Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7072

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2001
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/10338, 00/10340
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bosnië-Herzegovina / moslim / traumatabeleid.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting is op 1 april 2001 de Vw 2000 in werking getreden. Artikel 8:69, eerste lid, Awb bepaalt dat de rechtbank uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat haar oordeelsvorming in het onderhavige beroep dient te geschieden naar het recht zoals dat gold op het moment van sluiten van het onderzoek. Derhalve komt de rechtbank - ook na 1 april 2001 - niet toe aan enigerlei toetsing aan (overgangsrechtelijke) bepalingen van de Vw 2000. Eisers bezitten de Bosnische nationaliteit en behoren tot de moslim-bevolkingsgroep. Zij zijn er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat met betrekking tot hen persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die hun vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. De rechtbank onderschrijft voorts het standpunt van verweerder dat aan eisers sinds het akkoord van Dayton van 14 november 1995 een binnenlands vluchtalternatief kan worden tegengeworpen, te weten de gebieden in Bosnië-Herzegovina waar de etnische bevolkingsgroep waartoe eisers behoren in de meerderheid is. Verweerder heeft bij het bestreden besluit zijn weigering eisers toe te laten als vluchteling op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw terecht gehandhaafd. Niet aannemelijk is geworden dat gedwongen terugkeer van eisers naar Bosnië-Herzegovina strijd oplevert met artikel 3 EVRM. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vtv in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden.

Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/10338 VRWET

AWB 00/10340 VRWET

Inzake : A en B, eisers, woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigde, mr. Th.A.M. van Oosterhout, advocaat te Helmond,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. F.L. Bolkestein, advocaat te Den Haag.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eisers, geboren op [...] 1969 en [...] 1970, bezitten de Bosnische nationaliteit. Zij verblijven sedert 12 oktober 1998 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 13 oktober 1998 hebben zij aanvragen

ingediend om toelating als vluchteling. Hierop is door verweerder op 5 november 1999 afwijzend beslist. De aanvragen zijn niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Eisers hebben tegen deze besluiten een bezwaarschrift

ingediend. Verweerder heeft op 18 augustus 2000 het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 8 september 2000 hebben eisers tegen deze beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van

het beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 maart 2001. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 26 maart 2001 is op 1 april 2001 in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw2000), Stb. 2000,

495.

Artikel 8:69, eerste lid Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de rechtbank uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat haar oordeelsvorming in het onderhavige beroep dient te geschieden naar het recht, zoals dat gold op het moment van sluiten van het onderzoek op 26 maart 2001.

Derhalve komt de rechtbank - ook na 1 april 2001 - niet toe aan enigerlei toelichting aan (overgangsrechtelijke) bepalingen van de Vw2000.

2. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

3. Eisers stellen dat zij in aanmerking komen voor toelating in Nederland.

Eiser is oorlogsinvalide, hij heeft in het Bosnische leger gevochten en is in 1993 gewond geraakt door een landmijn. Na de oorlog zijn eisers in de plaats C gaan wonen. Vanaf juli 1998 is eiser zeven of acht keer naar het

politiebureau meegenomen waar hem is medegedeeld dat eisers het huis moesten verlaten. In oktober 1998 dreigde de politie met een gevangenisstraf als eisers het huis niet zouden verlaten, waarop eisers het land uit zijn gevlucht.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet voor toelating in aanmerking komen. De weigering eisers toe te laten als vluchteling is gebaseerd op artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Dit artikel bepaalt dat

een aanvraag om toelating als vluchteling niet wordt ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan indien zij is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf of in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel

vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat.

Ook overigens komen eisers volgens verweerder niet voor toelating in aanmerking.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat de situatie in Bosnië-Herzegovina niet zodanig is dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eisers zullen derhalve aannemelijk moeten

maken dat met betrekking tot hen persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die hun vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

6. Eisers zijn daarin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Daartoe wordt overwogen dat eisers relaas niet voldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. In de verklaringen van eisers inzake de

onrechtmatige bewoning en de uitzetting uit de woning door de politie zijn geen aanknopingspunten aanwezig die zijn te herleiden tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Voorts is niet aannemelijk geworden dat eisers in

de bijzondere negatieve belangstelling van de autoriteiten zijn komen te staan en derhalve gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin. Hierbij is van belang dat eiser de woning hebben verlaten en

daarmee hebben voldaan aan hetgeen de politie hen had verzocht. De onrechtmatige bewoning van het huis heeft immers niet geleid tot een arrestatie of veroordeling van eisers.

De rechtbank onderschrijft voorts het standpunt van verweerder dat aan eisers sinds het akkoord van Dayton van 14 november 1995 een binnenlands vluchtalternatief kan worden tegengeworpen, te weten de gebieden in Bosnië-Herzegovina

waar de etnische bevolkingsgroep waartoe eisers behoren in de meerderheid is. Mede in aanmerking genomen wordt het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van d.d. 31 juli 1997 (kenmerk DPC/AM-nr. 568616) waarin staat

vermeld dat Bosnische moslims discriminatie, intimidatie of repressie van de zijde van de bevolking of de lokale autoriteiten kunnen ontvluchten door hun toevlucht te zoeken tot andere gebieden (kantons) waar zij de etnische

meerderheid vormen. Van belang is in dat verband dat is gebleken dat eiser afkomstig is uit het dorp D, een gebied waar hun etnische groep, de moslim-bevolkingsgroep, de meerderheid vormt. Bovendien heeft eiser tijdens de ambtelijke

hoorcommissie verklaard dat er geen omstandigheden waren waarom hij niet naar zijn geboortedorp kon terugkeren, maar dat het een combinatie van woonplaats en gezondheid was.

Voorzover eisers zich beroepen op eisers angst voor landmijnen en de slechte algemene, sociale en politieke situatie in Bosnië-Herzegovina, is dat onvoldoende om voor toelating als vluchteling in aanmerking te komen.

7. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit zijn weigering eisers toe te laten als vluchteling op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw terecht heeft

gehandhaafd.

8. Ingevolge artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkene een reëel risico loopt te worden onderworpen aan

foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

Gelet op rechtsoverweging 6 is niet aannemelijk geworden dat gedwongen terugkeer van eisers naar Bosnië-Herzegovina strijd oplevert met artikel 3 EVRM.

9. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden. De medische stukken die eiser heeft overgelegd ter ondersteuning

van zijn stelling dat van hem als gevolg van traumatische ervaringen in redelijkheid niet kan worden verwacht terug te keren naar zijn land van herkomst, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot een geslaagd beroep

op het traumatabeleid zoals neergelegd in TBV 2001/2. Voorts heeft eiser niet binnen zes maanden na de opgelopen verwonding aan zijn voet in 1993 het land verlaten en heeft eiser geen feiten of omstandigheden aangevoerd waardoor

aannemelijk is geworden dat hij het land niet eerder kon verlaten.

10. Het beroep is derhalve ongegrond.

11. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2001, in tegenwoordigheid van mr.drs. M.H.J.W. van Amstel-van Saane, griffier.

afschrift verzonden op: