Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AE4028

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-05-2001
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
AWB 00/5932 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

eerste kamer, enkelvoudig

Reg. nr. AWB 00/5932 WAO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 2 december 1999, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder van eiser een bedrag van ƒ 429,33 aan uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) teruggevorderd.

Eiser heeft per fax van 11 januari 2000 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Op 31 maart 2000 is eiser omtrent zijn bezwaren door verweerder gehoord.

Bij besluit van 10 april 2000, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 mei 2000, ingekomen bij de rechtbank op 22 mei 2000, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 26 juni 2000 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 26 maart 2001 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door gemachtigde P.L.E. Maessen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van der Toorn.

Motivering

Eiser is op 25 juni 1998 voor zijn werk als chauffeur uitgevallen. Verweerder heeft eiser bij besluit van 24 juni 1999 per 15 juni 1999 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45 %. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 28 juni 1999 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend dat eiser op 5 september 1999 heeft ingetrokken. Met ingang van 1 september 1999 is eiser via twee uitzendbureaus wederom als chauffeur werkzaam.

Bij besluit van 1 december 1999 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij ingaande 1 september 1999 blijft ingedeeld in de arbeidsongeschikt-heidsklasse van 35-45 %. In verband met de inkomsten van eiser wordt de uitkering uitbetaald naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 25-35 %. Bij besluit van 2 december 1999 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de uitkering over de periode 1 september 1999 tot 1 december 1999 gedeeltelijk wordt teruggevorderd ten bedrage van ƒ 429,33.

De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift van eiser zich niet richt tegen de toepassing van artikel 44 van de WAO. De rechtbank ziet overigens geen grond deze toepassing voor onrechtmatig te houden.

Eiser heeft gesteld dat verweerder bij de vaststelling van de maatman ten onrechte niet mede zijn dienstverband bij [werkgever] b.v. heeft betrokken.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers bezwaar tegen de vaststelling van het maatmanloon niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien eiser zijn eerdere bezwaar tegen de vaststelling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bij beslissing van 24 juni 1999 heeft ingetrokken. Verweerder stelt dat die beslissing daardoor rechtens onaantastbaar is geworden en daarmee ook de vaststelling van het maatmanloon.

Eiser heeft daartoe aangevoerd dat het besluit met betrekking tot het maatmanloon niet rechtens onaantastbaar is geworden omdat hij ter voorkoming van een beschuldiging van het misbruik maken van procesrecht het bezwaar tegen de beslissing van 24 juni 1999 heeft ingetrokken.

Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat bij de vaststelling van het recht op een WAO-uitkering is vastgesteld dat eiser ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid ter zake van zijn dienstverband bij [werkgever] b.v. verzekerd was. Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat eisers werkzaamheden bij Randstad en Manpower in de plaats treden van zijn werkzaamheden bij [werkgever] b.v. aangezien eiser deze werkzaamheden niet kon uitoefenen naast de werkzaamheden bij Randstad en Manpower. Dat eiser zich beschikbaar hield jegens [werkgever] b.v. doet daar naar het oordeel van verweerder niet aan af.

Eiser voert in beroep aan dat niet gehandhaafd kan worden dat de verdiensten van Randstad en Manpower in plaats zijn getreden van de werkzaamheden bij [werkgever] b.v.. Dit is naar de mening van eiser gedeeltelijk onjuist. Eiser stelt vervolgens dat verweerder ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat hij ook al tijdens het dienstverband bij [werkgever] werkzaam was bij Schuitema en dat hij zich voor [werkgever] b.v. onverwijld beschikbaar heeft gesteld voor het uitvoeren van de bedongen werkzaamheden en [werkgever] b.v. heeft gehouden aan zijn loondoor-betalingsverplichting. Dat hij door middel van een juridische procedure zijn gelijk heeft moeten halen kan naar de mening van eiser niet betekenen dat dit dienstverband voor de bepaling van het maatmanloon buiten beschouwing wordt gelaten.

De rechtbank constateert dat in het bestreden besluit door verweerder inhoudelijk op de argumenten van eiser ten aanzien van de gehanteerde maatman is ingegaan. In het, enigszins onduidelijk geformuleerde, dictum is sprake van een ongegrondverklaring van het bezwaar. De rechtbank vat daarom het bestreden besluit op als een ongegrondverklaring van het bezwaar, waarbij verweerder zich primair op het standpunt stelt dat de vaststelling van de maatman in dit geding als rechtens onaantastbaar heeft te gelden en subsidiair dat de maatman juist is vastgesteld.

Daargelaten, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 november 2000, USZ 2001,1, of het primaire standpunt juist is, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de stukken blijkt, en ook niet in geding is, dat eiser sinds oktober 1996 geen werkzaamheden heeft verricht bij [werkgever] b.v.. Eiser heeft zich vanaf dat moment feitelijk beschikbaar gehouden voor werkzaamheden en heeft zijn werkgever gehouden aan de loondoorbetalingsverplichting. Eiser verrichtte daarnaast werkzaamheden via Randstad en Manpower.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het dienstverband bij [werkgever] b.v. voor de maatmanloonvaststelling buiten beschouwing moet worden gelaten. Bij de bepaling van de maatman gaat het om daadwerkelijk laatstelijk verrichte arbeid. Nu gebleken is dat eiser sinds oktober 1996 geen werkzaamheden voor [werkgever] heeft verricht en ook niet had kunnen verrichten naast de werkzaamheden die hij via Randstad en Manpower verrichtte, is verweerder voor de vaststelling van de maatman dan ook terecht van de werkzaamheden bij Randstad en Manpower uitgegaan. Dat eiser zich onverwijld beschikbaar heeft gehouden voor werkzaamheden bij [werkgever] b.v. doet daar niet aan af.

De omvang van de werkzaamheden via beide uitzendbureaus (244 werkdagen met gemiddeld 10 uur per dag), die door eiser niet is bestreden, brengt mee dat eiser alleen feitelijk weer voor [werkgever] b.v. had kunnen werken door zijn werkzaamheden via de uitzendbureaus te staken. Dat is feitelijk niet gebeurd. De beschikbaarstelling voor [werkgever] b.v. kan daarom niet als voor [werkgever] b.v. verrichtte arbeid worden aangemerkt. Het beroep is in zoverre ongegrond.

De rechtbank is vervolgens van oordeel dat het beroep ook overigens niet tot gegrondverklaring kan leiden. De rechtbank heeft immers reeds de toepassing van artikel 44 van de WAO niet voor onrechtmatig gehouden. Daarbij komt dat eiser in beroep niets tegen de terugvordering van de WAO-uitkering heeft ingebracht. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van een reden om de terugvordering voor onjuist te houden. Het beroep is ook in zoverre ongegrond.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2001, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.H. Peper.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: