Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AD8398

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2002
Datum publicatie
01-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/70184 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / rechtsbijstand.

Nu de raadsman, die wordt geacht namens de vreemdeling te spreken, zich voor de aanvang van het gehoor als raadsman had gesteld en had aangegeven bij het gehoor aanwezig te willen zijn, had de politie de raadsman op de hoogte dienen te stellen van het voorgenomen tijdstip van het gehoor en hem in de gelegenheid dienen te stellen het gehoor bij te wonen. Nu dat niet is gebeurd, is gehandeld in strijd met het recht van de vreemdeling op rechtsbijstand. Dat de vreemdeling blijkens het proces-verbaal van het gehoor heeft aangegeven op dat moment geen advocaat bij het gehoor te willen (maar wel rechtsbijstand gedurende de verdere procedure van bewaring) doet hieraan in dit geval niet af, nu uit dat proces-verbaal niet blijkt dat de vreemdeling erover is geïnformeerd dat zijn raadsman had aangegeven bij het gehoor aanwezig te willen zijn.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 94, geldigheid: 2002-01-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/133

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

bewaring

nevenzittingsplaats Dordrecht

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/70184 VRONTN

Inzake : A, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. E.J.W. Spierings, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld de Franse nationaliteit te hebben. Op 27 december 2001 heeft verweerder de vreemdelingvreemdeling in bewaring gesteld.

2. Op 27 december 2001 is de rechtbank in kennis gesteld van de vrijheidsontneming, door middel van een namens de vreemdeling ingediend beroepschrift.

3. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 januari 2002. Ter zitting is verschenen de vreemdeling bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Krachtens artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de bewaring op 28 december 2001 is opgeheven. Derhalve resteert de vraag of aan de vreemdeling de gevorderde schadevergoeding toekomt.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

De vreemdeling is bevoegd zich bij het gehoor in verband met zijn inbewaringstelling te laten bijstaan door een raadsman. Ingevolge het gestelde in hoofdstuk A5/5.3.4.2 van de Vreemdelingencirculaire wordt de vreemdeling in beginsel gehoord in het bijzijn van een advocaat.

De gemachtigde van de vreemdeling heeft naar voren gebracht dat hij in de ochtend van 27 december 2001 contact heeft opgenomen met de afdeling VVC van de politie Groot-IJsselmonde en zich heeft gesteld als raadsman, waarbij hij uitdrukkelijk heeft aangegeven bij het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aanwezig te willen zijn. Het gehoor heeft buiten zijn aanwezigheid plaatsgevonden op 27 december 2001 om 14.20 uur, waarna de vreemdeling om 14.25 uur in bewaring is gesteld. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven niet te twijfelen aan de mededeling van de gemachtigde dat hij contact heeft opgenomen met de politie Groot-IJsselmonde. Zij nam aan dat er sprake is geweest van een misverstand.

Nu de raadsman, die wordt geacht namens de vreemdeling te spreken, zich voor de aanvang van het gehoor als raadsman had gesteld en had aangegeven bij het gehoor aanwezig te willen zijn, had de politie de raadsman op de hoogte dienen te stellen van het voorgenomen tijdstip van het gehoor en hem in de gelegenheid dienen te stellen het gehoor bij te wonen. Nu dat niet is gebeurd, is gehandeld in strijd met het recht van de vreemdeling op rechtsbijstand. Dat de vreemdeling blijkens het proces-verbaal van het gehoor heeft aangegeven op dat moment geen advocaat bij het gehoor te willen (maar wel rechtsbijstand gedurende de verdere procedure van bewaring) doet hieraan in dit geval niet af, nu uit dat proces-verbaal niet blijkt dat de vreemdeling erover is geïnformeerd dat zijn raadsman had aangegeven bij het gehoor aanwezig te willen zijn.

De bewaring moet onrechtmatig worden geacht.

4. De rechtbank acht voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen. Gelet op de normbedragen van € 90,76 per dag in een politiecel en € 68,07 per dag in een huis van bewaring komt aan de vreemdeling een bedrag toe van € 90,76.

5. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdelingvreemdeling gemaakte proceskosten. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op €€ 644,37 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 3 22,18 en wegingsfactor 1). Nu aan de vreemdeling een toevoeging is verleend, dient de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot € 90,76 ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

3. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,37 en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.J.M. Marseille, rechter, en door deze en mr. A.W.M. van Langen-van de Wouw, griffier, ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden. Ter zake van gevorderde schadevergoeding staat geen hoger beroep open van deze uitspraak.