Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AD8473

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-01-2002
Datum publicatie
25-01-2002
Zaaknummer
09-900627-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-900627-01

rolnummer 0007

's-Gravenhage, 23 januari 2002

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op 2 augustus 1962 te District Suriname (Suriname),

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 januari 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsvrouw mr V.R.G. Seedorf-Monpellier, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Hemstede heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en onder 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden onvoorwaardelijk. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens het proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen onderdelen van het voertuig zullen worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar, te weten [de man]

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Nietigheid dagvaarding.

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat de dagvaarding met bovenvermeld parketnummer voor wat betreft feit 1 primair en subsidiair nietig is, omdat de beschrijving van de telastlegging niet voldoet aan de daaromtrent gestelde eisen van artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Volgens de raadsvrouw is het voor het kunnen voeren van een juiste verdediging, maar vooral ook met het oog op het verkrijgen van een juist beeld van hetgeen zich ter plaatse zou hebben afgespeeld, van belang dat in de dagvaarding vermeld staat op welke weg dat gebeurd zou zijn. In de dagvaarding staat slechts de algemene aanduiding dat het feit gepleegd zou zijn in 's-Gravenhage. De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank bevat de telastlegging een beschrijving van een concreet geval gespecificeerd naar tijd en plaats. Het was voorts voor verdachte volkomen duidelijk wat hem verweten werd en waartegen hij zich moest verweren.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en onder 2 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte is op 16 juli 2001 na een ruzie voor een café met een auto en met hoge snelheid ingereden op één van degenen die bij deze ruzie betrokken waren. Verdachte had daarvoor een forse hoeveelheid alcohol gebruikt. Nadat verdachte het slachtoffer vervolgens had aangereden en deze aanzienlijk letsel had toegebracht, is hij vervolgens zonder te stoppen doorgereden. Verdachte heeft aldus handelende de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer van het leven zou beroven. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is niet aan het handelen van verdachte te danken, maar veeleer aan toeval. Verdachte heeft het slachtoffer, behalve aanzienlijk letsel (onder meer een gebroken onderbeen), ook grote schrik aangejaagd. Het slachtoffer kan, naar de ervaring leert, hier nog lang de psychische en lichamelijke gevolgen van ondervinden. Bovendien heeft verdachte, door zich zo op de openbare weg te gedragen, de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, waaruit blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, doch niet voor een dergelijk delict als het onderhavige en voorts niet van recente datum.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de Afdeling Reclassering van de Stichting Welzijn- en Gezondheidszorg van het Leger des Heils d.d. 5 december 2001. De rapporteur stelt dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, psychische hulpverlening mogelijk in detentie gestart kan worden. Hierna zou deelname aan detentiefasering en instroming in een Penitentiair Programma mogelijk geïndiceerd zijn. Psychische hulpverlening kan ertoe bijdragen dat recidivegevaar verminderd wordt.

Teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een soortgelijk feit te plegen, zal de rechtbank een deel van de straf voorwaardelijk opleggen.

De rechtbank acht een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid geboden nu het belang van de samenleving, de verkeersveiligheid, dient te prevaleren boven het belang van verdachte over een rijbewijs te beschikken.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank na te melden straffen passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de teruggave aan rechthebbende, te weten Farzia Habidoellah gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen te weten een ring, een sierstrip, verf en glas.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

- 7, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. feit 1 primair:

POGING DOODSLAG;

t.a.v. feit 2:

OVERTREDING VAN ARTIKEL 7, EERSTE LID, AANHEF EN ONDER A, VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 8 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op :2 oktober 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op :5 oktober 2001;

veroordeelt verdachte ter zake van feit 2 voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 maanden;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Elkerbout, voorzitter,

Kuijer en Van der Wind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Wijne, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2002.