Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7045

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2001
Datum publicatie
06-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/18172 VRONTO A3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heropening / schadevergoeding.

De datum uitspraak van het eerste beroep is 31 januari 2001. Op 3 mei 2001 is namens de vreemdeling, van Liberiaanse nationaliteit, beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. De rechtbank heeft geconstateerd dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 96 juncto artikel 121, tweede lid, Vw 2000, heeft verzuimd de rechtbank op uiterlijk de eerste werkdag na 28 april 2001 van het voortduren van de bewaring in kennis te stellen. De verplichting tot kennisgeving behoort naar het oordeel van de rechtbank tot de strikte waarborgen waarmee het voortduren van de vrijheidsontneming is omgeven. Verzuim kennis te geven heeft tot gevolg dat de bewaring, te rekenen vanaf de dag volgend op de dag waarop de kennisgeving uiterlijk had moeten worden gedaan, onrechtmatig wordt geacht. De bewaring wordt opgeheven. Voor wat betreft het verzoek om schadevergoeding wordt het onderzoek met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, Awb heropend teneinde dit verzoek op een nader te bepalen zitting te behandelen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 96
Vreemdelingenwet 2000 121
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ’s-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer: AWB 01/18172 VRONTO A3

Datum uitspraak: 11 mei 2001

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 96 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) in het geschil tussen:

A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1979 en van

Liberiaanse nationaliteit, thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Tilburg, de vreemdeling,

gemachtigde, mr. P. Scholtes, advocaat te ’s-Gravenhage,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 8 december 2000 is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 1965, Trb. 40 (Vw oud) in bewaring gesteld, terwijl op diezelfde datum zijn uitzetting is gelast.

Bij uitspraak van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van

31 januari 2001, is het eerste beroep, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 3 mei 2001, op diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, is namens de vreemdeling beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van dit beroepschrift heeft verweerder op 4 mei 2001 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van de vreemdeling heeft hierop niet gereageerd.

De rechtbank heeft op 9 mei 2001 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Op 9 mei 2001 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Ter beoordeling ligt thans de vraag of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van de vreemdeling en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te kunnen effectueren. Voorts is van

belang te beoordelen of voortzetting van de bewaring ook overigens, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid nog gerechtvaardigd is.

Namens de vreemdeling is - kort weergegeven – onder meer aangevoerd dat ingevolge het bepaalde in artikel 121, tweede lid, juncto artikel 96 van de Vw2000, verweerder binnen 28 dagen na de inwerkingtreding van de nieuwe

vreemdelingenwet een kennisgeving inzake het voortduren van de vrijheidsontneming aan de rechtbank dient te zenden. Overschrijding van deze termijn is fataal en dient te leiden tot opheffing van de bewaring. In het onderhavige geval

is hiervan sprake. Verweerder heeft in het geheel geen kennisgeving doen uitgaan. De bewaring dient derhalve te worden opgeheven. Voorts wordt om schadevergoeding verzocht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zijdens de vreemdeling is aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 96 juncto artikel 121, tweede lid, van de Vw2000. Artikel 96, eerste lid, van de Vw2000 schrijft voor dat:

“Indien de rechtbank het beroep als bedoeld in artikel 94, ongegrond heeft verklaard en de vrijheidsontneming voortduurt, stelt Onze Minister uiterlijk vier weken nadat de uitspraak, bedoeld in artikel 94, is gedaan, de rechtbank in

kennis van het voortduren van de vrijheidsontneming, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld. (…)”

Artikel 121, tweede lid, van de Vw2000 bepaalt ten aanzien van de vreemdeling aan wie op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Vw2000 zijn vrijheid is ontnomen dat:

“(…) Indien de vreemdeling geen beroep tegen de maatregel strekkende tot vrijheidsontneming heeft gedaan, wordt de kennisgeving uiterlijk op de achtentwintigste dag na het tijdstip van inwerkingtreding van deze weg gedaan.”

De rechtbank heeft geconstateerd dat verweerder, gelet op het vorenstaande, heeft verzuimd op uiterlijk de eerste werkdag na 28 april 2001 de rechtbank van het voortduren van de bewaring in kennis te stellen. En zodanige

kennisgeving is in het geheel niet uitgegaan. Een en ander heeft tot gevolg gehad dat de rechtbank eerst naar aanleiding van het beroep van 3 mei 2001 op de hoogte is gekomen van het voortduren van de bewaring van de vreemdeling.

Naar het oordeel van de rechtbank behoort de in artikel 96 van de Vw2000 neergelegde verplichting tot kennisgeving tot de strikte waarborgen waarmee het voortduren van de vrijheidsontneming is omgeven. Indien wordt verzuimd de

rechtbank tijdig kennis te geven van het voortduren van de bewaring, dient die bewaring te rekenen vanaf de dag volgend op de dag waarop de kennisgeving uiterlijk had moeten worden gedaan, onrechtmatig te worden geacht.

Het vorenstaande leidt ertoe dat in het onderhavige geval de bewaring te rekenen vanaf 2 mei 2001, zijnde de dag volgend op de eerste werkdag nadat verweerder conform het bepaalde in artikel 121, tweede lid, van de Vw2000 uiterlijk

de rechtbank van het voorduren van de bewaring in kennis had moeten stellen, onrechtmatig moet worden geacht en de bewaring derhalve dient te worden opgeheven. Het beroep is mitsdien gegrond.

Met betrekking tot het namens de vreemdeling ingediende verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank dat de voortgangsrapportage van verweerder van 4 mei 2001 aanleiding vormt om, met toepassing van de in artikel 8:73, tweede

lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) neergelegde bevoegdheid, het onderzoek te heropenen teneinde dit verzoek op een nader te bepalen zitting te behandelen.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het

bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal f 710,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

* waarde per punt f 710,--;

* wegingsfactor 1.

Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de

rechtbank.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59

van de Vw2000 van de vreemdeling met ingang van 11 mei 2001;

bepaalt dat het onderzoek, voor zover het betreft het verzoek om schadevergoeding, wordt heropend en verwijst de zaak in zoverre naar een nader te bepalen zitting;

veroordeelt verweerder in de zijdens de vreemdeling gemaakte proceskosten, vastgesteld op f 710,-- (te vergoeden door de Staat der Nederlanden), te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. E.H.M. Druijf als rechter, in tegenwoordigheid van

J.P.W. Manders als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2001.

Afschriften verzonden: 11 mei 2001