Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AE0028

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2001
Datum publicatie
11-03-2002
Zaaknummer
AWB 00/75942
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 00/75942 VRWET

inzake: A, geboren op [...] 1963, van Turkse nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. C. Brand, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie (IND).

I. PROCESVERLOOP

1. Bij brief van 25 mei 1999 heeft eiser bij de korpschef van de politieregio Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 9 juli 1999 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Bij bezwaarschrift van 23 juli 1999 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 23 augustus 1999.

2. Bij brief van 19 oktober 1999 - door verweerder ontvangen op 20 oktober 1999 - heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van de Tijdelijke regeling witte illegalen. Bij besluit van 10 juli 2000 heeft verweerder het bezwaar tegen de buiten behandelingstelling van de aanvraag van 25 mei 1999 gegrond verklaard, de aanvraag in behandeling genomen en de aanvragen van 25 mei 1999 en 20 oktober 1999 niet ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 24 juli 2000 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 22 augustus 2000. Het bezwaar is bij besluit van 23 november 2000 kennelijk ongegrond verklaard.

3. Bij beroepschrift van 19 december 2000 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 16 januari 2001. Op 13 maart 2001 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 18 september 2001 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiser heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij brief van 22 november 2001.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.M. Oldenburg, kantoorgenote van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

5. De rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 30 november 2001 beslist dat de door eiser meegebrachte getuigen niet ter zitting zullen worden gehoord. Aan partijen is medegedeeld dat indien de rechtbank na sluiting van het onderzoek tot de conclusie mocht komen dat het horen van de door eiser opgeroepen getuigen redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, het onderzoek heropend zal worden dan wel dat het bestreden besluit zal worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen de getuigen te horen.

II. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf. Eiser kan geen geslaagd beroep doen op het beleid inzake de Tijdelijke regeling witte illegalen, neergelegd in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23. Eiser heeft niet door middel van objectieve en verifieerbare bescheiden aangetoond dat hij in de periode van 1 januari 1992 tot 12 april 1992 en in de periode van 1 januari 1993 tot november 1998 onafgebroken in Nederland heeft verbleven. Eiser heeft geen uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) overgelegd waaruit blijkt dat hij sedert 1 januari 1992 onafgebroken in Nederland verblijft. De overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen worden niet ondersteund door een overzicht van historische adresgegevens, waaruit blijkt dat de getuige zelf op dat moment in Nederland verbleef. Daarnaast vindt de inhoud van de getuigenverklaringen geen bevestiging in objectieve en verifieerbare bron en zijn deze bovendien te vaag en te weinig concreet. Gelet op de lange periode acht verweerder de gegevens die eiser heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling ontoereikend. In het bijzonder zijn slechts summiere gegevens over de perioden van 14 april 1992 tot 31 december 1992 overgelegd. Eiser heeft geen nadere stukken over de periode van 1 januari 1992 tot 13 april 1992 en van 1 januari 1993 tot november 1998 overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. Met de door eiser aangevoerde omstandigheden te weten: de verblijfsduur hier te lande, inburgering in de Nederlandse samenleving, de mate van ontvreemding van het herkomstland en uit al het voorgaande voortvloeiende bijzondere hardheid bij de eventuele gedwongen terugkeer, is reeds bij de totstandkoming van TBV1999/23 rekening gehouden. Van overige zeer bijzondere omstandigheden - die tot afwijking van het geldende beleid zouden moeten nopen - is niet gebleken.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte een vergunning tot verblijf heeft geweigerd. Eiser is van mening dat uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat hij in ieder geval sedert begin 1989 in Nederland verblijft. Blijkens artikel 11, eerst lid, van het Burgerlijk Wetboek verliest iemand zijn woonplaats door daden waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Daarvan is in het geval van eiser niet gebleken. Eiser heeft alleen korte periodes in 1997 en 1998 in Duitsland en Turkije verbleven. Verweerder heeft ten onrechte de door eiser overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen buiten beschouwing gelaten. Bewijs kan immers in het civiele en bestuursrecht ook door getuigen worden geleverd. De gedachtegang dat verweerder meer waarde hecht aan een uittreksel uit de GBA kan niet worden gevolgd. Immers een doorlopende inschrijving in de GBA zegt niets omtrent het werkelijke verblijf van een vreemdeling. Verweerder kan getuigenverklaringen gemakkelijk verifiëren tijdens een hoorzitting van een ambtelijke commissie. Voorts bestond er voor verweerder aanleiding gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegd. Eiser verblijft al sinds 1988 in Nederland, derhalve langer dan vanaf 1 januari 1992.

Eiser heeft bij brief van 22 november 2001 verzocht om de heer Ruud Verharen, bedrijfsleider bij Constar, de werkgever van eiser; H.S. Senyurek; E. Yeniah, eigenaar van loonbedrijf E.Yeniah, een voormalig werkgever van eiser en mevrouw C, voormalig partner van eiser, ter zitting door de rechtbank te horen.

III. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000), Stb. 2000, 495. Nu het bestreden besluit is bekend gemaakt voor 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het voor die datum geldende recht van toepassing.

2. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

3. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw 1965 kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

4. Het toepasselijke beleid is neergelegd in TBV 1999/23, geldig van 1 oktober 1999 tot 1 december 1999. Volgens deze regeling kan een vreemdeling die een beroep doet op de Tijdelijke regeling witte illegalen aan de commissie van burgemeesters een advies vragen over de mate van inburgering. Dat verzoek om een advies wordt ingevolge TBV 1999/23 slechts in behandeling genomen indien wordt voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

1. Het verzoek moet tussen 1 oktober 1999 en 1 december 1999 worden ingediend en zijn ontvangen bij de IND;

2. De vreemdeling dient aan te tonen dat hij vanaf 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats in Nederland heeft gehad;

3. De vreemdeling moet in elk geval vanaf 1 januari 1992 tot 1 juli 1998 (rechtmatig) in het bezit zijn geweest van een sofinummer;

4. De vreemdeling moet in het bezit zijn van een geldig paspoort;

5. De vreemdeling mag gedurende de onder 2. genoemde periode niet Nederland zijn uitgezet;

6. De vreemdeling mag niet in het bezit zijn geweest of gebruik hebben gemaakt van (ver)vals(t)e documenten;

7. De vreemdeling mag geen onjuiste gegevens hebben verstrekt;

8. Er mag geen sprake zijn van criminele antecedenten.

5. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat niet voldaan werd aan voorwaarde 2.

6. De rechtbank heeft reeds in eerdere uitspraken geoordeeld dat het hiervoor genoemde beleid in zijn algemeenheid niet kennelijk onredelijk geacht kan worden.

7. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in casu niet wordt voldaan aan de tweede voorwaarde neergelegd in het bovenomschreven beleid omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij vanaf 1 januari 1992 tot 13 april 1992 en van 1 januari 1993 tot november 1998 onafgebroken in Nederland heeft gewoond. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder eiser bij brief van 18 april 2000 om nadere bewijsstukken heeft gevraagd omtrent zijn verblijf, gelet op de omstandigheid dat uit het paspoort van eiser bleek dat hij op 2 mei 1997 zijn paspoort te Yozgat heeft verlengd, dat op 6 mei 1997 aan eiser een visum is verstrekt door de Duitse ambassade te Ankara, dat eiser op 15 mei 1997 Turkije is uitgereisd en op 22 mei 1997 weer is ingereisd, en dat het paspoort op 2 september 1998 wederom te Yozgat is verlengd, waarna op 21 september 1998 wederom een visum is verstrekt door de Duitse ambassade te Ankara waarna betrokkene Turkije op 2 oktober 1998 is uitgereisd. Eiser heeft in antwoord op de brief van verweerder van 18 april 2000 met betrekking tot voornoemde periodes alleen drie getuigenverklaringen overgelegd en niet aangegeven hoe lang hij in Turkije heeft verbleven in de door verweerder aangegeven perioden. In bezwaar en in beroep heeft eiser daar niets aan toegevoegd. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de inhoud van de getuigenverklaringen te vaag en te weinig concreet is om als toereikend bewijs voor verblijf in de betrokken perioden te kunnen worden aangemerkt. Bovendien wordt de inhoud van de getuigenverklaringen niet bevestigd door objectieve en verifieerbare bronnen of bewijsstukken.

Met verweerder neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat met de getuigenverklaringen wordt beoogd het ononderbroken verblijf gedurende een lange periode, meer dan zes jaar, te bewijzen. Vaststaat dat eiser in die zes jaren in ieder geval twee maal naar Turkije is gereisd. In de getuigenverklaringen moet de betrokken getuige kunnen bevestigen dat eiser in die jaren niet gedurende een periode van drie maanden of langer uit het oog van de betrokken getuige is geweest. Nu de getuigenverklaringen zich daar niet over uitlaten en evenmin is aangegeven dat en waarom de betrokken getuigen met zekerheid kunnen bevestigen dat eiser niet langer dan drie maanden uit Nederland is geweest, zijn deze verklaringen onvoldoende ter onderbouwing van de stelling van eiser dat hij gedurende bedoelde perioden ook ononderbroken woonplaats heeft gehad in Nederland. Verweerder heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden, zoals neergelegd in TBV 1999/23.

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het horen van de door eiser opgeroepen getuigen redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ziet de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen dan wel het bestreden besluit te vernietigen om de getuigen hetzij zelf dan wel door verweerder te laten horen.

Voor wat betreft de getuige Verharen geldt voorts dat er ten tijde van het bestreden besluit geen schriftelijke getuigenverklaring van deze getuige was overgelegd, zodat de goede procesorde zich ertegen verzet dat deze getuige alsnog aan het bewijs zou kunnen bijdragen. Dit geldt te meer waar eiser in antwoord op de brief van verweerder van 18 april 2000, waarin verweerder verzocht om nader bewijs van verblijf in de betrokken perioden, wel verklaringen van de eerdergenoemde drie getuigen heeft opgestuurd, doch niet een verklaring van deze getuige en evenmin heeft aangegeven waarom zulks destijds dan wel in de bezwaarfase niet mogelijk was.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft kunnen beslissen geen gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die in het beleid niet reeds zijn verdisconteerd.

10. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep niet kan slagen.

11. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

IV. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2001, door

mr. Y.A.A.G. de Vries, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. van Duinen, griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 31 december 2001

Conc.: AvDu

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open