Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AE0828

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-10-2001
Datum publicatie
29-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/25764 MVV
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mvv / legalisatie en verificatie.

Eiseres heeft de Pakistaanse nationaliteit. Referent - haar echtgenoot - heeft de Britse nationaliteit en is houder van een E-document, waaruit blijkt dat hem verblijf in Nederland is toegestaan als onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.

Verweerder heeft de mvv-aanvraag van eiseres afgewezen, omdat de huwelijksakte en geboorteakte wel door de Pakistaanse autoriteiten zijn gelegaliseerd, maar niet door de Nederlandse vertegenwoordiging in Pakistan.

De rechtbank is van oordeel dat het stellen van het vereiste dat de uit Pakistan afkomstige akten door de Nederlandse autoriteiten dienen te zijn gelegaliseerd noodzakelijk is om vast te stellen dat de bedoelde akten zijn afgegeven door de bevoegde autoriteiten in het land van herkomst, en dat dit vereiste als zodanig niet in strijd is met artikel 4 van EEG-Richtlijn nr. 68/360. Verweerder heeft derhalve op goede gronden kunnen beslissen dat aan eiseres geen mvv wordt verstrekt. De rechtbank laatdaarbij in het midden of zij als echtgenote van een onderdaan van een EU-lidstaat een mvv nodig heeft om voor het recht op verblijf hier te lande in aanmerking te komen.

De ABRS heeft bij uitspraak van 18 februari 1999 overwogen dat een beslissing met betrekking tot de legalisatie (en eventueel verificatie) van buitenlandse documenten voor gebruik in het Nederlandse rechtsverkeer is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, te weten een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Tegen een dergelijke beslissing kan bezwaar worden gemaakt, waarna eventueel beroep mogelijk is bij de bestuursrechter. De vraag of het legalisatiebeleid van verweerder in strijd is met EEG-richtlijn nr. 68/360 kan derhalve niet in deze procedure aan de orde komen. Overigens is in het beleid van hoofdstuk B10/5 Vc 2000 niet de eis van verificatie neergelegd, zodat op dat punt reeds daarom niet van de door eiseres gestelde strijd met het gemeenschapsrecht kan worden gesproken.

De rechtbank merkt verder op dat altijd zal moeten worden vastgesteld of de in het geding zijnde huwelijksakte afkomstig is van de bevoegde autoriteiten en dat deze vaststelling nu juist kan plaatsvinden door legalisatie van een dergelijk document.

Verweerder heeft in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 13, geldigheid: 2001-10-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/77

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/25764 MVV

inzake: A, geboren op [...] 1978, van Pakistaanse nationaliteit, wonende te Pakistan, eiseres, gemachtigde: mr. M. Tjebbes, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. R.H. Visser, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. De echtgenoot van eiseres, B, verder te noemen referent, heeft op 1 mei 2000 bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland verzocht om een ambtshalve advies omtrent de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiseres en hun minderjarige dochter C, geboren op [...] 1997. Bij bezwaarschrift van 20 februari 2001 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door verweerder op de aanvraag. Bij besluit van 9 maart 2001 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de aanvraag om afgifte van een mvv niet ingewilligd. Het bezwaarschrift van 20 februari 2001 is geacht mede gericht te zijn tegen dit besluit. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 5 april 2001. Het bezwaar is bij besluit van 22 mei 2001 kennelijk ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 18 juni 2001 is namens eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 5 juli 2001. Op 23 juli 2001 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 18 september 2001 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiseres heeft haar standpunt nog nader onderbouwd bij brieven van 19 september 2001 en 1 oktober 2001. Verweerder heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij aanvullend verweerschrift van

28 september 2001.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2001. Beide partijen zijn aldaar vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Tevens was referent ter zitting aanwezig.

II. FEITEN

1. In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Referent is geboren op [...] 1970 te D. Hij heeft de Britse nationaliteit. Hij is houder van een zogeheten E-document, waaruit blijkt dat hem verblijf in Nederland is toegestaan als onderdaan van een Lid-Staat van de Europese Unie. Dit document is geldig tot 31 juli 2002.

Op 20 december 1994 zijn eiseres en referent te Pakistan in het huwelijk getreden. Uit dit huwelijk is op [...] 1997 een dochter geboren, genaamd C.

III. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde mvv. Verweerder is van oordeel dat het bestaan van een huwelijk tussen eiseres en referent niet met officiële documenten is aangetoond, zoals is vereist in Hoofdstuk B10/5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. De huwelijksakte alsmede de geboorteakte van C zijn weliswaar gelegaliseerd door de Pakistaanse autoriteiten, maar niet door de Nederlandse vertegenwoordiging in Pakistan. Uit het dossier is niet gebleken dat eiseres, ondanks een verzoek daartoe door verweerder, de eerdergenoemde documenten heeft voorgelegd aan de Nederlandse vertegenwoordiging in Pakistan. Derhalve heeft eiseres niet voldaan aan de voorwaarde de huwelijksakte alsmede de geboorteakte te laten legaliseren. Uit de door eiseres overgelegde uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 22 februari 2000, AWB 99/5786 VRWET (JV 2000, 105) inzake E, blijkt niet dat het stellen van de eis van legalisatie in strijd is met EG-richtlijn 68/360. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Daarbij is van belang dat E - anders dan eiseres - wel haar huwelijksakte ter legalisatie had aangeboden. Bovendien was aan E eerder door het Verenigd Koninkrijk een verblijfskaart als familielid van een EU-onderdaan verstrekt. Aan eiseres is een dergelijke verblijfskaart nimmer verstrekt. De stelling van eiseres dat het advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACV) in de zaak E in de onderhavige zaak ten onrechte niet is meegenomen kan niet worden gevolgd nu het bedoelde ACV-advies is toegespitst op een individuele zaak en dus niet op de onderhavige. Ook het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, sector civiel recht, van 23 januari 2001 (rekestnummer 00.0738 H) faalt, nu deze uitspraak betrekking heeft op de inschrijving van een huwelijk in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Voorts wordt opgemerkt dat in de desbetreffende zaak de huwelijksakte en geboorteakte wel ter legalisatie waren aangeboden. Geconcludeerd wordt dat nu de huwelijksakte en de geboorteakte van C niet zijn gelegaliseerd, eiseres geen rechten kan ontlenen aan het gemeenschapsrecht.

In het verweerschrift heeft verweerder daaraan nog het volgende toegevoegd. Legalisatie dient om vast te stellen dat het document is afgegeven door de bevoegde autoriteit van de Staat van oorsprong of van herkomst. Naar het oordeel van verweerder geldt dit evenzeer voor het verificatievereiste. Verificatie is noodzakelijk om te voorkomen dat allerlei rechtshandelingen in Nederland worden verricht op basis van onjuiste documenten. Het is niet in overeenstemming met artikel 4, derde lid van Richtlijn (EEG) nr. 68/360 om onbetrouwbare akten zonder meer te accepteren. In artikel 4 van de Richtlijn (EEG) nr. 68/360 wordt er vanuit gegaan dat de akten die door de familieleden moeten worden overgelegd inhoudelijk juist zijn. Verder wordt het verificatievereiste niet discriminerend toegepast. Ook familieleden van Nederlandse onderdanen uit de probleemlanden, die voor toelating in aanmerking willen komen, worden geconfronteerd met het legalisatievereiste. In dit verband wijst verweerder op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 mei 2000 (JV 2000, 116) waarin wordt overwogen dat het beleid van verweerder, om alvorens tot legalisatie over te gaan eerst een verificatie van de inhoud van de documenten te doen plaatsvinden, niet onredelijk of anderszins rechtens onjuist is te achten.

2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de gevraagde mvv heeft geweigerd. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven. In de zaak E is het beroep gegrond verklaard en is aan E ondanks het ontbreken van een gelegaliseerde huwelijksakte een EG-verblijfsdocument voor verblijf bij haar Britse echtgenoot verleend. Het vereiste van gelegaliseerde en geverifieerde aktes waaruit de familierelatie van EU-onderdanen zou moeten blijken is niet in overeenstemming met het gemeenschapsrecht. Voor zover verlangd kan worden dat een gelegaliseerde akte wordt overgelegd, wijst eiseres erop dat de Minister van Buitenlandse Zaken nog steeds geen instructies heeft gegeven om de praktijk inzake legalisatie en verificatie in overeenstemming te brengen met de communautaire regelgeving. In het ACV-advies inzake E is overwogen dat het beleid, van voorafgaande verificatie bij legalisatie, onverenigbaar is met de Richtlijn (EEG) nr. 68/360. Door bewust geen gevolg te geven aan rechterlijke uitspraken en een ACV-advies ongemotiveerd naast zich neer te leggen, om vervolgens in een zaak als de onderhavige de aanvraag af te wijzen wegens het ontbreken van een gelegaliseerde akte, terwijl verweerder weet dat de Minister van Buitenlandse Zaken de akten niet zal legaliseren zonder voorafgaande verificatie, is in strijd met het fair play beginsel. Daarnaast gaat verweerder voorbij aan de reikwijdte van hetgeen in de eerdergenoemde uitspraak van 23 januari 2001 is bepaald met betrekking tot de Legalisatiecirculaire van 12 januari 2000 en de onverenigbaarheid daarvan met het Verdrag van 14 maart 1978 inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken (Trb. 1978, 137) in werking getreden op 1 mei 1991 (Trb. 1991, 44) en de Wet Conflictenrecht Huwelijk van 7 september 1989 (Stb. 1989, 392). Deze uitspraak zal ook voor de toelating van vreemdelingen op grond van een met een Nederlander - of een in Nederland werkende Brit - gesloten huwelijk gevolgen dienen te hebben. Uitgangspunt blijft immers of in redelijkheid gesteld kan worden dat sprake is van een naar Nederlands internationaal privaatrecht als rechtsgeldig aan te merken huwelijk. Het kan niet zo zijn dat ten aanzien van de vaststelling van die rechtsgeldigheid in het kader van een toelatingsbeleid bewijsregels worden gehanteerd die afwijken van datgene wat in redelijkheid verlangd kan worden gelet op het bepaalde in genoemd Verdrag en de Wet Conflictenrecht Huwelijk.

Bij brief van 19 september 2001 heeft eiseres een brief aan de Nederlandse ambassade te Islamabad, Pakistan van 5 juli 2001, een brief aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 5 juli 2001 en een brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 6 augustus 2001 overgelegd. Uit deze correspondentie blijkt dat de Minister van Buitenlandse Zaken weigert tot de gevraagde (handtekening)legalisatie over te gaan van daartoe overgelegde nieuwe documenten waaruit de familiebetrekking van eiseres en haar dochter tot hun in Nederland wonende echtgenoot en vader blijkt, zonder voorafgaande inhoudelijke verificatie.

IV. OVERWEGINGEN

1. Het bestreden besluit is een besluit omtrent de afgifte van een visum. Dit besluit is genomen op basis van het Souverein Besluit van 12 december 1813. Op grond van artikel 72, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een dergelijk besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld met een besluit gegeven krachtens de Vw 2000. Deze rechtbank is derhalve bevoegd.

2. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

3. Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt getoetst aan dezelfde criteria als een aanvraag om een vergunning tot verblijf. Blijkens artikel 13 van de Vw 2000 geldt daarbij als uitgangspunt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts wordt ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel

internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

4. Op grond van artikel 10 van de Verordening (EEG) nr. 1612/68 mogen de echtgenoot en de kinderen van een onderdaan van een Lid-Staat, die werkzaam is op het grondgebied van een andere Lid-Staat, zich eveneens in die andere Lid-Staat vestigen, ongeacht hun nationaliteit.

Artikel 4 van de Richtlijn (EEG) nr. 68/360 bepaalt verder dat bij het vaststellen van het recht van verblijf en de afgifte van een verblijfskaart een Lid-Staat slechts mag vorderen dat een document wordt overgelegd, afgegeven door de bevoegde autoriteit van de Staat van oorsprong of van herkomst, waaruit hun familiebetrekking blijkt.

5. Referent, die de Britse nationaliteit heeft en werkzaam is in Nederland, dient ingevolge artikel

1, aanhef en onder e, alsmede artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000, te worden aangemerkt als een rechtmatig in Nederland verblijvende gemeenschapsonderdaan.

6. In hoofdstuk B10/5.1.1 van de Vc 2000 is opgenomen dat aan de echtgenote van een gemeenschapsonderdaan hier te lande verblijf kan worden toegestaan indien er een naar Nederlands (internationaal privaat)recht geldig huwelijk is gesloten. Het bestaan van een geldig huwelijk dient met officiële documenten te worden aangetoond.

In hoofdstuk B10/5.1.3 van de Vc 2000 is opgenomen dat minderjarige kinderen van een gemeenschapsonderdaan in het kader van gezinshereniging voor verblijf in aanmerking komen. De juridische band tussen de gemeenschapsonderdaan en het kind dient met officiële documenten te worden aangetoond.

7. Eiseres is op 20 december 1994 met referent in het huwelijk getreden. Op [...] 1997 is staande dit huwelijk C geboren. Terzake van de aanvraag om een mvv zijn de huwelijksakte en de geboorteakte overgelegd, welke door de Pakistaanse autoriteiten zijn gelegaliseerd.

8. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of het zich met het gemeenschapsrecht verdraagt dat verweerder verlangt dat de documenten die worden overgelegd ten bewijze van de juridische band, in deze de huwelijksakte en de geboorteakte, gelegaliseerd dienen te zijn door de Nederlandse autoriteiten.

Onder legalisatie van een buitenlands document dient te worden verstaan het door een bevoegde Nederlandse autoriteit voor echt verklaren van het desbetreffende document, opdat dat document kan worden toegelaten tot de Nederlandse rechtsorde. De beslissing wordt tot uitdrukking gebracht door middel van het plaatsen van een verklaring (stempel) op het document. De beslissing tot legalisatie is veelal gebaseerd op een onderzoek naar de handtekening en/of stempels van de plaatselijke autoriteiten op het desbetreffende stuk. Het gaat om de echtheid van de (uitwendige) vorm van het document.

De rechtbank is van oordeel dat het stellen van het vereiste dat de uit Pakistan afkomstige huwelijksakte en geboorteakte door de Nederlandse autoriteiten dienen te zijn gelegaliseerd noodzakelijk is om vast te stellen dat de bedoelde akten zijn afgegeven door de bevoegde autoriteiten in het land van herkomst, en dat dit vereiste als zodanig niet in strijd is met artikel 4 van de Richtlijn (EEG) nr. 68/360.

9. De rechtbank stelt vast dat eiseres noch ten tijde van de aanvraag noch ten tijde van het bestreden besluit, een gelegaliseerde huwelijksakte c.q. geboorteakte heeft overgelegd. Dit betekent dat verweerder niet heeft kunnen vaststellen dat de overgelegde documenten afkomstig zijn van de bevoegde Pakistaanse autoriteiten en derhalve evenmin heeft kunnen vaststellen dat aan eiseres en haar kind een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 10 van de Verordening (EEG) nr. 1612/68.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft kunnen beslissen dat aan eiseres geen mvv wordt verstrekt. De rechtbank laat daarbij in het midden of zij als echtgenote van een onderdaan van een Lid-Staat van de Europese Unie een mvv nodig heeft om voor het recht op verblijf hier te lande in aanmerking te komen.

10. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd richt zich met name op het door verweerder gevoerde legalisatiebeleid dat zijn grondslag heeft in de zogenoemde legalisatiecirculaire van 12 januari 2000 (kenmerk 5001966/99/6, opgenomen in de Vc 1994, Hoofdstuk C4), alsmede –wat de aanwijzing van probleemlanden betreft – in de Officiële Mededeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 7 maart 1996 (als bijlage 1 opgenomen in Hoofdstuk C4 van de Vc 1994).

De Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, heeft bij uitspraak van 18 februari 1999 (JV1999,76) overwogen dat een beslissing met betrekking tot de legalisatie (en eventueel verificatie) van buitenlandse documenten voor gebruik in het Nederlandse rechtsverkeer is, aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, te weten een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Tegen een dergelijke beslissing kan bezwaar worden gemaakt, waarna eventueel beroep mogelijk is bij de (algemene) bestuurs-rechter.

De vraag of het legalisatiebeleid van verweerder in strijd is met Richtlijn (EEG) nr. 68/360, zoals door eiseres gesteld, kan derhalve niet in deze procedure aan de orde komen. Voorts constateert de rechtbank dat in het beleid neergelegd in Hoofdstuk B10/5 van de Vc 2000 niet de eis van verificatie is neergelegd, zodat op dat punt reeds daarom niet van de door eiseres gestelde strijd met het gemeenschapsrecht kan worden gesproken.

11. Eiseres heeft gesteld dat verweerder in redelijkheid niet kan eisen gelegaliseerde akten over te leggen zolang verweerder niet de mogelijkheid opent – voor gemeenschapsonderdanen – van legalisatie zonder een voorafgaande verificatieprocedure. Dit standpunt kan de rechtbank niet delen. Daartoe is allereerst van belang dat eiseres in het geheel niet om legalisatie heeft verzocht, zodat van het voorgaande niet gebleken is, althans niet voorafgaande aan de bestreden beslissing. Uit de eerst na de bestreden beslissing verzochte legalisatie en het antwoord daarop van verweerder in de brief van 6 augustus 2001, alsmede uit het verweerschrift, blijkt wel dat verweerder dit standpunt inneemt. Tegen deze brief, die te beschouwen is als een weigering om tot legalisatie zonder voorafgaande verificatie over te gaan, is geen rechtsmiddel aangewend. Derhalve is dit standpunt niet in rechte bij de daartoe bevoegde rechter bestreden. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld worden dat gebleken is van de onmogelijkheid om gelegaliseerde documenten te verkrijgen.

12. Met verwijzing naar een uitspraak van de civiele kamer van de rechtbank Amsterdam, heeft eiseres betoogd dat het slechts gaat om de vraag of in redelijkheid kan worden gesteld dat er een naar Nederlands internationaal privaatrecht als rechtsgeldig aan te merken huwelijk is gesloten, en dat de eerdergenoemde legalisatiecirculaire in strijd is met het Verdrag van 14 maart 1978 inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken (Trb. 1978,137), alsmede met de Wet conflicten huwelijk van 7 september 1989 (Stb. 1989, 392). Op dit punt is de rechtbank van oordeel dat, wat er ook zij van de bedoelde uitspraak, aan een en ander niet afdoet dat altijd zal moeten worden vastgesteld of de in het geding zijnde huwelijksakte afkomstig is van de bevoegde autoriteiten en dat deze vaststelling nu juist kan plaatsvinden door legalisatie van een dergelijk document.

13. Niet is gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

14. De conclusie is dan ook dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

15. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

16. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

V. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, voorzitter, en mr. C.W. Rang en mr. B.E. Mildner, rechters, en uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2001, door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr J.Th.H. Zimmerman, griffier. De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 19 december 2001

Conc.:

Coll:

Bp: -

D: