Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AD8375

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-01-2002
Datum publicatie
23-01-2002
Zaaknummer
KG 01/1403
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - president

Vonnis in kort geding van 11 januari 2002,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 01/1403 van:

[eiser],

[adres]

eiser,

procureur mr. E.Grabandt,

advocaat mr. I.N. Weski te Rotterdam,

tegen:

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. W. Heemskerk.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 19 december 2001 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

- Eiser, geboren te Casablanca, Marokko, heeft de Nederlandse nationaliteit.

- Eiser wordt in Frankrijk verdacht van het medeplegen van invoer (uitvoer vanuit Nederland) van heroïne en cocaïne.

- Bij nota's van 23 en 29 december 1999 hebben de Franse autoriteiten om uitlevering ter vervolging van eiser verzocht. Hierbij waren gevoegd een authentiek afschrift van een bevel tot aanhouding van 1 oktober 1999, uitgevaardigd door de onderzoeksrechter van het Tribunal de Grande Instance van Versailles alsmede een brief van 7 december 1999 van de procureur van de Republiek van het Parket van Versailles houdende een nadere uiteenzetting van de feiten terzake waarvan de uitlevering wordt verzocht.

- Bij uitspraak van 4 februari 2000 heeft de rechtbank te Zutphen de uitlevering van eiser toelaatbaar verklaard.

- Eiser is in april 2000 in Frankrijk bij verstek veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf.

- Bij arrest van 29 mei 2001 heeft de Hoge Raad de uitlevering ontoelaatbaar geacht doch uitsluitend voor zover de uitlevering betrekking heeft op handelingen met betrekking tot "cannabishars en andere synthetische drugs". Voor het overige is het cassatieberoep verworpen.

- Bij beschikking van 5 november 2001 heeft gedaagde beslist om de uitlevering toe te staan voor de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, vermeld in het bevel tot aanhouding van 1 oktober 1999 en de nadere uiteenzetting in de brief van 7 december 1999 en voorzover de feiten geen betrekking hebben op "cannabishars en andere synthetische drugs".

- Bij brief van 5 november 2001 heeft gedaagde medegedeeld dat de uitlevering was toegestaan nadat de Franse autoriteiten de garanties hadden gegeven dat eiser na eventuele onherroepelijke veroordeling in Frankrijk mag terugkeren naar Nederland om zijn straf te ondergaan en deze straf zal mogen worden omgezet in een Nederlandse straf.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiser vordert -zakelijk weergegeven- uitvoerbaar bij voorraad:

Primair: gedaagde te verbieden tot uitlevering van eiser aan Frankrijk over te gaan;

Subsidiair: gedaagde te veroordelen eiser in Nederland te vervolgen voor de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd;

Meer subsidiair: gedaagde te gelasten

-aan eiser over te leggen de in de brief van 5 november 2001 genoemde Belgische rechtshulpverzoeken alsmede de tussen Nederland en Frankrijk gevoerde notawisseling betreffende de toepassing van de terugleveringsgarantie en de uitlevering op te schorten tot in kort geding ook op basis van deze stukken kan worden beslist;

- om Frankrijk de garantie te vragen dat eiser binnen een termijn van uiterlijk 2 maanden na binnenkomst in Frankrijk berecht wordt en binnen een zelfde termijn na het vonnis aan Nederland wordt teruggeleverd, onder bepaling dat de Nederlandse rechter de straf omzet naar Nederlandse maatstaven, en met het verbod aan gedaagde eiser uit te leveren indien Frankrijk deze garantie niet afgeeft;

- Frankrijk aan te zeggen dat indien Frankrijk zich niet houdt aan de hiervoor bedoelde garanties eiser op vrije voeten dient te worden gesteld en daaromtrent tevens een garantie te eisen en, indien Frankrijk deze garantie niet verstrekt, eiser niet uit te leveren.

Daartoe voert eiser het volgende aan.

Eiser is reeds in 1996/1997 door de politie in Rotterdam verhoord, waarna Frankrijk pas in 1999 om zijn uitlevering heeft gevraagd.

In de Franse gevangenissen is structureel sprake van dreigende schendingen van het bepaalde in artikel 3 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Dit blijkt onder meer uit de zaak Selmouni tegen Frankrijk. Gedaagde kan er niet vanuit gaan dat Frankrijk het EVRM zal naleven. De rechter kan over deze dreigende schendingen oordelen.

Daarnaast voldoet Frankrijk niet aan de redelijke termijn van vier maanden voor teruglevering. In de praktijk blijkt dit gemiddeld twee jaar of meer te duren. Gedaagde moet dan ook de eis stellen dat teruglevering geschiedt binnen vier maanden en ook een dwangmiddel stellen ter controle van die termijn. Daarnaast moeten alle stukken die betrekking hebben op het bilateraal overleg tussen Nederland en Frankrijk worden overgelegd. Gedaagde heeft echter geweigerd een afschrift van genoemd bilateraal overleg aan eisers raadsman toe te zenden.

Ook bestaat het risico dat de berechting in Frankrijk niet met inachtneming van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM zal plaatsvinden en de bij verstek opgelegde straf is disproportioneel.

De feiten waarvoor uitlevering is verzocht zijn ook in Nederland vervolgbaar, zodat vervolging in Nederland in de rede ligt nu ook in veel andere gevallen verdachten in Nederland worden vervolgd in strafzaken, waarin in het buitenland een afnemer of koerier is aangehouden. Bovendien bestaat er geen verplichting tot uitlevering.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1.Op grond van het Europees Verdrag betreffende Uitlevering, gesloten te Parijs, rust op Nederland de verplichting om aan een verzoek tot uitlevering van een verdragsstaat gevolg te geven. In het voorbehoud bij artikel 6 van dit verdrag heeft Nederland verklaard dat het de eigen onderdaan niet behoeft uit te leveren, indien hij in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd.

Uitlevering van de eigen onderdaan is mogelijk voor zover het een vervolgingsuitlevering betreft en de verzoekende staat de garantie heeft verstrekt dat een eventueel op te leggen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in Nederland ondergaan kan worden. Dit voorbehoud is ook neergelegd in artikel 4 lid 2 van de Uitleveringswet. Tevens dient door de autoriteiten van de verzoekende staat de garantie te worden gegeven dat de aan de opgeëiste persoon op te leggen straf via de in artikel 11 van het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, gesloten te Straatsburg op 21 maart 1983 beschreven procedure kan worden aangepast.

In deze zaak is aan deze voorwaarden voldaan. Executie van het in Frankrijk gewezen verstekvonnis is nog niet aan de orde. Uit de brief van gedaagde van 5 november 2001 blijkt dat de Franse autoriteiten beide garanties hebben gegeven. Er staat in zoverre dus niets aan in de weg dat eiser wordt uitgeleverd. Een verplichting om dat niet te doen bestaat niet.

3.2. Bij de beoordeling of het uit een oogpunt van goede rechtsbedeling de voorkeur verdient dat eiser door een rechterlijke autoriteit van Nederland wordt berecht komt gedaagde een grote mate van vrijheid toe. De beslissing van gedaagde om eiser in het onderhavige geval toch uit te leveren kan slechts marginaal worden getoetst. De vraag is derhalve of gedaagde bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot dat besluit kon komen. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord. De feiten waarvan eiser wordt verdacht zijn, naar niet in geschil is, op Frans grondgebied gepleegd. Daarbij komt dat het onderzoek in Frankrijk is aangevangen, dat een medeverdachte al in Frankrijk is vervolgd en dat het bewijsmateriaal zich in Frankrijk bevindt.

3.3. Voorts heeft eiser aangevoerd dat na uitlevering aan Frankrijk artikel 3 EVRM dreigt te worden geschonden. Vooropgesteld wordt dat indien de uitlevering wordt verzocht in gevallen waar zowel de verzoekende staat als de aangezochte staat partij zijn bij het EVRM er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat de verzoekende staat de bepalingen van het EVRM zal eerbiedigen. In het onderhavige geval hebben Nederland en Frankrijk het EVRM ondertekend.

Meer in het bijzonder bestaat daarnaast in het uitleveringsrecht het beginsel dat de aangezochte staat als partij bij de internationale uitleveringsovereenkomst (verdragen) erop mag vertrouwen dat de verzoekende staat zich aan de overeengekomen en vastgelegde voorwaarden in verband met uit- of teruglevering zal houden. De rechter treedt in beginsel niet in de toetsing van dat vertrouwensbeginsel. Hij zal zich daarbij terughoudend moeten opstellen, zeker in die gevallen waarin van de rechter een uitspraak wordt verlangd met een categorisch karakter die het niet te vermijden gevolg zal hebben dat voortaan uitlevering naar de desbetreffende verzoekende staat zonder wijziging van de omstandigheden altijd zal moeten worden verboden. Mocht over het hier besproken vertrouwen ernstige twijfel ontstaan of, nog meer, dit vertrouwen niet (meer) gerechtvaardigd blijken te zijn, dan zal het allereerst de staat als verdragsluitende partij na politieke afweging moeten zijn die daaraan consequenties dient te verbinden.

3.4. Los van hetgeen hiervoor meer in het algemeen is overwogen, is in dit geval niet aannemelijk geworden dat er concrete aanwijzingen zijn dat eiser tengevolge van zijn uitlevering een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke behandeling of bestraffing. Het door eiser aangehaalde rapport van Amnesty International dat wantoestanden beschrijft biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van een dreigende schending van artikel 3 EVRM ten aanzien van eiser. Ook de uitspraak van het EHRM inzake Selmouni. Biedt werpt geen ander licht op de zaak. Niet kan worden onderschreven dat de door eiser genoemde mishandelingen een zodanig structureel en systematisch karakter hebben dat ook hij een reëel risico loopt daarvan het slachtoffer te worden. Eisers beroep op de algemene situatie is derhalve ontoereikend. Eiser heeft zijn bewering dat juist hij een reëel risico loopt ook niet nader onderbouwd met hem persoonlijk betreffende omstandigheden.

3.5. Daarnaast heeft eiser zich beroepen op schending van artikel 6 lid 1 EVRM. Eiser meent dat dit artikel meebrengt dat de garantie moet worden bedongen dat hij binnen twee maanden zal worden berecht. Het stellen van een dergelijke aanvullende garantie gaat te ver, al was het maar omdat het EVRM zodanige termijn niet voorschrijft en ook in Nederland niet is voorgeschreven dat een gedetineerde verdachte binnen die termijn is berecht. Daaraan doet niet af dat het onderzoek in de strafzaak in Frankrijk reeds in vergevorderd stadium verkeert. Nogmaals, nu Frankrijk partij is bij het EVRM, moet er op worden vertrouwd dat ook dit land de in het verdrag neergelegde verplichtingen nakomt.

3.6. Ook beroept eiser zich op dreigende termijnoverschrijding door Frankrijk in het kader van verzoeken op grond van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (hierna: de WOTS), welke termijnoverschrijding volgens eiser in de praktijk vaak twee jaar of langer duurt dan de vier maanden waarvan gedaagde stelt dat de opgeëiste persoon in beginsel in Nederland terug kan zijn om zijn straf uit te zitten. Eiser onderbouwt niet wat de grondslag zou moeten zijn voor de eis dat hij binnen twee maanden zou moeten worden teruggeleverd. Voorts is in het uitleveringsverkeer met Frankrijk gangbaar dat door gedaagde wordt gevraagd binnen een termijn van vier maanden nadat een opgeeiste persoon daartoe de wens heeft kenbaar gemaakt, een formeel verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging van een strafvonnis te doen. Die termijn is gebaseerd op een in het kader van een bilateraal overleg tussen Nederland en Frankrijk in 1996 gemaakte afspraak. Gedaagde heeft toegegeven dat Frankrijk zich niet in alle gevallen heeft kunnen houden aan de hiervoor genoemde termijn van vier maanden. Dat betekent echter nog niet dat Frankrijk het aan eiser onmogelijk zal maken dit verzoek om teruglevering te doen dan wel zich in het onderhavige geval niet aan de termijn van vier maanden zal houden. In 1996 is afgesproken dat de Franse autoriteiten zullen bezien of de genoemde termijn voor hen haalbaar is. Het gaat derhalve om een inspanningsverplichting van de Franse autoriteiten. Tussen beide landen is afgesproken dat er geen sanctionering is ingeval de beoogde termijn van vier maanden niet wordt gehaald. Bovendien hebben de Franse autoriteiten in februari 2001 toegezegd zich strikter aan de termijn van vier maanden te zullen houden, zodat niet aannemelijk is dat de Franse autoriteiten zich niet zullen inspannen om eiser binnen die termijn terug te leveren. Bovendien zien de Nederlandse autoriteiten er op toe dat de Franse autoriteiten een WOTS-verzoek van een opgeëiste persoon voortvarend behandelen. Het voorgaande betekent dat gedaagde geen garanties met betrekking tot het halen van die termijn behoeft af te afdwingen.

3.7. Vervolgens stelt eiser dat de in Frankrijk opgelegde straf disproportioneel is.

Nog daargelaten dat eiser niet heeft onderbouwd waarin de disproportionaliteit is gelegen, nu zijn medeverdachte tot dezelfde straf is veroordeeld, is het verstekvonnis in Frankrijk nog niet onherroepelijk en kan eiser, eenmaal in rechte verschenen, naar voren brengen wat in zijn voordeel zal meewegen. Bovendien zal te zijner tijd deze straf in het kader van de WOTS met in achtneming van Nederlandse maatstaven kunnen worden omgezet.

3.8. Tenslotte heeft eiser gevorderd inzage te krijgen in de Belgische rechtshulpverzoeken en het bilaterale overleg tussen Nederland en Frankrijk. Met betrekking tot de rechtshulpverzoeken geldt dat eiser niet heeft uitgelegd wat de grondslag is voor die verplichting. Op het bilaterale overleg wordt in briefwisselingen teruggekomen. Die briefwisselingen zijn te beschouwen als interne stukken, omdat daarin alles dat in het rechtsverkeer tussen bureaus voor internationale rechtshulp in strafzaken aan de orde komt wordt vermeld. Derhalve is er voor de gevraagde inzage geen plaats.

3.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden afgewezen.

Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De president:

Wijst het gevorderde af.

Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 897,12, waarvan € 193,76 aan griffierecht en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Holtrop en uitgesproken ter openbare zitting van 11 januari 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

esk