Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AF6489

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2001
Datum publicatie
28-03-2003
Zaaknummer
AWB 01/4183 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 01/4183 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], wonende te Den Haag, verzoeker,

ten aanzien van het besluit van 30 oktober 2001 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder, waarbij de aanvraag van verzoeker om verlening van een vergunning voor de opslag en verkoop van vuurwerk op het adres [adres] is afgewezen.

Zitting

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van

17 december 2001.

Verzoeker is in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Mesdag,

R. van Rest, P.C. Bovenlander en P.J. van de Wetering.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Bij besluit van 20 december 2000 is aan verzoeker vergunning verleend voor de opslag en verkoop van vuurwerk op het adres [adres]. In de bij de vergunning behorende voorschriften staat vermeld dat in het bedrijf maximaal 200 kg vuurwerk aanwezig mag zijn. Tevens is verzoeker medegedeeld dat de gemeente Den Haag een stringent beleid voert dat gericht is op het terugdringen van schade en slachtoffers voor, tijdens en na de oud- en nieuwviering. Vanuit dit oogpunt is verzoeker ook medegedeeld dat een vergunning het komende jaar dan wel de komende jaren geweigerd kan worden en dat bij zware overtreding tot onmiddellijke intrekking van de vergunning kan worden overgegaan wanneer:

1. de genoemde voorschriften worden overtreden;

2. als voor deze inrichting niet wordt voldaan aan de eisen genoemd in het "Besluit opslag vuurwerk milieubeheer".

Verzoeker heeft tegen deze verkoopvergunning geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij een controle op 29 december 2001 is door verweerder 310 kg aan vuurwerk in de bewaarplaats aan [adres] aangetroffen.

Van de genoemde overtreding heeft verweerder de brandweer op de hoogte gesteld en aangifte gedaan bij de politie.

Bij brief van 24 september 2001 heeft verweerder verzoeker medegedeeld voornemens te zijn hem ingevolge artikel 84, tweede lid, van de Algemene politieverordening voor 's-Gravenhage 1982 (APV), laatstelijk gewijzigd

10 mei 2001, geen vuurwerkverkoopvergunning te verlenen voor het jaar 2001.

Naar aanleiding van dit voornemen heeft verzoeker bij e-mailbericht van

9 oktober 2001 schriftelijk en op 10 oktober 2001 tevens mondeling zijn zienswijze naar vorengebracht.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde vergunning geweigerd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 8 november 2001 een bezwaarschrift ingediend.

Tevens heeft verzoeker bij brief van 29 november 2001 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoeker heeft op de in zijn bezwaar- en verzoekschrift aangevoerde gronden gesteld dat verweerder de vuurwerkverkoopvergunning ten onrechte heeft geweigerd. Verzoeker verkoopt al 10 jaar lang zonder problemen vuurwerk. In 1999 heeft verzoeker zelfs een vergunning gehad voor 1000 kg. Verzoeker stelt dat hij pas in november 2000 (betreft een brief van 24 oktober 2001) te horen heeft gekregen dat hij maar 200 kg mocht opslaan. Verzoeker stelt dat hij naar aanleiding hiervan op 21 december 2000 via een e-mail protest heeft aangetekend bij burgemeester Deetman. Verzoeker beroept zich op een naar aanleiding van deze e-mail gehouden gesprek met de heer Schouten van de bestuursdienst. Volgens verzoeker heeft hij uit dit gesprek mogen afleiden dat er niet zo strak gehandhaafd zou worden. Verzoeker is van oordeel dat hij hierdoor op het verkeerde been is gezet en dus niet willens en wetens de wet heeft overtreden. Ten slotte wijst verzoeker erop dat een collega ([collega]) slechts een waarschuwing heeft gehad. Ter zitting is door verzoeker nog aangevoerd dat hij ten tijde van de brief van 24 oktober 2000 de eerste bestelling voor vuurwerk bij de groothandel reeds had geplaatst. Hoewel verzoeker dit niet exact kan aangeven zou het om een bestelling van ongeveer 200 kg vuurwerk gaan.

Verweerder heeft in het bestreden besluit het volgende overwogen.

Verzoeker heeft altijd maximaal 200 kg vuurwerk mogen opslaan. Alleen in het jaar 1999, het jaar van de milleniumwisseling, heeft verzoeker toestemming gehad om maximaal 1000 kg vuurwerk op te slaan.

Volgens verweerder is de achtergrond daarvan dat het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) in het jaar 1999 had aangegeven dat het Besluit opslag vuurwerk milieubeheer zou worden herzien. Door de vuurwerkramp in Enschede is het ontwerp van het ministerie achterhaald geraakt, zodat voor 2000 en voor het jaar 2001 weer als vanouds de regels van het Besluit opslag vuurwerk milieubeheer gelden. Verzoeker is bij brieven van 20 september 2000 en 24 oktober 2000 door verweerder in kennis gesteld van het feit dat hij moet voldoen aan de voorschriften van het Besluit opslag vuurwerk milieubeheer. Tevens is verzoeker in de brief van 24 oktober 2001 erop gewezen dat hij naar alle waarschijnlijkheid minder vuurwerk mag opslaan dan tijdens de jaarwisseling van 1999-2000. Voorts is verzoeker zowel op 20 december als op 28 december 2000 bij controle gewaarschuwd dat hij een teveel aan vuurwerk diende te verminderen. Bij een controle op 29 december 2000 is met een niet geijkte huishoudweegschaal vastgesteld dat in de vuurwerkbewaarplaats 310 kg vuurwerk aanwezig was.

Voor zover verzoeker zich beroept op het vertrouwensbeginsel is naar het oordeel van verweerder vast komen te staan dat de heer Schouten geen uitlatingen heeft gedaan waaruit verzoeker zou hebben mogen afleiden dat er niet zo strak gecontroleerd zou worden. Voor wat betreft het beroep van verzoeker op het gelijkheidsbeginsel is verweerder van mening dat dit beroep niet opgaat. In de eerste plaats is verzoeker anders dan hij zelf stelt wel gewaarschuwd en in de tweede plaats heeft [collega] voor het jaar 2000 ook geen verkoopvergunning gekregen.

De president staat in dit geschil voor de beantwoording van de vraag of naar zijn voorlopig oordeel het bestreden besluit na heroverweging in bezwaar in stand gelaten zal kunnen worden. Voor de beantwoording van die vraag wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, van de APV is het zonder vergunning van burgemeester en wethouders verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf vuurwerk af te leveren of ter aflevering aanwezig te hebben.

Ingevolge het tweede lid kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd, indien een persoon verbonden aan de desbetreffende inrichting binnen de laatste drie en een half (31/2) jaar een overtreding heeft begaan van hetgeen bij of krachtens de wet is geregeld omtrent het vervoer, de opslag en/of verkoop van vuurwerk.

Onder punt 5.5.1 van bijlage I behorende bij het Besluit opslag vuurwerk milieubeheer van 19 oktober 1988 (Stb. 503) is bepaald dat in een bewaarplaats ten hoogste 200 kg vuurwerk aanwezig mag zijn indien de bewaarplaats deel uitmaakt van een gebouw en dit gebouw is gelegen op een afstand van minder dan 6 m van belendingen van derden.

Naar het oordeel van de president is vast komen te staan, hetgeen overigens door verzoeker ook niet wordt bestreden, dat verzoeker op 29 december 2000 het bepaalde onder punt 5.5.1 van bijlage I behorende bij het Besluit opslag vuurwerk milieubeheer heeft overtreden. Verweerder was derhalve op grond van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de APV bevoegd om de vuurwerkverkoopvergunning te weigeren.

Voorts dient de president de vraag te beantwoorden of verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Op dit punt dient de president het bestreden besluit slechts terughoudend te toetsen.

Voorzover verzoeker stelt dat hij door verweerder niet tijdig op de hoogte is gebracht van het feit dat hij in het jaar 2000 slechts 200 kg in zijn bedrijf mocht opslaan overweegt de president als volgt. Verzoeker is bij brieven van 20 september en 24 oktober 2000 door verweerder op de hoogte gebracht van het feit dat hij voor opslag van vuurwerk ten behoeve van de jaarwisseling 2000-2001 moet voldoen aan de voorschriften van het Besluit opslag vuurwerk milieubeheer. Daarnaast is verzoeker in de brief van

24 oktober 2000 er door verweerder uitdrukkelijk op gewezen dat hij naar alle waarschijnlijkheid minder vuurwerk mag opslaan dan tijdens de jaarwisseling van 1999-2000. Naar het oordeel van de president had verzoeker reeds uit de brief van 20 september 2000 kunnen afleiden dat hij ten behoeve van de jaarwisseling 2000-2001 slechts 200 kg mocht opslaan nu daarin is aangegeven dat de inrichting moet voldoen aan het Besluit opslag vuurwerk milieubeheer in verband waarmee hem in de voorgaande jaren, met uitzondering van 1999, door verweerder steeds een verkoopvergunning voor vuurwerk, uitgaande van een maximale opslag van 200 kg, was verleend. Als vuurwerkhandelaar dient verzoeker ook op de hoogte te zijn van de voor zijn inrichting geldende wettelijke eisen. In dit verband merkt de president op dat door verzoeker ter zitting desgevraagd is verklaard dat hij reeds voor ontvangst van de brief van 24 oktober 2000 ongeveer 200 kg vuurwerk had besteld. Dit gewicht duidt er niet op dat verzoeker niet wist dat hij maximaal 200 kg mocht opslaan in dat jaar. Bovendien is gesteld noch gebleken dat verzoeker de door hem genoemde bestelling reeds had geplaatst vóór ontvangst van de brief van 20 september 2001. Gelet op het bovenstaande acht de president niet aannemelijk dat verzoeker niet tijdig wist dat hij in overeenstemming met het Besluit opslag vuurwerk milieubeheer, ten behoeve van de jaarwisseling 2000-2001, maximaal 200 kg vuurwerk in zijn inrichting mocht opslaan. Het feit dat de gevraagde vuurwerkverkoopvergunning, waarin uitdrukkelijk met zoveel woorden staat vermeld dat in het bedrijf van verzoeker maximaal 200 kg vuurwerk aanwezig mag zijn, eerst bij besluit van 20 december 2000 is verleend doet daaraan niet af.

Wat betreft de stelling van verzoeker dat door verweerder zou zijn toegezegd dat er niet zo strak zou worden gehandhaafd, is de president van oordeel dat voor de juistheid van die stelling geen bewijs is geleverd. Nog daargelaten dat deze stelling niet zo concreet en nauwkeurig is geformuleerd dat daaruit, indien juist, zonder meer zou volgen dat verzoeker er op mocht vertrouwen dat artikel 84, tweede lid, van de APV ten aanzien van verzoeker in 2001 geen toepassing zou vinden.

Voor zover door verzoeker een beroep is gedaan op het gelijkheidsbeginsel overweegt de president dat ook dit beroep faalt. Daartoe overweegt de president dat aan de door verzoeker genoemde collega vuurwerkverkoper voor het jaar 2001 eveneens geen verkoopvergunning is verleend wegens overtreding van het Besluit opslag vuurwerk milieubeheer in het jaar 2000.

Gelet op het voorgaande ziet de president geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht komt mitsdien niet voor inwilliging in aanmerking.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de president niet gebleken.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.

Beslissing

De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher, als fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2001, in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.M. Keizer.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: