Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AE3526

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-11-2001
Datum publicatie
03-06-2002
Zaaknummer
AWB 00/71405
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / Hawiye / ambtsbericht

Naar het oordeel van de rechtbank kan het ambtsbericht van 16 februari 2000 niet dienen als grondslag voor het oordeel dat leden van de Sheikhal-clan zich veilig kunnen vestigen in Hiiraan. De passage in het ambtsbericht waarin staat dat het niet duidelijk is in hoeverre Hawiye, in verband met het feit dat in het afgelopen jaar in en rond Mogadishu vele clans - en subclanmilities binnen de Hawiye clanfamilie tegenover elkaar stonden, problemen zullen ondervinden bij vestiging in een woongebied van een andere dan de eigen Hawiye-clan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gelezen dan dat het voor de veiligheid van een lid van een Hawiye-clan -binnen het woongebied van de Hawiye-clanfamilie- nodig is dat hij de bescherming van de eigen clan in het eigen woongebied van die clan geniet. Blijkens de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 5 juli 1999 zijn de Sheikhal weliswaar verspreid woonachtig in Hiiraan, maar hebben zij daar geen eigen (traditioneel) woongebied. Nu het ambtsbericht nadrukkelijk verwijst naar de brief van 5 juli 1999 van de Minister van Buitenlandse Zaken is het de rechtbank niet duidelijk op grond waarvan in het ambtsbericht vervolgens wordt gesteld dat de Sheikhal wel woongebied hebben in Hiiraan, en zich dus veilig in die provincie kunnen vestigen.

Nu het oordeel van verweerder dat eisers zich kunnen vestigen in Hiiraan is gebaseerd op (de betreffende passage uit) het ambtsbericht, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eisers, als behorende tot de Sheikhal-clan, een beschermingsalternatief zouden hebben in Hiiraan. Het besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:2, eerste lid, Awb.

Voorts acht de rechtbank de inhoud van werkinstructie 224 nog van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Assen

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 00/71405 OVERIO GR

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1954,

eiseres, en

B,

geboren op [...] 1983,

eiser,

en de twee minderjarige kinderen van eiseres,

allen verblijvende te C,

van Somalische nationaliteit,

IND dossiernummer 9810078175,

eisers,

gemachtigde: mr. D. de Vries, advocaat te Dokkum;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. P. van IJzendoorn, ambtenaar ten departemente.

1 Procesverloop

1.1 Op 9 oktober 1998 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikkingen van 7 februari 2000 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd.

1.2 Eisers hebben daartegen bij brief van 13 maart 2000 bezwaar gemaakt. Bij beschikkingen van 19 oktober 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 20 november 2000 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 september 2001. Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Overwegingen

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495; verder: Vw 2000) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is de vreemdelingenwet (oud) ingetrokken (art. 122 Vw 2000).

Ingevolge het bepaalde in artikel 119, eerste lid, Vw 2000 blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet (oud) dat is bekendgemaakt, dan wel een handeling op grond van de Vreemdelingenwet (oud) die is verricht voor dat tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000. Nu de Vw 2000 niet voorziet in overgangsrecht voor beslissingen die het niet-toekennen van een verblijfstitel tot gevolg hebben worden de grondslag en de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing bepaald door het ten tijde van de beslissing geldende rechtsregime. Evenwel houdt de rechtbank ingevolge artikel 83 Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep in beginsel rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen. Artikel 83 Vw 2000 strekt niet zo ver dat daaruit voortvloeit dat de rechtbank beslissingen genomen voor 1 april 2001 toetst aan de materiële bepalingen van de Vw 2000.

2.3 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (oud) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

2.4 Het vluchtrelaas van eiseres komt op het volgende neer.

Eiseres, behorende tot de clan der Sheikhal, subclan Loboge, subclan Elmi Ahmed Agoon, heeft in 1981 Somalië verlaten omdat haar echtgenoot in 1977 had meegedaan aan een couppoging om het bewind van Said Barre omver te werpen. In 1980 kreeg eiseres twee brieven van de gemeente van Mogadishu waarin zij werd verzocht om zich te laten scheiden van haar echtgenoot. Tevens werd zij in de brieven landverraadster genoemd. Eiseres heeft het derde verzoek niet afgewacht en is vertrokken naar Ethiopië, waar haar echtgenoot destijds ook verbleef. In 1983 is zij naar Djibouti gevlucht, omdat Siad Barre en de Djiboutische regering in overleg besloten hadden dat tegenstanders van de regering van Somalië werden opgepakt en teruggestuurd naar Somalië. In 1985 is eiseres om dezelfde reden naar Jemen gegaan. In Jemen heeft de echtgenoot van eiseres een verblijfstitel en een werkvergunning gekregen. Voorts hebben zij een paspoort ontvangen van de Somalische ambassade. Eiseres is in 1989 gescheiden. In 1993 is eiseres naar Djibouti vertrokken. Omdat de Somalische ambassade in Djibouti haar geen opvang en financiële steun meer wilde geven is eiseres in 1994 met haar kinderen naar Ethiopië gegaan. Op 14 september 1998 heeft eiseres Ethiopië verlaten omdat Somalirs in Ethiopië werden lastiggevallen en vanwege de slechte levensomstandigheden aldaar. Terugkeer naar Somalië was niet mogelijk omdat het daar vanwege de burgeroorlog niet veilig was.

Op 6 oktober 1998 is eiseres met haar drie kinderen in Nederland aangekomen.

Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvragen onder meer verklaard dat hij in Djibouti is geboren en de Somalische nationaliteit heeft. Eiser is met zijn moeder en zijn twee broertjes uit Djibouti gevlucht, omdat hij van zijn moeder heeft gehoord dat er problemen waren. Eiser weet niet wat voor problemen omdat zijn moeder hem dat nooit verteld heeft.

Persoonlijk heeft eiser nooit problemen gehad.

2.5 Verweerder heeft de aanvragen van eiseres afgewezen, wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. Eiseres heeft ter staving van haar aanvragen geen reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden kunnen overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van haar verzoek om toelating. Eiseres heeft evenmin aannemelijk kunnen maken dat het ontbreken van deze documenten niet aan haar is toe te rekenen. Ook twijfelt verweerder aan het reisverhaal van eiseres. Het vorenstaande doet naar het oordeel van verweerder afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres.

Voorts heeft verweerder overwogen dat eiseres niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden aangemerkt en als zodanig hier te lande kan worden toegelaten. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van vervolging door de Somalische autoriteiten.

Voorts zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat juist eiseres het reële risico loopt bij terugkeer naar Somalië onderworpen te worden aan een behandeling die wordt verboden door artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Er zijn evenmin omstandigheden aangevoerd op grond waarvan eiseres om overige klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit zou behoren te worden gesteld van een vergunning tot verblijf.

Voorts heeft verweerder gesteld dat eiseres een vestigingsalternatief heeft in Somalië.

Tenslotte heeft verweerder overwogen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser eveneens kennelijk ongegrond verklaard.

2.6 Eiseres stelt zich op het standpunt dat het ontbreken van documenten haar niet kan worden aangerekend, nu zij omtrent het ontbreken ervan een consistent en geloofwaardige verklaring heeft afgelegd.

Voorts bestrijdt eiseres dat er voor haar en haar kinderen een vestigingsalternatief danwel een veilige terugkeer mogelijk is.Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres verwezen naar uitspraken van de rechtbank Zwolle van 6 april 2000 en 16 augustus 2000.

Voorts meent eiseres dat het besluit op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, nu verweerder geen enkele overweging heeft gewijd aan het feit dat zij een alleenstaande vrouw is.

Voorts is aangevoerd dat eiseres bij terugkeer naar Somalië zal worden onderworpen aan een behandeling die strijd oplevert met artikel 3 EVRM danwel artikel 3 van het Anti-folterverdrag.

Tenslotte wordt namens eiseres aangevoerd dat er een nationaliteitsonderzoek had moeten plaatsvinden.

2.7 De rechtbank overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geoordeeld dat het ontbreken van documenten aan eiseres is toe te rekenen, waardoor twijfels bestaan omtrent de identiteit, de nationaliteit, de gevolgde reisroute alsmede het asielrelaas. Deze twijfels nemen evenwel niet weg, dat het asielrelaas ook inhoudelijk moet worden beoordeeld.

2.8 Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Somalië zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemlijk moeten zijn, dat met betrekking tot eisers persoonlijke feiten en omstandigheden bestaan waardoor zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiseres gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De problemen die voor eiseres in 1981 de aanleiding waren Somalië te verlaten hangen samen met de poging die haar echtgenoot in 1977 had gedaan om het bewind van Siad Barre omver te werpen. Siad Barre is sinds 1991 niet meer aan de macht en eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij heeft te vrezen voor de huidige machthebbers. Ook eiser, die nooit in Somalië is geweest, heeft niet aannemelijk gemaakt voor vervolging in Somalië te vrezen te hebben.

Uit het vorenstaande volgt dat eisers geen geslaagd beroep op het vluchtelingschap kunnen doen.

2.9 Ten aanzien van het beroep van eisers op een vergunning tot verblijf overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw (oud) kan een vergunning tot verblijf aan de vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij een verdragsrechtelijke bepaling daartoe verplicht, dan wel wanneer met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating van de vreemdeling nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc oud).

Een relevante verdragsrechtelijke bepaling vormt in dit verband artikel 3 van het EVRM. Daarin is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Verweerder voert het beleid om aan personen die een reëel risico lopen bij uitzetting een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM te ondergaan, in beginsel een vergunning tot verblijf te verlenen.

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep van eisers op vluchtelingschap is overwogen, vloeit voort dat niet aannemelijk is dat eisers bij terugkeer naar hun land van herkomst een reëel risico lopen onderworpen te worden aan folteringen of aan een behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

Dat eisers aan enige andere verdragsbepaling een aanspraak op verblijf in Nederland kan ontlenen, is de rechtbank niet gebleken. Verder is gesteld noch gebleken dat met de aanwezigheid van eisers hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Evenmin is het bestaan van klemmende redenen van humanitaire aard, op grond waarvan eisers verblijf in Nederland zou moeten worden toegestaan, aannemelijk gemaakt. Anders dan eiseres in haar beroepschrift heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet gehouden was aandacht te besteden aan het feit dat eiseres alleenstaande vrouw is. Eiseres heeft dit punt in haar bezwaarschrift niet naar voren gebracht. Nu eiseres stelt dat zij behoort tot de

Sheikal-clan en dat zij zich reeds sinds 1989 zelfstandig staande houdt bestond er voor verweerder geen reden aan dit punt aandacht te besteden.

2.10 Tenslotte resteert de vraag of de weigering van verweerder om eisers een voorwaardelijke vergunning tot verblijf te verstrekken in rechte stand kan houden.

2.11 Verweerder twijfelt in de eerste plaats aan de identiteit en nationaliteit van eisers.

In de bestreden besluiten heeft verweerder voorts onder verwijzing naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 februari 2000, kenmerk DPC/AM-668869/00, geoordeeld dat in alle redelijkheid van eisers mag worden verwacht zich te begeven naar het relatief veilige gedeelte van Somalië. In het bijzonder het feit dat de Sheikhal in het relatief veilige deel van Somalië niet beschikken over specifiek eigen grondgebied en de leden van deze clan verspreid leven in gebieden van de Hawiye-clanfamilie, leidt gezien de vermelde inhoud van het meest recente ambtsbericht niet tot het oordeel van verweerder dat van betrokkenen niet gevergd zou mogen worden zich evenals hun clangenoten naar grondgebied van de Hawiye- clanfamilie (zoals Hiiraan) in het veilige deel van hun land te begeven. Voorts overweegt verweerder in het bestreden besluit dat het in het relatief veilige deel van Somalië zelfs mogelijk is dat Somaliërs zich vestigen in gebieden waar andere clanfamilies de meerderheid uitmaken of politiek overheersen.

2.12 De rechtbank is van oordeel dat de besluiten op dit onderdeel ondeugdelijk zijn gemotiveerd en overweegt daartoe als volgt.

2.13 In de brief van 3 april 2000 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (kenmerk 5009900/00/DVB) heeft verweerder aangegeven dat, gelet op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 februari 2000, de leden van de nomadische clanfamilies (waaronder de Hawiye) zich in het algemeen veilig kunnen vestigen in het gehele woongebied van de eigen clanfamilie, tenzij sprake is van ernstige conflicten (in het conflictgebied van Somalië) in het heden of recente verleden tussen clans die behoren tot dezelfde clanfamilie.

Verweerder baseert zijn beleid met name op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 februari 2000. Blijkens genoemd ambtsbericht stonden binnen de Hawiye clanfamilie "het afgelopen jaar in en rond Mogadishu vele clan-en subclanmilities tegenover elkaar. In het algemeen is de uitstraling van deze conflicten naar het woongebied van de Hawiye in centraal-Somalië beperkt. Toch is niet geheel duidelijk in hoeverre de relaties tussen de Hawiyeclans in Mudug, Galgadud en Hiiraan worden geschaad en in hoeverre Hawiye problemen zullen ondervinden bij vestiging in het woongebied van een andere dan de eigen Hawiye-clan. Wel kunnen leden van de Hawiye-clans Abgal, Habr Gedir, Murusade, Galjaal, Hawadle, Sheikhal en andere clans zich veilig vestigen in het woongebied van de eigen clan dat zich in deze provincies bevindt; al deze Hawiye clans hebben woongebied in deze provincies".

Voor wat betreft de Sheikhal wordt in een noot bij de betreffende passage van het ambtsbericht verwezen naar de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 juli 1999.

2.14 Naar het oordeel van de rechtbank kan het ambtsbericht van 16 februari 2000 niet dienen als grondslag voor het oordeel dat leden van de Sheikhal-clan zich veilig kunnen vestigen in Hiiraan.

De passage in het ambtsbericht volgens welke het niet duidelijk is in hoeverre Hawiye, in verband met het feit dat in het afgelopen jaar in en rond Mogadishu vele clans - en subclanmilities binnen de Hawiye clanfamilie tegenover elkaar stonden, problemen zullen ondervinden bij vestiging in een woongebied van een andere dan de eigen Hawiye-clan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gelezen dan dat het voor de veiligheid van een lid van een Hawiye-clan -binnen het woongebied van de Hawiye-clanfamilie- nodig is dat hij de bescherming van de eigen clan in het eigen woongebied van die clan geniet.

Blijkens de brief van de Minister van Buitenlandse zaken van 5 juli 1999 zijn de Sheikhal weliswaar verspreid woonachtig in Hiiraan, maar hebben zij daar geen eigen (traditioneel) woongebied. Nu het ambtsbericht nadrukkelijk verwijst naar de brief van 5 juli 1999 van de Minister van Buitenlandse Zaken is het de rechtbank niet duidelijk op grond waarvan in het ambtsbericht vervolgens wordt gesteld dat de Sheikhal wel woongebied hebben in Hiiraan, en zich dus veilig in die provincie kunnen vestigen.

2.15 Nu het oordeel van verweerder dat eisers zich kunnen vestigen in Hiiraan is gebaseerd op (de betreffende passage uit) het ambtsbericht, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eisers, als behorende tot de Sheikhal-clan, een beschermingsalternatief zouden hebben in Hiiraan. Het besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:2, eerste lid, Awb.

2.16 Voorts overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens werkinstructie 224, waarin verweerder het beleid inzake de verschillende clans in Somalië nader heeft uitgewerkt, zal bij Hawiye-clans die geen eigen woongebied hebben in het relatief veilige gedeelte van Somalië tevens moeten worden nagegaan of er sprake is van ernstige, gewapende conflicten (in het conflictgebied) in het heden of in het recente verleden tussen leden van de clan en (een) andere Hawiye-clan(s). Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder is nagegaan of de Sheikhal-clan betrokken was bij dergelijke conflicten. Weliswaar staat in de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 juli 1999 dat leden van de Sheikhal-clan die niet behoren tot de bekende politici van hun clan of niet op een andere wijze de speciale aandacht op zich hebben gericht, vrij en veilig in heel Somalië kunnen reizen en zich daar in beginsel ook kunnen vestigen. Gelet evenwel op het feit dat het ambtsbericht van 16 februari 2000 rept over gevechten tussen "vele clan- en subclanmilities" "in het afgelopen jaar" kan de brief van 5 juli 1999 niet als basis dienen voor het oordeel dat leden van de Sheikhal-clan, ook als er van wordt uitgegaan dat de Sheikhal geen eigen woongebied hebben, toch een beschermingsalternatief hebben in Hiiraan.

2.17 Verweerder heeft in het bestreden besluit voorts overwogen dat het in het relatief veilige deel van Somalië zelfs mogelijk is dat Somaliërs zich vestigen in gebieden waar andere clanfamilies de meerderheid uitmaken of politiek overheersen. Hierbij is van belang, zo wordt overwogen, dat zich tussen clanfamilies geen ernstige gewapende conflicten (in het conflictgebied van Somalië) hebben voorgedaan in het heden of het recente verleden.

Voor zover verweerder hiermee wil betogen dat eisers een vvtv kan worden onthouden omdat zij zich veilig kunnen vestigen in het woongebied van andere clanfamilies dan de Hawiye clanfamilie in het relatief veilige gedeelte van Somalië, is de rechtbank van oordeel dat dit in strijd is met het door verweerder zelf gevoerde beleid.

Uit de brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 3 april 2000, betreffende het landgebonden asielbeleid, valt niet op te maken dat aan leden van de nomadische clanfamilies zal worden tegengeworpen dat zij veilig in het woongebied van andere clanfamilies kunnen verblijven. Voorts merkt de rechtbank op dat op pagina 10 van Werkinstructie 224 is bepaald dat er geen sprake is van een beschermingsalternatief en een vvtv wordt verleend aan een lid van een Hawiye-clan zonder woongebied in het relatief veilige deel van Somalië, als er sprake is van ernstige gewapende conflicten in het heden en het recente verleden tussen leden van die clan en (een) andere Hawiye-clan(s). De mogelijkheid van vestiging in het woongebied van andere clanfamilies wordt volgens dit beleid dus niet aan leden van de Hawiye clanfamilie tegengeworpen.

Het besluit van verweerder om eisers geen vvtv te verlenen berust mede op het oordeel dat verweerder twijfelt aan de identiteit en nationaliteit van eisers.

Eisers hebben in hun bezwaarschrift aangevoerd dat het, bij twijfel over de identiteit en nationaliteit van eisers, op de weg van verweerder ligt om een nationaliteitsonderzoek te verrichten. Verweerder heeft in de bestreden besluiten in zijn reactie op dit punt volstaan met de constatering dat eisers ook niet in aanmerking komen voor een vvtv indien zij in hun verklaringen omtrent hun afkomst worden gevolgd.

Nu hierboven is geoordeeld dat het standpunt van verweerder dat een Sheikhal een vestigingsalternatief heeft onvoldoende is gemotiveerd, kan ook met bovengenomende reactie op het bezwaarschrift voor wat betreft de twijfels over de identiteit en nationaliteit van eisers niet worden volstaan.

Hierboven heeft de rechtbank reeds overwogen dat het toerekenbaar ontbreken van documenten twijfels oproept over de identiteit en nationaliteit van eisers. Daar staat evenwel tegenover dat eiseres gedetailleerd heeft verklaard omtrent haar afkomst, haar familie, haar werk en adres in Somalië. Het ligt derhalve op de weg van verweerder nader onderzoek te doen naar de identiteit en nationaliteit van eisers.

In dit verband dient eiseres ook nader te worden gehoord.

2.18 Het bovenstaande leidt tot de volgende uitspraak.

3 Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen gegrond, voorzover gericht tegen de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de weigering eisers een voorwaardelijke vergunning te verlenen;

- vernietigt de bestreden besluiten, in zoverre;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten op het bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ad ƒ 1420,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden;

- wijst de Staat der Nederlanden aan om het griffierecht ad ƒ 50,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2001 in tegenwoordigheid van mr. M.B.A. Mensink als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: 15 november 2001