Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD9292

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2001
Datum publicatie
15-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/63721 BEPTDN
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AE0458
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / Bajuni / verblijfsalternatief.

De rechtbank is niet van oordeel dat eiser een verblijfsalternatief heeft in het relatief veilige deel van Somalië.

Gelet op het feit dat verweerder zelf in de beleidsbrief van 24 september 2001 met betrekking tot de veiligheid in de gebieden waarvoor een verblijfsalternatief wordt aangenomen een kanttekening maakt in die zin dat die veiligheid afhankelijk is van de kracht van de lokale of regionale besturen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer van een veilig verblijfsalternatief worden uitgegaan. Daar komt bij dat de Bajuni volgens Amnesty International een extra kwetsbare groep vormen, omdat zij ongewapend zijn en niet kunnen rekenen op de bescherming van een gewapende clan. De kwetsbaarheid van de Bajuni als groep is door verweerder op zichzelf niet bestreden. Verweerder acht evenwel clanbescherming niet (meer) nodig.

Met betrekking tot de situatie in Puntland heeft verweerder op basis van de overgelegde telefoonnotitie van 12 september 2001 aangenomen dat de situatie vanaf 10 augustus 2001 rustig is gebleven. Evenwel blijkt uit de van de kant van eiser overgelegde rapportages van de BBC-News van eind november 2001, naar het oordeel van de rechtbank, bepaald niet van een stabiele situatie.

De rechtbank voegt aan het vorenstaande nog toe dat blijkens TBV 2001/35 aan groepen die volgens het ambtsbericht van 12 juni 2001 hun traditionele woongebied niet in het relatief veilige gebied of overgangsgebied hebben (zoals de Reer Hamar en de Bajuni), in beginsel geen vlucht- of vestigingsalternatief in dat gebied wordt tegengeworpen.

Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom eiser zich ondanks andersluidende informatie wel veilig in de zogenoemde veilige gebieden van Somalië zou kunnen vestigen, zodat het bestreden besluit een afdoende motivering ontbeert. Beroep gegrond.

(Zie ook uitspraak ABRS 200106209/1 d.d. 31 januari 2002).

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 01/63721 BEPTDN

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A,

geboren op [...] 1975,

van Somalische nationaliteit,

IND-dossiernummer: 0111.25.8017

eiser,

gemachtigde: mr. K.J. Meijer, advocaat te St. Annaparochie ,

en DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ‘s-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. D.W. Stevens, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1 Op 25 november 2001 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 28 november 2001 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2 Bij beroepschrift van 28 november 2001 heeft eiser tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld. De nadere gronden zijn ingediend bij brief van 4 december 2001.

1.3 De rechtbank heeft op de voet van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de zaak versneld wordt behandeld. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 7 december 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is onder meer van belang of verweerder de aanvraag zonder schending van eisen van zorgvuldigheid in het kader van de AC-procedure heeft kunnen afwijzen.

Feiten en standpunten van partijen

2.2 Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het navolgende ten grondslag gelegd.

Eiser heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de bevolkingsgroep der Bajuni. Eiser heeft Somalië verlaten toen hij vijf jaar oud was. Eiser verbleef sindsdien in Abu-Dubai in de Verenigde Arabische Emiraten. Eiser werkte daar van 1993 tot 1996 als pompbediende. Omdat er geen werk meer voor hem was werd hij in 1997 ontslagen. Begin 1998 is eiser teruggekeerd naar Kismayo in Somalië. Ook in Somalië kon eiser geen werk vinden. De economie is er slecht en als lid van een minderheidsclan maakt eiser geen kans op een baan. Bovendien is Somalië onveilig. Eiser werd lastiggevallen door leden van de Majerteen, de Ogadin, de Dulbahnte en de Marehan. Deze clanleden woonden in eisers omgeving. Zij maakten eiser het leven zuur en onmogelijk. Eiser heeft Somalië in januari 2001 verlaten.

2.3 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Voorts meent verweerder dat de aanvraag binnen achtenveertig proces-uren kon worden afgewezen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser Somalië louter om economische redenen heeft verlaten. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij als etnische Bajuni problemen heeft ondervonden, maar hij is nooit lastiggevallen door leden van andere stammen. Ook overigens is niet gebleken van een bovenmatige belangstelling van de (wisselende) machthebbers in de woonplaats van eiser. Dat eiser slachtoffer zou kunnen worden van acties van leden van andere stammen berust slechts op vermoedens. Evenmin is eisers leven tengevolge van discriminatie onhoudbaar geworden.

Verweerder heeft voorts overwogen dat terugkeer van eiser niet van bijzondere hardheid is. Onder verwijzing naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 juni 2001 (DPC/AM-676400-01) en de brief van verweerder van 24 september 2001 (nr. 606) aan de Voorzitter van de Tweede Kamer moet worden aangenomen dat leden van minderheidsclans zoals de Bajuni een verblijfsalternatief hebben in de relatief veilige gebieden in Somalië.

2.4 Eiser stelt zich op het standpunt dat eiser geen vestigingsalternatief in andere delen van Somalië heeft. Eiser heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen van 23 oktober 2001,waarin is overwogen dat de informatie in de ambtsberichten te summier is om een vestigingsalternatief aan te kunnen nemen en dat door verweerder onvoldoende is ingegaan op informatie van Amnesty International (te weten een tweetal brieven van 13 juli 2001 en 3 oktober 2001). Verweerder is van oordeel dat de algemene informatie van Amnesty International reeds in het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 juni 2001 is verwerkt en dat hetgeen door Amnesty International wordt beschreven over de gebeurtenissen in Puntland en Somaliland, welke hebben plaatsgevonden na voornoemd ambtsbericht, als incidenten zijn te duiden en derhalve om die reden niet relevant zijn. Ook de informatie van de BBC van 21 en 23 november 2001, welke door eiser is aangehaald, aangaande een machtswisseling in de plaats Garowe in Puntland, wordt door verweerder geduid als van incidentele aard en niet relevant voor de beantwoording van de algemene veiligheidssituatie in het relatief veilige gebied van Somalië.

Ter zitting is door eiser gewezen op het feit dat verweerder ten tijde van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 19 april 2001, gepubliceerd in NAV 2001/183, aan de Bajuni geen vestigingsalternatief in Noord Somalië heeft tegengeworpen, hoewel in het ambtsbericht van 16 februari 2000 reeds melding werd gemaakt van een toenemende effectiviteit van de regionale besturen in het handhaven van de veiligheid. Uit het ambtsbericht van 12 juni 2001 blijkt dat de Bajuni in Puntland en Somaliland niet voorkomen. Hieruit moet, volgens eiser, worden afgeleid dat de Bajuni dus niet over gemeenschaps- of andere voor een vestigingsalternatief relevante banden beschikken, zodat aan hen, gelet op het belang dat UNHCR daar aan hecht, geen vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. Kennelijk als uitvloeisel van verweerders beleidsbrief omrent het categoriaal beschermingsbeleid van 1 juni 2001, heeft verweerder zich thans op het standpunt gesteld dat vorenbedoelde banden ook niet meer nodig zijn om een vestigingsalternatief te kunnen aannemen.

Verweerder heeft dit laatste ter zitting van 7 december 2001 in grote lijnen bevestigd. Onder verwijzing naar laatstbedoeld ambtsbericht, in samenhang met de beleidsbrief van 24 september 2001, stelt verweerder zich op het standpunt dat de betreffende gebieden voldoende veilig zijn om zonder clanbescherming te kunnen verblijven, hoewel de mate van veiligheid afhankelijk is van de kracht van de lokale of regionale besturen. Er is geen sprake van discriminatie van zodanige aard dat dit vluchtelingenrechtelijke relevantie heeft en er zijn evenmin aanwijzigen dat in de veilige gebieden sprake is van een humanitaire noodsituatie.

Naar ter zitting door de gemachtigde van verweerder is bevestigd, is voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief niet vereist dat sprake is van banden.

Met betrekking tot de door eiser gemelde incidenten, blijkend uit BBC-rapportages van eind november 2001, heeft verweerders gemachtigde aangegeven dat de daarin vermelde ongeregeldheden een gevolg zijn van activiteiten van demonstranten of mensen die opponeren tegen de zittende machthebbers en dat hieruit derhalve niet kan worden afgeleid dat mensen die zich „rustig“ houden zich niet in de betreffende gebieden kunnen vestigen, nog daargelaten dat omtrent de zich in de Centraal Somalië gelegen provincies Hiiran en Galgadud geen berichten over mensenrechtenschendingen bekend zijn.

Beoordeling van het beroep

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, en c Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.6 Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

2.7 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Somalië zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

2.8 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank neemt de overwegingen van verweerder dienaangaande, weergegeven in rechtsoverweging 2.3 van deze uitspraak, geheel over.

Eiser kan derhalve niet aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 een aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

2.9 Het is, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk dat eiser gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zodat eiser aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen.

2.10 Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eiser kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. Eiser kan derhalve aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

2.11 Anders dan verweerder, is de rechtbank evenwel niet van oordeel dat eiser een verblijfssalternatief heeft in het relatief veilige deel van Somalië.

In het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 juni 2001 is met betrekking tot Centraal-Somalië vermeld dat in dit deel (onder meer de provincies Hiirad en Galgadud) de lokale besturen minder ver ontwikkeld zijn, maar hun effectiviteit wel de handhaving van vrede en veiligheid omvat. Er zijn geen meldingen bekend van (gerichte dan wel willekeurige) ernstige, frequente mensenrechtenschendingen. Voorts wordt in datzelfde ambtsbericht in paragraaf 4.2 met betrekking tot feitelijke vestigingsgebieden onder meer over het noorden van Somalië vermeld dat met de toenemende effectiviteit van de regionale besturen in het handhaven van de veiligheid, de noodzaak van bescherming door de clan(familie) is afgenomen en dat in het relatief veilige deel van Somalië de lokale en regionale besturen in het algemeen in staat zijn vrede en veiligheid te handhaven. In deze paragraaf wordt voorts vermeld: „Samengevat betekent het bovenstaande dat vestiging in het relatief veilige deel van Somalië- al dan niet in het woongebied van de eigen clan(familie) in veel gevallen mogelijk is, maar aan beperkingen onderhevig is. Hieronder wordt nog een aantal beperkingen en mogelijkheden voor specifieke clan(familie)s en minderheden genoemd, zoals die thans gelden.“

Met betrekking tot de Bajuni wordt vervolgens opgemerkt: „Bajuni verblijven, voor zover dezerzijds bekend, niet in Puntland of Somaliland.“

In verweerders beleidsbrief van 24 september 2001 wordt geconcludeerd:

“ Op basis van het nieuwe ambtsbericht acht ik het voeren van een nationaal beleid van categoriale bescherming voor Somalië niet langer geïndiceerd. Voor alle clan- en minderheidsgroepen is een verblijfsalternatief in het relatief veilige deel van Somalië voorhanden.“ Verweerder heeft, blijkens deze brief, geen humanitaire noodsituatie aangenomen. Onder omstandigheden kunnen personen op individuele gronden evenwel in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf.

Gelet op het feit dat ook verweerder zelf in de beleidsbrief van 24 september 2001 met betrekking tot de veiligheid in de gebieden waarvoor een verblijfsalternatief wordt aangenomen een kanttekening maakt in die zin dat die veiligheid afhankelijk is van de kracht van de lokale of regionale besturen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer van een veilig verblijfsalternatief worden uitgegaan. Daar komt bij dat de Bajuni volgens Amnesty International een extra kwetsbare groep vormen, omdat zij ongewapend zijn en niet kunnen rekenen op de bescherming van een gewapende clan. De kwetsbaarheid van de Bajuni als groep is door verweerder op zichzelf niet bestreden. Verweerder acht evenwel clanbescherming niet (meer) nodig.

Met betrekking tot de situatie in Puntland heeft verweerder op basis van de overgelegde telefoonnotitie van 12 september 2001 aangenomen dat de situatie vanaf 10 augustus 2001 rustig is gebleven. Evenwel blijkt uit de van de kant van eiser overgelegde rapportages van de BBC-News van eind november 2001, naar het oordeel van de rechtbank, bepaald niet van een stabiele situatie.

In een bericht van de BBC van 21 november 2001 wordt gesteld:“ Fighting has broken out in Garowe (…) The situation is reported to be fluid with no word on the whereabouts of the recently elected president of Puntland, Jama Ali Jama.“ In een bericht van de BBC van 23 november 2001 wordt ondermeer vermeld:“(…)Jama Ali Jama was driven from the regional capital Garowe earlier this week by the forces loyal to former Puntland leader Colonel Abdullahi Yusuf Ahmed (…)Correspondents say more than half the population of Garowe, mostly women and children, had now fled the city.“ Deze feiten kunnen, naar het oordeel van de rechtbank, de conclusie van verweerder dat de in de brieven van Amnesty International genoemde ongeregeldheden slechts incidenten zijn die voor mensen die zich niet met oppositionele activiteiten bezighouden van geen betekenis zijn, niet dragen.

De rechtbank voegt aan het vorenstaande nog toe dat blijkens TBV 2001/35, gepubliceerd op 30 november 2001 in Stcrt. 233, aan groepen die volgens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 juni 2001 hun traditionele woongebied niet in het relatief veilige gebied of overgangsgebied hebben (zoals de Reer Hamar en de Bajuni), in beginsel geen vlucht- of vestigingsalternatief in dat gebied wordt tegengeworpen.

Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom eiser zich ondanks andersluidende informatie wel veilig in de zogenoemde veilige gebieden van Somalië zou kunnen vestigen, zodat het bestreden besluit een afdoende motivering ontbeert.

Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder de onderhavige aanvraag ten onrechte in de AC-procedure heeft afgedaan.

2.12 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden beschikking niet in stand kan worden gelaten. Het beroep is derhalve gegrond.

2.13 Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van 28 november 2001;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad fl. 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. C. van den Noort, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.W. Wind als griffier op 10 december 2001.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van „hoger beroep vreemdelingenzaken“, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: