Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AE0236

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
18-03-2002
Zaaknummer
AWB 00/75951 OVERIO
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / Reer Hamar.

Eiser is afkomstig uit Mogadishu en behoort tot de bevolkingsgroep der Reer Hamar. Hij is in 1995 uit Somalië naar Kenia gevlucht. Eiser beroept zich op de REK-uitspraak AWB 00/1790 van 14 juli 2000, waarin wordt overwogen dat een individueel lid van de bevolkingsgroep Reer Hamar reeds als vluchteling aangemerkt moet worden indien slechts in geringe mate blijkt van specifiek op de persoon gerichte daden van vervolging, die in verband kunnen worden gebracht met de etnische afkomst.

De rechtbank is van oordeel dat eiser genoegzaam heeft aangetoond dat er sprake is van op zijn persoon gerichte daden van vervolging, welke verband kunnen houden met zijn Reer Hamar-afkomst. Uit verklaringen van eiser is aannemelijk geworden dat hij een dusdanig opvallend persoon was in Mogadishu, dat juist eiser in de negatieve belangstelling stond van de twee sterkste clans. Hieraan doet niet af dat de op eiser gerichte aandacht mogelijk niet uitsluitend is ingegeven door het enkele feit dat hij tot de Reer Hamar behoort. Het bestreden besluit kent daarom een motiveringsgebrek waar het betreft het standpunt dat niet is voldaan aan het "singled-out“-vereiste in het kader van vluchtelingschap en het ontbreken van een 'real risk' op een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM.

Verweerder heeft in het bestreden besluit geen vluchtalternatief tegengeworpen, maar wel een verblijfsalternatief. Gelet daarop, gevoegd bij de visie van de UNHCR ter zake, gaat de rechtbank ervan uit dat ook verweerder aanneemt dat geen sprake is van een binnenlands vluchtalternatief. In het besluit in primo heeft verweerder in het kader van de vraag of aan eiser een vvtv zou moeten worden verleend, aan eiser de zogenaamde derdelandenexceptie tegengeworpen. Dat is echter noch in het besluit in primo, noch in het bestreden besluit gebeurd wat betreft de vraag of eiser zou moeten worden toegelaten als vluchteling. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verweerder er bewust van heeft afgezien om deze exceptie te hanteren in dat verband. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 00/75951 OVERIO

inzake: A, geboren op [...] 1953, van Somalische nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. A. Schuil, advocaat te ‘s-Gravenhage,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E.E. van der Kamp, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 10 oktober 1999 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij besluit van 4 april 2000, in persoon uitgereikt op 3 mei 2000, heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd vanwege de kennelijke ongegrondheid ervan en heeft verweerder ambtshalve overwogen geen aanleiding te zien een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij brief van 30 mei 2000 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 30 juni 2000. Het bezwaar is bij besluit van 24 november 2000 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 20 december 2000 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 18 januari 2001. Op 11 juni 2001 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 11 september 2001 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M.H. Hersi, tolk in de Somalische taal.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eiser legt primair aan het beroep ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling en subsidiair dat hij in aanmerking komt voor verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. Eiser heeft het volgende asielrelaas naar voren gebracht. Eiser is afkomstig uit Mogadishu en behoort tot de bevolkingsgroep der Reer Hamar.

Vanaf 1983 tot 1995 was eiser werkzaam als handelaar. Hij had een plantage met groenten en fruit, twee bussen voor personenvervoer tussen Mogadishu en Kismayo, een vrachtwagen en een kleine visserij. Door leden van de twee sterkste clans, Habar Gidir en Abgaal, werd eiser geregeld lastig gevallen, beroofd en met de dood bedreigd. Eiser is een aantal keren in zijn woning overvallen. Hierbij is een handgranaat gebruikt, waardoor eiser gewond raakte. Eiser werd bij deze aanval ook met een bajonet bedreigd. Ook op zijn boerderij in C werd eiser aangevallen, waarbij zijn wagens zijn geplunderd. Zijn boerderij is overgenomen, zijn twee bussen, personenauto’s en visserbootjes zijn geplunderd. In Mogadishu is eisers dochter door een aantal mannen van deze clans verkracht. Zij heeft hierdoor een infectie opgelopen en is hieraan in 1993 overleden.

Vanwege deze problemen is eiser in 1995 uit Somalië gevlucht en naar Kenia gegaan. Hij verbleef daar in het Benadir Refugee Camp (ook wel Saleh Ngoro Camp genaamd) te Mombasa. Dit kamp was met name voor de Reer Hamar-bevolking. Eiser heeft hier onder andere als vrijwilliger gewerkt bij de verdeling van voedsel en bij het invullen van de papieren voor vluchtelingen die door Amerika waren uitgenodigd naar dat land te komen. Eiser heeft zelf geprobeerd naar Amerika te emigreren, maar dit is echter niet gelukt.

Ook in Kenia had eiser problemen vanwege zijn Somalische afkomst. In 1998 is eiser opgepakt en in de gevangenis gezet omdat hij geen documenten bij zich had. Eiser is op 28 september 1999 per vliegtuig naar Nederland vertrokken.

Omdat eiser tot de bevolkingsgroep der Reer Hamar behoort, wordt hij in Somalië vervolgd. De door eiser en zijn gezin, tot aan zijn vertrek in 1995, ervaren gebeurtenissen in Somalië maken onderdeel uit van het doelbewuste plan van de plaatselijke machthebbers om het gebied etnisch te zuiveren. Eiser en zijn gezin zijn ernstig gediscrimineerd en slecht behandeld waardoor hun leven in Somalië onhoudbaar is geworden. Eiser kan niet terug naar Somalië omdat hij op grond van zijn afkomst bij de grotere clans in de negatieve belangstelling staat, waardoor de kans zeer reëel is dat eiser aan een mensonwaardige behandeling wordt onderworpen. Voorts is er voor eiser geen binnenlands vestigingsalternatief in Somalië. Er zijn nauwelijks Reer Hamar-leden achtergebleven in Somalië. Degenen die zijn achtergebleven, krijgen geen enkele clan-bescherming en hun bestaan wordt overal in Somalië gemarginaliseerd waardoor hun positie onhoudbaar wordt. De Rechtseenheidskamer vreemdelingenzaken (REK) heeft in haar uitspraak van 14 juli 2000 (AWB 00/1790) overwogen dat een individueel lid van de bevolkingsgroep Reer Hamar reeds als vluchteling aangemerkt moet worden indien slechts in geringe mate blijkt van specifiek op de persoon gerichte daden van vervolging, welke in verband kunnen worden gebracht met de etnische afkomst. Eiser heeft genoegzaam aangetoond, dan wel aannemelijk gemaakt dat hiervan in zijn geval sprake is. Eiser heeft traumatische ervaringen opgedaan, te weten de dood van zijn dochter, broer en vader, de opgelopen verwondingen en de langdurige scheiding van de rest van zijn familie.

Terugzending naar Somalië zou tevens schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) opleveren. Op grond van hetgeen eiser heeft aangevoerd, had verweerder eiser moeten horen.

2. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiser geen vluchteling is en niet in aanmerking komt voor verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. De REK is in de uitspraak van 14 juli 2000 niet tot het oordeel gekomen dat er objectieve aanknopingspunten zijn die tot de conclusie leiden dat sprake is van groepsvervolging van de Reer Hamar. Prima facie vluchtelingschap is derhalve niet aan de orde. Wel heeft de REK aangegeven dat de positie van de Reer Hamar zodanig is dat een individueel lid van deze bevolkingsgroep reeds als vluchteling moet worden aangemerkt indien slechts in geringe mate blijkt van specifiek op de persoon gerichte daden van vervolging, welke in verband kunnen worden gebracht met de etnische afkomst. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van specifiek op zijn persoon gerichte acties. Het voorgaande ziet bovendien slechts op hetgeen de Reer Hamar is overkomen in het als conflictgebied aangemerkte zuidelijke deel van Somalie. Uit de thans beschikbare informatie – verwezen wordt naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 februari 2000 (DPC/AM 668869/00) - komt naar voren dat personen die behoren tot de Reer Hamar wel degelijk binnen hun eigen land van herkomst een vestigingsalternatief hebben, te weten in het relatief veilige deel van Somalië. Gebleken is dat veel leden van minderheidsgroepen, onder wie de Reer Hamar, reeds naar het relatief veilige deel van Somalië zijn vertrokken, zonder toestemming te vragen aan de betreffende autoriteiten. Zo zijn Reer Hamar naar Puntland vertrokken, alwaar de autoriteiten zich op het standpunt stellen dat Somaliërs van elke afkomst welkom zijn en waar zij niet worden gediscrimineerd. Gebleken is dat leden van minderheidsgroepen aldaar vaak beter in staat zijn een nieuw bestaan op te bouwen. Meldingen van vervolging van minderheden door lokale en regionale besturen of door de bevolking zijn niet bekend en het bestuur ter plaatse blijkt in staat te zijn hiertegen effectief bescherming te bieden, zelfs onafhankelijk van de vraag of de betrokken minderheden de specifieke bescherming genieten van een Somali-clan. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden bestaat geen vermoeden dat van leden van de Reer Hamar, zoals eiser, niet verwacht kan worden terug te keren naar dat deel van hun land van herkomst. Temeer niet omdat eiser reeds gedurende de meer dan substantiële periode van 1995 tot en met 1999 in staat is geweest zich te handhaven in een voor hem onbekend land, te weten Kenia. Van eiser mag worden verlangd zich serieuze inspanning te getroosten om te trachten in het veilige deel van zijn eigen land zijn bestaan voort te zetten en inhoud te geven. Gelet op het voorgaande kan eiser niet als vluchteling worden beschouwd en derhalve niet als zodanig worden toegelaten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of gekomen op grond waarvan eiser om klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit moet worden gesteld van een vergunning tot verblijf. Vooropgesteld wordt dat de algehele situatie in Somalië niet zodanig is dat van asielzoekers die uit dit land afkomstig zijn, niet gevergd kan worden dat zij aantonen dat er ten aanzien van hen daadwerkelijk concrete redenen zijn gelegen in hun persoonlijke feiten en omstandigheden, die de conclusie rechtvaardigen dat voor hen bij terugkeer naar Somalië een reëel gevaar bestaat op een zodanige behandeling dat verwijdering naar dat land, temeer waar het gaat om het relatief veilige deel ervan, in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Nu eiser dergelijke concrete redenen aannemelijk heeft gemaakt noch heeft aangetoond, faalt een beroep op artikel 3 van het EVRM. Eiser komt niet in aanmerking voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, nu hij niet behoort tot de categorieën Somalische asielzoekers aan wie op basis van het thans geldende beleid een dergelijke vergunning wordt verleend.

Gelet op het bepaalde in artikel 32, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) bestaat geen verplichting tot het horen van eiser, evenmin wordt dit door de zorgvuldigheid gevorderd.

In het verweerschrift heeft verweerder nog naar voren gebracht dat, zoals in het besluit in primo is overwogen, eisers enkele stelling dat er sprake is van een trauma niet wordt gevolgd, nu eiser deze stelling ook in beroep niet motiveert en er ook overigens geen aanwijzingen voor een trauma bestaan.

Eisers stelling dat de Reer Hamar geen vestigingsalternatief in Noord-Somalië hebben dient te falen. Verweerder heeft er van uit mogen gaan dat eiser een, naar huidige terminologie, verblijfsalternatief in het noorden van Somalië heeft.

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde medegedeeld dat met de passages over Kenia in het bestreden besluit geen derde-landen-exceptie is tegengeworpen. Eiser heeft daarop zijn grieven op dit punt laten vallen.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Het bestreden besluit dateert van 24 december 2000. Het is derhalve genomen vóór inwerkingtreding van de Vw 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, Stb. 495) op basis van de Vw (Wet van 13 januari 1965, Stb. 40) en aanverwante regelingen. Behoudens mogelijke toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 zal de rechtmatigheid van het besluit derhalve worden getoetst aan de Vw en aanverwante regelingen.

3. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 15 van de Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

4. De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de politieke- en mensenrechtensituatie in Somalië zodanig is dat alle asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling moeten worden aangemerkt. Aannemelijk zal moeten zijn dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan, waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

5. Met betrekking tot de vraag of eiser een geslaagd beroep op vluchtelingschap kan doen, overweegt de rechtbank als volgt.

6. In eerdergenoemde uitspraak van 14 juli 2000 (onder andere gepubliceerd in NAV 2000, 160) heeft de REK overwogen dat de positie van de Reer Hamar zodanig is dat een individueel lid van deze bevolkingsgroep reeds als vluchteling moet worden aangemerkt indien slechts in geringe mate blijkt van op de persoon gerichte daden van vervolging, welke in verband kunnen worden gebracht met de etnische afkomst. De rechtbank sluit zich hierbij aan.

7. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser genoegzaam heeft aangetoond dat er sprake is van op zijn persoon gerichte daden van vervolging, welke verband kunnen houden met zijn Reer Hamar-afkomst. Op grond van hetgeen eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard, is aannemelijk geworden dat eiser een dusdanig opvallend persoon was in Mogadishu, dat juist hij in de negatieve belangstelling stond van de twee sterkste clans. Hieraan doet niet af dat de op eiser gerichte aandacht mogelijk niet uitsluitend is ingegeven door het enkele feit dat hij tot de Reer Hamar behoort. Het bestreden besluit kent daarom een motiveringsgebrek waar het betreft het standpunt dat niet is voldaan aan het „singled-out“ vereiste in het kader van vluchtelingschap en het ontbreken van een „real risk“ op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

8. Verweerder heeft in het bestreden besluit geen vluchtalternatief tegengeworpen, maar wel een verblijfsalternatief. Gelet daarop, gevoegd bij de visie van de UNHCR ter zake, gaat de rechtbank ervan uit dat ook verweerder aanneemt dat geen sprake is van een binnenlands vluchtalternatief.

In het besluit in primo heeft verweerder in het kader van de vraag of aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) zou moeten worden verleend, aan eiser de zogenaamde „derde landen-exceptie“ tegengeworpen. Dat is echter noch in het besluit in primo, noch in het bestreden besluit gebeurd wat betreft de vraag of eiser zou moeten worden toegelaten als vluchteling. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verweerder er bewust van heeft afgezien om deze exceptie te hanteren in dat verband.

9. De rechtbank ziet geen grond om thans zelf in de zaak te voorzien. Niet alleen is daarom van de zijde van eiser niet verzocht, verweerder is ook nog niet ingegaan op de vraag of sprake is van contra-indicaties. Het bestreden besluit zal derhalve door de rechtbank worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, onder opdracht aan verweerder om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

10. Gelet op het vorenstaande kan en zal de rechtbank in het midden laten of verweerders weigering aan eiser een vvtv te verlenen rechtmatig was.

11. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f 1.420 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

12. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.420,-- (zegge: veertienhonderdtwintig gulden) te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 50 ,-- (zegge: vijftig gulden).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2001, door

mr. H.P.M. Meskers, voorzitter, mr. H.J. Tijselink en mr. W.J. van Bennekom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.J. van de Pol, griffier.

Afschrift verzonden op: 18 januari 2002

Conc: PP

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.