Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD9299

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2001
Datum publicatie
15-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/8570
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / arbeid als zelfstandige.

Verzoekster, een Russische, heeft een aanvraag gedaan om verlening van een vtv arbeid als zelfstandige. De aanvraag is buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een geldige mvv.

Verzoekster beroept zich op de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en de Russische Federatie.

De stelling dat verzoekster vrijstelling dient te worden verleend op grond van deze overeenkomst volgt de president niet. Nu niet is gebleken dat verzoekster een sleutelpositie in een Russische vennootschap vervult, nog afgezien van het feit dat het door een vennootschap verlenen van diensten als prostituée niet valt onder de reikwijdte van de overeenkomst, kan zij geen rechten ontlenen aan de overeenkomst. Afwijzing verzoek, bezwaar ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

President

regnr.: Awb 01/8570

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1970,

verblijvende te B,

van Russische nationaliteit,

IND dossiernummer 0103.02.8006,

gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen, advocaat te Winschoten;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door S. Raterink,

ambtenaar ten departemente.

Procesverloop

1.1 Op 5 januari 2001 heeft verzoekster een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf onder de beperking arbeid als zelfstandige ingediend. Bij beschikking van 12 februari 2001 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Daartegen heeft verzoekster bij brief van 26 februari 2001 bezwaar gemaakt.

1.2 Op 12 februari 2001 is aan verzoekster meegedeeld dat de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag worden afgewacht. Bij verzoekschrift van 26 februari 2001 heeft verzoekster de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in bezwaar is beslist. Het verzoek is ter zitting van 30 november 2001 behandeld. Verzoekster noch haar gemachtigde zijn daarbij verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Toetsingskader

2.1 De president stelt vast dat voldaan wordt aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb). De president zal toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Op grond van artikel 117, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 wordt deze aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Voor wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken alsmede voor de behandeling daarvan blijft op grond van artikel 118 Vw 2000 het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 april 2001.

Standpunten

3.1 Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat verzoekster niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Niet gesteld danwel onvoldoende aangetoond is dat zij in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste. Verzoekster heeft weliswaar aangevoerd dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, maar zij heeft dit in het geheel niet gemotiveerd.

3.2 Verzoekster stelt zich op het volgende standpunt.

Verzoekster beroept zich op de Europa-Overeenkomst, waaruit een rechtstreeks recht op toelating kan worden afgeleid. Prostitutie is een economische activiteit die valt onder de reikwijdte van de Overeenkomst. Het stellen van de mvv-eis is niet in overeenstemming met de Overeenkomst nu hierin is gesteld dat geen zwaardere of andere eisen mogen worden opgelegd dan aan de eigen onderdanen.

3.3 In het verweerschrift merkt verweerder nog het volgende op.

Gelet op de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 4 januari 2001 (JB 2001,36), hangt de rechtmatigheid van het besluit tot buitenbehandelingstelling af van het antwoord op de vraag of de vreemdeling ten tijde van de buitenbehandelingstelling voldoende onderbouwd had dat zij een beroep kon doen op één van de vrijstellingscategorieën van artikel 16a, derde lid, Vw, danwel artikel 16a, zesde lid, Vw.

In bezwaar heeft verzoekster zich beroepen op "de Europa-Overeenkomst (de zgn Associatieverdragen". Voor zover zij meent dat de zogenoemde Associatie-verdragen -gesloten tussen de Europese Unie, de Lidstaten en de Oost-Europese landen- in één Overeenkomst gebundeld zijn en aan alle Oost-Europese onderdanen dezelfde rechten verlenen, is dit in strijd met het (EU-)recht.

De Europese Unie heeft met de Russische Federatie een 'Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking' gesloten (Publicatieblad EU, nr L327 van 28 november 1997, pagina 0003-0069). Met inachtneming van wettelijke regelingen, voorwaarden en procedures geldig in de Lidstaten verleent deze Overeenkomst vestigingsrechten aan de Russische vennootschappen, die tot het gebied van een Lidstaat worden toegelaten. Voorts zijn er bepalingen opgenomen met betrekking tot een aantal diensten, die de Russische vennootschappen in een Lidstaat mogen verlenen, waarbij bedoelde diensten limitatief zijn opgesomd. Het verlenen van diensten als zelfstandige prostituée, die verzoekster in Nederland beoogt aan te bieden, vallen niet onder de reikwijdte van de Overeenkomst.

Verzoekster miskent dat genoemde Overeenkomst aan Russische onderdanen geen recht op vestiging in de Europese Unie verleent. Het recht op toelating van een Russische onderdaan kan slechts uit het ruimer geformuleerde recht op vestiging van een vennootschap voortvloeien, omdat de vennootschap onderdanen met een sleutelpositie in de organisatie naar de Lidstaat kan meenemen.

Uit dit alles valt af te leiden dat uit de Overeenkomst met de Russische Federatie geen recht op verblijf voortvloeit en dat zij zich niet op het non-discriminatiebeginsel uit het Europese recht kan beroepen.

Verzoekster heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule, maar in bezwaar heeft zij geen feiten en omstandigheden aangevoerd, die dit beroep onderbouwen.

Niet is gebleken dat een beroep is gedaan op een van de vrijstellingscategorieën, zodat de aanvraag van verzoekster terecht buiten behandeling is gesteld.

Overwegingen

4.1 Artikel 4:5, eerste lid, Awb bepaalt dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad om binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

De strekking van artikel 4:5 Awb maakt dat dit een bijzonder type besluit is, nu met het nemen van het besluit door het bestuursorgaan de aanvraag buiten behandeling te laten in beginsel een eind komt aan het besluitvormingstraject.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 4 januari 2001 (JB 2001,36) is de president van oordeel dat, gelet op deze bijzondere strekking, de beslissing van verweerder om de aanvraag van verzoekster buiten behandeling te stellen, ex tunc getoetst dient te worden en derhalve met inachtneming van het op dat moment geldende recht. Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek zal de president dan ook uitgaan van hetgeen is opgenomen in de Vreemdelingenwet 1965 (Vw). De president toetst in casu de toepassing van artikel 16a, eerste lid, Vw, dat bepaalt dat een aanvraag om toelating slechts in behandeling wordt genomen, indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv.

In aansluiting op de uitspraak van de Rechtseenheidskamer (REK) van deze rechtbank van 5 juni 2001 (JV 2001,167), overweegt de president dat indien en voor zover een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule ex artikel 16a, zesde lid, Vw, de hieraan ten grondslag liggende bijzondere individuele omstandigheden, gelet op de aard van de hardheidsclausule, dienen te worden heroverwogen in bezwaar.

De president zal toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

4.2 Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

4.3 De president oordeelt als volgt.

Artikel 16a, eerste lid, Vw bepaalt dat een aanvraag om toelating slechts in behandeling wordt genomen, indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv, welke hij heeft aangevraagd bij en welke hem verstrekt is door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van zijn herkomst of het land van zijn bestendig verblijf.

Artikel 16a, derde lid, Vw noemt enkele categorieën van vreemdelingen die worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Ook artikel 52a Vb noemt een aantal gevallen waarbij vrijstelling plaatsvindt. Artikel 16a, zesde lid, Vw, bepaalt dat buiten de in het tweede, derde en vierde lid bepaalde gevallen in zeer bijzondere individuele gevallen voor het in behandeling nemen van de aanvraag om toelating kan worden afgezien van het eisen van het bezit van een geldige mvv. Deze bepaling wordt aangeduid als "hardheidsclausule".

4.4 De president overweegt dat, nu verzoekster geen gemotiveerd beroep heeft gedaan op de zogenaamde hardheidsclausule, onbesproken kan blijven of het onverkort vasthouden aan het mvv-vereiste in het geval van verzoekster niet van een zodanige bijzondere hardheid is dat verweerder aan dat vereiste in redelijkheid niet meer zou mogen vasthouden.

4.5 Niet is gebleken dat verzoekster valt onder één van de categorieën van personen die zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste. Dat verzoekster vrijstelling dient te worden verleend op grond van de Associatieovereenkomst EG-Russische Federatie, zoals verzoekster heeft gesteld, volgt de president niet. Genoemde overeenkomst verleent, met inachtneming van wettelijke regelingen, voorwaarden en procedures, vestigingsrechten aan Russische vennootschappen die tot het grondgebied van een lidstaat worden toegelaten. Deze vennootschappen mogen een beperkt aantal diensten verlenen, waarbij moet worden opgemerkt dat het verlenen van diensten als prostituée niet is opgenomen in de terzake geldende limitatieve opsomming.

Slechts uit dit ruimer geformuleerde recht op vestiging van een vennootschap kan het recht op toelating van Russische onderdanen op basis van de Associatieovereenkomst voortvloeien. Indien een vennootschap uit de Russische Federatie zich (tevens) vestigt in een lidstaat van de EG, dan mag deze bepaalde werknemers van Russische nationaliteit, die een sleutelpositie in de organisatie vervullen, meenemen.

Nu niet is gebleken dat verzoekster een sleutelpositie in een Russische vennootschap vervult, nog afgezien van het feit dat het door een vennootschap verlenen van diensten als prostituée niet valt onder de reikwijdte van de overeenkomst, kan zij geen rechten ontlenen aan de Associatie-overeenkomst.

4.6 Gelet op vorenstaande is de president van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten de aanvraag van verzoekster conform artikel 4:5 Awb buiten behandeling te stellen.

4.7 Al het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft kunnen besluiten de uitzetting niet achterwege te laten. De gevraagde voorziening moet daarom worden geweigerd.

4.8 De president is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet tot een andere uitkomst zal leiden. De president zal daarom, met toepassing van artikel 33b Vw 1965, tevens het bezwaar ongegrond verklaren.

4.9 Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.

Beslissing

De president

* wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

* verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. T.M.L. Veen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier op 14 december 2001.

_________________________________________________________________________

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 14 december 2001