Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7063

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-05-2001
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
01/17376
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / reisdocument.

De Turkse vreemdeling is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000. Vast staat dat de vreemdeling niet beschikt over de in deze bepaling genoemde reisdocumenten. De vreemdeling kan op deze grond dan slechts in bewaring gesteld worden als de reisdocumenten binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat dit zo was ten tijde van de inbewaringstelling of het geval zal zijn. De stelling van verweerder dat op basis van algemene ervaringsgegevens te verwachten is dat binnen vier weken de noodzakelijke bescheiden voorhanden zullen zijn, is niet nader onderbouwd en is door de rechtbank niet te verifiëren. Daartoe is mede van belang dat de laissez-passer pas een week na de inbewaringstelling is aangevraagd en gesteld noch gebleken is dat een presentatie heeft plaatsgevonden. Gezien het voorgaande is aan het vereiste van het tweede lid van artikel 59 Vw 2000 niet voldaan. De inbewaringstelling was derhalve onrechtmatig.

Beroep gegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: 01/17376

Datum uitspraak: 9 mei 2001

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in samenhang met artikel 93, eerste lid, en artikel 94, eerste en derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 van de Vw 2000, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1980,

van Turkse nationaliteit,

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel,

gemachtigde mr. G. Jairam,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder,

gemachtigde P. van Zijl,

ambtenaar bij de IND.

Het procesverloop

Op 28 april 2001 is de vreemdeling in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van de Vw 2000.

De vreemdeling heeft op 30 april 2001 beroep ingesteld tegen zijn inbewaringstelling.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 7 mei 2001. De vreemdeling is aldaar bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Ter zitting was een tolk in de Turkse

taal aanwezig.

De beoordeling

1. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat de inbewaringstelling onrechtmatig is. Daartoe is aangevoerd dat in plaats van de piketcentrale de Stichting Rechtsbijstand Asiel (SRA) in het aanmeldcentrum te Zevenaar op de hoogte is

gesteld omtrent de voorgenomen inbewaringstelling en dat de inbewaringstelling plaats heeft gevonden voordat de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel was verstreken. Op diezelfde dag nog is een voorlopige voorziening en

beroep ingediend die op 11 mei 2001 zullen worden behandeld. Bovendien is het niet te verwachten dat op korte termijn de benodigde reisbescheiden voor terugkeer zullen worden verkregen.

2. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat ook medewerkers van de SRA bevoegd zijn als raadsman op te treden in zaken van vreemdelingenbewaring, zodat mededeling aan de SRA omtrent de voorgenomen

inbewaringstelling rechtens niet onjuist is.

Verweerder heeft in het kader van artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 een belangenafweging gemaakt. Het algemeen belang vorderde de inbewaringstelling van de vreemdeling omdat hij niet beschikte over een

grensoverschrijding-document noch over voldoende middelen van bestaan, waardoor hij niet in staat was op een legale manier Nederland te verlaten. Op 4 mei 2001 is een laissez-passer (LP) bij de Turkse autoriteiten aangevraagd. Op

grond van algemene ervaringsgegevens is te verwachten dat deze binnen vier weken wordt afgegeven. Tenslotte heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat de bewaring zal worden opgeheven indien binnen vier weken geen

reisdocument wordt verkregen.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

4. Op 28 april 2001 om 17.00 uur is de afwijzende asielbeschikking in het aanmeldcentrum te Zevenaar aan de vreemdeling in persoon uitgereikt. De SRA te Zevenaar is om 17.30 uur telefonisch benaderd met de vraag een advocaat bij het

gehoor inzake de voorgenomen inbewaringstelling van de vreemdeling aanwezig te laten zijn. Volgens de SRA was er geen advocaat beschikbaar op dat moment. De vreemdeling is vervolgens om 17.45 uur gehoord en om 17.55 uur in bewaring

gesteld op grond van artikel 59 lid 2 van de Vw 2000.

In de rechtsmiddelenclausule van de beschikking is vermeld dat binnen een week beroep kan worden ingesteld en dat de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mag worden afgewacht. Betrokkene kan de president van de

rechtbank verzoeken een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat uitzetting achterwege dient te blijven totdat op het beroep is beslist. Betrokkene heeft gedurende 1 uur na uitreiking van de beschikking de gelegenheid dit

schriftelijk kenbaar te maken, waarna dit verzoek binnen 24 uur moet worden ingediend.

Weliswaar is gesteld dat de vreemdeling op 28 april 2001 een voorlopige voorziening en beroep heeft ingediend. Echter niet gesteld noch gebleken is dat de vreemdeling die dag voor 18.00 uur aan de president van de rechtbank kenbaar

heeft gemaakt een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te willen indienen.

5. Ingevolge artikel 98, derde lid, van de Vw 2000 kan een rechtshulpverlener die in dienst is van de Stichting Rechtsbijstand Asiel, die het doctoraat in de rechtsgeleerdheid heeft verkregen dan wel gerechtigd is de titel meester

te voeren en terzake van de vrijheidsontnemende maatregelen relevante opleiding en ervaring bezit, als raadsman optreden. Derhalve valt niet in te zien waarom verweerder niet de SRA in plaats van de piketcentrale had mogen inlichten

over de voorgenomen inbewaringstelling, met name nu de SRA aanwezig is in het aanmeldcentrum en de dienstdoende piketadvocaat niet.

6. In artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 staat vermeld de limitatieve gronden waarop de openbare orde de inbewaringstelling vordert. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de openbare orde wordt geacht de

inbewaringstelling te vorderen indien de voor de uitzetting van een vreemdeling noodzakelijke reisdocumenten voorhanden zijn dan wel binnen korte tijd voorhanden zullen zijn.

7. Tussen partijen staat vast dat de vreemdeling op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld en dat hij niet beschikt over de in deze bepaling genoemde reisdocumenten. Dit brengt mee dat de vreemdeling

slechts in bewaring gesteld kon worden op voornoemde grond indien de reisdocumenten binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat dit zo was ten tijde van de

inbewaringstelling of het geval zal zijn. De stelling van verweerder, dat op basis van algemene ervaringsgegevens te verwachten is dat binnen vier weken de noodzakelijke bescheiden voorhanden zullen zijn, is niet nader onderbouwd en

is door de rechtbank niet te verifiëren. Dit klemt te meer nu de LP pas een week na de inbewaringstelling is aangevraagd en gesteld noch gebleken is dat een presentatie heeft plaatsgevonden. Gezien het voorgaande is aan het vereiste

van het tweede lid van artikel 59 van de Vw 2000 niet voldaan. De inbewaringstelling op 28 april 2001 was derhalve onrechtmatig.

8. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard en de opheffing van de maatregel van bewaring dient te worden bevolen met ingang van heden.

9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb, te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde

in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal ƒ 1420,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

· 1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

· 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

· waarde per punt ƒ 710,--;

· wegingsfactor 1.

Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van deze

rechtbank.

10. Mitsdien wordt als volgt beslist.

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.A.P. van der Roest en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2001 in tegenwoordigheid van mr. H. Siragedik als griffier.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (artikel 95 van de Vw 2000 gelezen in samenhang met de artikelen 69,

derde lid, en 85 van de Vw 2000).

Het hoger beroep kan worden ingediend op het volgende adres:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ‘s-Gravenhage

Afschrift verzonden: 9 mei 2001