Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7044

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2001
Datum publicatie
06-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/17831 VRONTO A3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / kennisgeving.

De uitspraak van het vorig beroep dateert van 4 april 2001. De kennisgeving ex artikel 96, eerste lid, Vw 2000 dateert van 2 mei 2001. Namens de vreemdeling is hierop niet gereageerd. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 11 mei 2001, te weten de datum sluiting vooronderzoek, niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 3.5.4.3 juncto artikel 3.5.4.4 van de 'Richtlijnen voor de behandeling van verzoeken en beroepen bij de vreemdelingenkamer van de rechtbank te 's-Gravenhage of een der nevenzittingsplaatsen', inhoudende dat verweerder aan de rechtbank inlichtingen met betrekking tot de (voortgang van de voorbereiding van de) verwijdering van de vreemdeling verstrekt, onder gelijktijdig afschrift daarvan aan de gemachtigde van de

vreemdeling. De rechtbank kan derhalve niet toetsen of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van de vreemdeling en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te kunnen effectueren. De bewaring wordt mitsdien opgeheven.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ’s-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer : AWB 01/17831 VRONTO A3

Datum uitspraak: 11 mei 2001

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 96 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) in het geschil tussen:

A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1972 en van Algerijnse nationaliteit, thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Tilburg, de vreemdeling,

gemachtigde, mr. S. Jankie, advocaat te ‘s-Gravenhage,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 12 december 2000 is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40) (Vw (oud)) in bewaring gesteld, terwijl op diezelfde datum zijn uitzetting is gelast.

Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van

23 januari 2001 en 4 april 2001, zijn eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Bij kennisgeving ex artikel 96, eerste lid, van de Vw van 2 mei 2001, diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van het voortduren van de vrijheidsontneming.

De rechtbank heeft vastgesteld dat op 11 mei 2001, te weten de datum sluiting van het vooronderzoek, verweerder geen inlichtingen met betrekking tot de (voortgang van de voorbereiding van de) verwijdering van de vreemdeling heeft

verstrekt en heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. De rechtbank heeft op laatstgenoemde datum het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Ter beoordeling ligt thans de vraag of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van de vreemdeling en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te kunnen effectueren. Voorts is van

belang te beoordelen of voortzetting van de bewaring ook overigens, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid nog gerechtvaardigd is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3.5.5.2 van de ‘Richtlijnen voor de behandeling van verzoeken en beroepen bij de vreemdelingenkamer van de rechtbank te ’s-Gravenhage of een der nevenzittingsplaatsen’, laatstelijk gewijzigd per 1 april 2001

(hierna: Richtlijnen) zendt de rechtbank het ontvangen beroepschrift aan verweerder en verzoekt verweerder binnen twee werkdagen na die verzending aan de rechtbank te verstrekken:

a. de uitspraak van de rechtbank op het beroep als bedoeld in artikel 94 Vw;

b. inlichtingen met betrekking tot de (voortgang van de voorbereiding van de)

verwijdering van de vreemdeling.

Voorts is in artikel 3.5.5.3 van de Richtlijnen bepaald dat verweerder gelijktijdig een afschrift van bedoelde inlichtingen zendt aan de gemachtigde van de vreemdeling.

De rechtbank stelt vast dat verweerder op 11 mei 2001, te weten de datum sluiting vooronderzoek, niet heeft voldaan aan bovenstaand voorschrift. Nu de rechtbank niet beschikt over inlichtingen met betrekking tot de (voortgang van de

voorbereiding van de) verwijdering van de vreemdeling kan de rechtbank niet toetsen of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van de vreemdeling en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de

uitzetting te kunnen effectueren.

Gelet op het voorgaande moet de voortzetting van de bewaring onrechtmatig worden geacht en dient het beroep gegrond worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59

van de Vw2000 van de vreemdeling met ingang van 11 mei 2001.

Aldus gedaan door mr. E.C.M. de Klerk als rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.P.W. Manders als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2001.

Afschriften verzonden: 14 mei 2001