Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AD8759

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2002
Datum publicatie
01-02-2002
Zaaknummer
09-01803-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0382 met annotatie van Fiscaal up to Date

Uitspraak

RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/018013-01

rolnummer 5

's-Gravenhage, 28 januari 2002.

De rechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op 10 maart 1956 te Horasan (Turkije),

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 januari 2002.

De verdachte is niet verschenen. Wel verschenen is zijn raadsman mr Van Steensel, die heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

De officier van justitie mr Van Dis heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete van 110.000 EURO, subsidiair 600 dagen hechtenis.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijzigingen van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vorderingen wijziging telastlegging, gemerkt A1 en A2.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft, kort en zakelijk weergegeven, een tweetal verweren gevoerd omtrent de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft allereerst betoogd dat het Openbaar Ministerie enkel kan overgaan tot vervolging indien het proces-verbaal op de wijze van artikel 80 lid 2 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen (hierna te noemen: AWR) in handen van de officier van justitie is gekomen. In het procesdossier heeft de raadsman geen correspondentie aangetroffen van de directeur van 's Rijks belastingen, waaruit blijkt dat het proces-verbaal in deze zaak aan de officier van justitie is overgedragen. Indien het proces-verbaal niet overeenkomstig de voorgeschreven wijze in handen van de officier van justitie is gesteld, moet het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard worden.

Voorts heeft de raadsman gesteld dat de Belastingdienst aan verdachte op grond van artikel 67f AWR reeds een boete heeft opgelegd van 100% ter zake van de zogenoemd valse facturen op grond waarvan verdachte suppletie-aangiften heeft gedaan. Deze facturen zijn de basis geweest waarop zowel loon- als omzetbelasting is gedaan. Naar de mening van de raadsman is er sprake van één samenstel van handelingen en van voortgezette handelingen ex artikel 56 lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht. Nu ten aanzien van het gebruik van die valse facturen reeds een boete is opgelegd, verhindert artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht een tweede vervolging. De Belastingdienst heeft reeds getransigeerd voor een strafbaar feit, waardoor er geen vervolging meer kan plaatsvinden voor de aan verdachte telastgelegde feiten.

De rechtbank verwerpt het eerstgenoemde verweer van de raadsman. Ter zitting heeft de officier van justitie een schrijven d.d. 25 september 2001 namens het bestuur van 's Rijksbelastingen overgelegd, waarin een verzoek tot vervolging van -onder meer- verdachte, aan de officier van justitie is neergelegd, onder de vermelding dat het betreffende proces-verbaal rechtstreeks aan de officier van justitie was toegezonden. De raadsman heeft hiervan tijdens het onderzoek ter terechtzitting kennis genomen. Op grond van voormelde brief moet worden aangenomen dat het proces-verbaal op de wettelijk voorgeschreven wijze in handen van de officier van justitie is gesteld.

Ten aanzien van het tweede verweer overweegt de rechtbank als volgt. Bij kennisgeving van 7 december 2000 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen 's-Gravenhage aan verdachte laten weten dat over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 een boete zal worden opgelegd over de naheffingsaanslag omzetbelasting, zulks op grond van artikel 67f AWR. Het bepaalde in artikel 69a AWR, dat het recht tot strafvervolging vervalt indien de inspecteur aan een belastingplichtige reeds een boete heeft opgelegd, is hier niet van toepassing, nu deze bepaling uitsluitend ziet op strafvervolging met betrekking tot een vergrijp als bedoeld in artikel 67d of 67e, waarvan in het onderhavige geval geen sprake is.

Dat aan verdachte een fiscale boete over de naheffingsaanslag omzetbelasting over de jaren 1999 en 2000 wordt opgelegd, betekent voorts niet dat verdachte in de onderhavige zaak andermaal wordt vervolgd voor feiten waarover te zijnen aanzien bij rechterlijk gewijsde onherroepelijk is beslist. Het bepaalde in artikel 68 Sr staat aan de onderhavige vervolging dus ook niet in de weg. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt daarom verworpen. Het betoog van de raadsman dat bij de onderhavige feiten sprake is van eendaadse samenloop dan wel een voortgezette handeling, behoeft in dit verband verder geen bespreking.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 3 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de suppletie-aangifte terzake van de omzetbelasting ten name van V.O.F. Onderaannemersbedrijf Power II over het jaar 1999 is opgemaakt en ondertekend door Hornes van der Haven BV. Bewijs dat verdachte bij het opmaken van het stuk - niet zijnde een bij de Belastingwet voorziene aangifte - op enigerlei wijze betrokken is geweest ontbreekt.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij

-gewijzigde- dagvaarding onder 1, 2 en 4 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Kwalificatieverweer.

De raadsman heeft, zoals nader toegelicht in zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie, betoogd dat er voor wat betreft alle aan verdachte telastgelegde feiten sprake is van een voortgezette handeling ex artikel 56 lid 1 Wetboek van Strafrecht dan wel van eendaadse samenloop.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Er is geen sprake van gelijksoortige feiten die zodanig met elkaar in verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling. Ten aanzien van ieder feit is er sprake van een nieuw wilsbesluit van verdachte. De besluiten tot het valselijk opmaken van weekurenstaten en manurenstaten (feit 4) is te onderscheiden van de besluiten van verdachte om met -onder meer- deze valselijk opgemaakte week- en manurenstaten opzettelijk onjuist aangiften loonbelasting en premie volksverzekeringen te doen (feiten 1 en 2).

Ten aanzien van het betoog dat sprake is van eendaadse samenloop overweegt de rechtbank dat ex artikel 69 lid 4 AWR de specialis-generalis verhouding tussen de artikelen 69 AWR en 225 van het Wetboek van Strafrecht, slechts van toepassing is terzake van het gebruik van valselijk opgemaakte geschriften (artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht. Van eendaadse samenloop is bij de feiten 1, 2 en 4 dan ook geen sprake.

Strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft gedurende een aanzienlijke periode voor het bedrijf VOF Onderaannemersbedrijf Power II en later Power II BV, waar hij als feitelijk (mede)leidinggevende werkzaam was, onjuiste aangiften voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen gedaan. Deze praktijk pleegde verdachte door werknemers niet of niet volledig in de loonadministratie althans in de post loonbelasting op te nemen en dit administratief te "bemantelen" door valse week- en manurenstaten en valse inleenfacturen in de boekhouding op te nemen.

Door geen loonbelasting en premie volksverzekeringen af te dragen over het loon van de niet in de boekhouding verantwoorde werknemers, heeft verdachte de staatskas en daarmee de gemeenschap voor een aanzienlijk bedrag benadeeld. Voorts heeft het bedrijf van verdachte door deze handelwijze geprofiteerd van personen met een zwakke rechtspositie en heeft het bedrijf tegelijkertijd ook bonafide bedrijven, die wel aan de wettelijke verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie aangedaan.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat hij eerder veroordeeld is tot 50 uren onbetaalde arbeid ten algemen nutte ter zake van valsheid in geschrift.

Hoewel verdachte van het onder 3 telastgelegde feit (het valselijk opmaken van de suppletie-aangifte omzetbelasting over het jaar 1999) wordt vrijgesproken, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf toch passend. Dit feit is in wezen immers een uitvloeisel van het opnemen van valse inleenfacturen in de administratie van het bedrijf, waarvoor verdachte in elk geval wel verantwoordelijk is. Bovendien is het grootste financiële nadeel door de onjuiste aangiften loonbelasting en premie volksverzekeringen (feiten 1 en 2) toegebracht.

Een gedeelte van de gevangenisstraf zal voorwaardelijk worden opgelegd om verdachte ervan te weerhouden dergelijke feiten opnieuw te plegen.

Nu verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd om er zelf aanzienlijk beter van te worden, acht de rechtbank tevens een geldboete op zijn plaats.

Bij de vaststelling van de vermogensstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht;

- 68 en 69 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 3 telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1, 2 en 4 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feiten 1 en 2:

OPZETTELIJK ONJUIST EEN BIJ DE BELASTINGWET VOORZIENE AANGIFTE DOEN, TERWIJL DAT FEIT ERTOE STREKT DAT TE WEINIG BELASTING WORDT GEHEVEN, BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON, TERWIJL HIJ FEITELIJKE LEIDING HEEFT GEGEVEN AAN DE VERBODEN GEDRAGING, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 4:

VALSHEID IN GESCHRIFT, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 1 mei 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 4 mei 2001, welke voorlopige hechtenis werd opgeschort met ingang van: 4 mei 2001,

in vrijheid gesteld op : 4 mei 2001;

veroordeelt verdachte voorts tot:

betaling van een geldboete van 25.000 EURO;

bepaalt dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van 130 dagen;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

Mrs Elkerbout, voorzitter,

Wattèl en Schaffels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Vreeling, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2002.