (Iran),

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 17 januari 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr R.-J. van Eenennaam, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Reddingius heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij -gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde tot een bedrag van € 1.816,00 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.816,00 ten behoeve van het slachtoffer

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

Bewijsverweer.

De raadsman van de verdachte heeft namens deze het verweer gevoerd dat het - bij gewijzigde - dagvaarding onder 1 subsidiair telastgelegde te dezen geen "openlijke" geweldpleging oplevert in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, aangezien het gebeuren om 02.00 uur 's nachts en op een stille en donkere weg - en derhalve in casu voor derden niet waarneembaar - heeft plaatsgevonden.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Openlijk geweld vereist niet de concrete aanwezigheid van publiek. Wel is vereist dat het geweld voor het publiek, als dat er is, waarneembaar is. Ter plaatse moet met een redelijke mate van waarschijnlijkheid publiek te verwachten zijn (HR 16 februari 1988, NJ 1988, 821). In casu is het geweld gepleegd op een openbare weg, zodat aan dit vereiste is voldaan.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen straf het navolgende overwogen.

Verdachte heeft zich tezamen met anderen 's nachts schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van openlijke geweldpleging tegen een hem onbekend persoon. Verdachte heeft nabij een uitgaansgelegenheid op een voor het publiek toegankelijke weg een passerende bromfietser een klap op diens helm gegeven, zonder dat het slachtoffer hiertoe enige aanleiding had gegeven. Vervolgens werd het slachtoffer door verdachte en zijn twee mededaders op de grond gegooid, geslagen met de vuist, geschopt en zelfs tegen het hoofd getrapt.

Door dergelijk geweld kunnen ernstige verwondingen worden toegebracht. Dat het slachtoffer geen ernstig of blijvend letsel heeft opgelopen is een gelukkige omstandigheid, die echter geenszins aan verdachte of zijn mededaders te danken is. Voorts leert de ervaring dat delicten als deze veelal langdurige en ingrijpende angst-gevoelens kunnen veroorzaken bij het slachtoffer. Zij dragen bovendien bij aan de in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid. Aan dit alles is verdachte volledig voorbij gegaan, hetgeen de rechtbank hem ernstig aanrekent.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het in vereniging begaan van een bedrijfsinbraak bij een pool-centrum. Daartoe hebben verdachte en zijn mededaders de voordeur geforceerd en verschillende automaten en een voetbaltafel opengebroken. Vervolgens hebben zij goederen en geld uit het pand weggenomen. Dergelijke bedrijfsinbraken zijn zeer ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder veroorzaken voor de gedupeerde bedrijven. Verdachte heeft zich hierbij uitsluitend laten leiden door eigen voordeel en geldelijk gewin. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank heeft kennis genomen van een verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 9 januari 2002 van de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Den Haag, opgemaakt en ondertekend door reclasseringsmedewerker J. Baldewsingh. De reclassering geeft de rechtbank in overweging om verdachte een werkstraf op te leggen, alsmede een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact en de verplichting deel te nemen aan een training of behandeling, indien de reclassering dit noodzakelijk acht.

De rechtbank is van oordeel dat gezien het zinloze en grove karakter van het geweld dat op de bromfietser is toegepast en de initiërende rol die verdachte in dat geheel heeft gehad, het opleggen van een werkstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van -met name- het onder 1 subsidiair telastgelegde en bewezenverklaarde feit. De rechtbank heeft daarbij voorts de omstandigheid in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 9 januari 2002 eerder tot werkstraffen is veroordeeld, onder meer voor openlijke geweldpleging. Uit deze veroordelingen heeft verdachte klaarblijkelijk geen lering getrokken. Het is op deze gronden dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte thans niet meer in aanmerking komt voor een werkstraf en daarom zal zij verdachte een zwaardere straf zal opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende acht de rechtbank een vrijheidsstraf van na te melden duur passend en geboden. Zij zal een deel hiervan voorwaardelijk opleggen opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan soortgelijke of andere strafbare feiten en teneinde een kader te scheppen voor begeleiding en eventuele training en behandeling van verdachte.

De vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel.

, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 8.746,00.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Nu niet is vastgesteld dat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die is toegebracht door een ten laste van verdachte bewezenverklaard strafbaar feit, zal de rechtbank verdachte niet verplichten tot betaling van enig bedrag aan de staat ten behoeve van het slachtoffer.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 63, 141, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair telastgelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. feit 1 subsidiair:

HET OPENLIJK MET VERENIGDE KRACHTEN GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN;

t.a.v. feit 2:

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK EN HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN VERBREKING;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Den Haag, ook indien dit inhoudt het volgen van een training of behandeling, dit zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij

artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht

bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding, en dat deze zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mrs Hensen, voorzitter,

Wapenaar en Van Delden-Brouwer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr De Jong, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 januari 2002.