Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AD7952

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-01-2002
Datum publicatie
09-01-2002
Zaaknummer
09-037824-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-037824-01; 09-037070-01 (v.t.v.v.)

rolnummer 3

's-Gravenhage, 4 januari 2002

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te distrikt Nickerie (Suriname),

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 21 december 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr De Vries, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Steen heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van ¦ 15.615,00,= (EUR 7.085,78) en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot ¦ 15.615,00,= (EUR 7.085,78) subsidiair 110 dagen hechtenis ten behoeve van het [slachtoffer]

Voorts heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, waartoe verdachte bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 9 maart 2001 is veroordeeld, te weten 1 maand gevangenisstraf.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft zijn vriendin meermalen verkracht, vastgehouden in haar woning, bedreigd en ernstig mishandeld. Verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer ernstig aangetast. Seksuele handelingen tegen de wil van het slachtoffer kunnen leiden tot blijvende psychische schade. Voorts is verdachte er niet voor teruggedeinsd zijn vriendin meermalen te mishandelen met onder meer een stofzuigerslang en een ijzeren pook waardoor zij letsel heeft bekomen.

Wat betreft de wederrechtelijke vrijheidsberoving is de rechtbank van oordeel dat de samenleving er van moet kunnen uitgaan dat, ongeacht wat haar burgers doen, zij hun keuze daartoe in vrijheid moeten kunnen bepalen. Dat is een groot goed en dient beschermd te worden door bestraffing van hen die menen die vrijheid te kunnen beperken.

De rechtbank heeft voorts in haar oordeel betrokken dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister - vele malen eerder is veroordeeld wegens vermogensmisdrijven en geweldsmisdrijven. Bovendien heeft verdachte de onderhavige feiten gepleegd terwijl hij nog in een proeftijd liep van een veroordeling wegens bedreiging met zware mishandeling en bedreiging met verkrachting waarvan de officier van justitie thans de tenuitvoerlegging vordert wegens schending van de bijzondere voorwaarde.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het rapport d.d. 19 december 2001 van K. Kasi, psychiater te 's-Gravenhage, dat als conclusie inhoudt dat er ten tijde van het telastgelegde geen gebrekkige ontwikkeling of tijdelijke storing van de geestvermogens bestond bij verdachte, waardoor het telastgelegde hem ten volle valt toe te rekenen.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het rapport van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 12 december 2001 onder meer inhoudende dat een verplicht reclasseringscontact niet uitvoerbaar is omdat verdachte geen enkele ingang laat zien waarop vermelde reclasseringsinstelling een begeleidingscontact inhoudelijk kan aangaan. Bovendien heeft de reclassering in haar rapport d.d. 6 november 2001 te kennen gegeven geen invulling te kunnen geven aan het verplichte reclasseringscontact dat bij vonnis van 9 maart 2001 als bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, nu verdachte slechts twee maanden op vrije voeten is geweest alvorens hij in verzekering is gesteld wegens de onderhavige feiten.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is.

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot ¦ 28.285,11 (EUR 12.835,22).

Een gedeelte van deze vordering, voorzover deze betrekking heeft op immateriële schade, wordt door de rechtbank op ¦ 7.500,- (EUR 3.403,35) vastgesteld. De reiskosten worden door de rechtbank vastgesteld op ¦ 300,- (EUR 136,13) en de nutteloos geworden verhuiskosten (investeringskosten in de woning die het slachtoffer kort na bewoning heeft verlaten) op ¦ 3000,- (EUR 1.361,34). Voor zover is de vordering door de bij het Voegingsformulier gevoegde overgelegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feiten. De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij voor wat betreft deze posten (totaal

¦ 10.800,- (EUR 4.900,83) ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering tot voornoemd bedrag toewijzen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van de posten mobiele telefoon, vernielde eethoek, vervuild matras en beddengoed en vervuilde kleding is de rechtbank van oordeel dat deze schade niet rechtstreeks is toegebracht door de bewezenverklaarde feiten. Voor wat betreft de verhuiskosten (investeringskosten in de woning die het slachtoffer kort na bewoning heeft verlaten) is de rechtbank van oordeel dat slechts een deel hiervan nutteloos is geworden. Immers, de gordijnen en meubels kan de benadeelde partij mee verhuizen zodat de rechtbank de benadeelde partij ook voor wat betreft dit deel niet ontvankelijk zal verklaren in de vordering.

Voorts zal de rechtbank de gevorderde proceskosten matigen, nu deze haar bovenmatig voorkomen.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbare feiten zijn toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot ¦ 10.800,= (EUR 4.900,83) ten behoeve van het [slachtoffer]

De vordering tenuitvoerlegging.

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie d.d. 30 november 2000 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 9 maart 2001, nu uit het onderzoek ter terechtzitting (in het bijzonder een schrijven d.d. 6 november 2001 van de Stichting Reclassering Nederland) is gebleken dat verdachte de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd. Uit dit briefrapport blijkt dat verdachte vanaf het begin al te kennen had gegeven geen begeleiding nodig te hebben en hij zich kort na zijn laatste detentie heeft schuldig gemaakt aan de onderhavige feiten waardoor de reclassering geen invulling kon geven aan het verplichte contact.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14g, 24c, 36f, 57, 242, 282, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. 1:

VERKRACHTING, MEERMALEN GEPLEEGD;

t.a.v. 2:

OPZETTELIJK IEMAND WERDERRECHTELIJK VAN DE VRIJHEID BEROVEN EN BEROOFD HOUDEN;

t.a.v. 3:

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT, MEERMALEN GEPLEEGD;

t.a.v. 4:

MISHANDELING;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 30 MAANDEN;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 19 september 2001

in voorlopige hechtenis gesteld op: 20 september 2001

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], een bedrag van ¦ 10.800,=, (EUR 4.900,83) met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op ¦ 2100,- + BTW (EUR 953), en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de [benadeelde partij] voor het overige niet ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, en dat deze haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

¦ 10.800,= (EUR 4.900,83) ten behoeve van het slachtoffer genaamd S. de Graaff;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 101 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 9 maart 2001, gewezen onder parketnummer 09-037070-01, te weten:

gevangenisstraf voor de duur van 1 maand;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Elkerbout, voorzitter,

Schaffels en Kuijer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Blum, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 januari 2002.

Mr Schaffels is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.