Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD9031

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2001
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/00778 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering van in de vorm van een geldlening verstrekte bijstand vindt eerst plaats nadat de aan de bijstandsverstrekking verbonden verplichtingen zijn geconcretiseerd en vastgelegd, betrokkene in staat is gesteld aan die verplichtingen te voldoen en hij deze niet/niet behoorlijk is nagekomen.

Terugvordering van bijstand in de vorm van geldlening. In het toekenningsbesluit is niet aangegeven hoe eiseres de geldlening diende af te lossen en er zijn geen stukken waaruit blijkt dat eiseres langs andere weg opheldering is verschaft over m.b.t. de wijze van terugbetaling op haar rustende verplichtingen. Artikel 83, eerste lid Abw verzet zich in die situatie tegen terugvordering van de op grond van artikel 82 aanhef, onder a Abw verleende bijstand in de vorm van een geldlening.

In deze vorm van bijstandverlening ligt besloten dat men verplicht is tot terugbetaling van de betaalde leenbijstand en dat, mede uit een oogpunt van zorgvuldigheid en rechtszekerheid, van het bevoegde bestuursorgaan mag worden verlangd dat in het toekenningsbesluit duidelijkheid wordt verschaft over de precieze condities waaronder de leenbijstand wordt verstrekt, waarvan voorwaarden met betrekking tot de wijze van terugbetaling van de geldlening een onmisbaar bestanddeel vormen.

Verweerster moet bedoelde verplichtingen voor eiseres alsnog concretiseren en vastleggen, waarna eiseres in staat moet worden gesteld aan deze verplichtingen te voldoen. Eerst indien eiseres die verplichtingen niet nakomt, dient verweerder op grond van de dwingende bepaling van artikel 83, eerste lid Abw over te gaan tot terugvordering van de aan haar toegekende leenbijstand.

Beroep gegrond.

De Commissie Sociale Zekerheid Den Haag, verweerster.

mr S.C. Stuldreher

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 82
Algemene bijstandswet 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2002, 28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

tweede kamer, enkelvoudig

Reg. nr. AWB 01/00778 ABW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A, wonende te B, eiseres,

en

de Commissie Sociale Zekerheid Den Haag, verweerster.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 17 augustus 2000 heeft verweerster eiseres medegedeeld dat de aan eiseres over de periode van 1 juni 1999 tot en met 31 december 1999 verstrekte uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (verder: Abw) wordt teruggevorderd tot een bedrag van ƒ 10.004,02.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief ingekomen op 15 september 2000 bezwaar gemaakt. Eiseres is op 21 november 2000 gehoord.

Bij besluit van 12 januari 2001 heeft verweerster het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij ongedateerde brief, binnengekomen bij de rechtbank op 28 februari 2001, beroep ingesteld.

Het beroep is op 4 december 2001 ter zitting behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door de heer J.C. de Haas.

Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. P. Siemerink.

Motivering

In geschil is of verweerster het besluit van 12 januari 2001 op goede gronden heeft genomen.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de sociale dienst heeft nagelaten haar te vertellen dat haar partner zolang de scheiding niet was uitgesproken onderhoudsplichtig was jegens zijn gezin. Eiseres heeft gesteld dat de gemeente Den Haag de aan haar verleende bijstand gedeeltelijk op haar (ex-)echtgenoot had moeten verhalen onder toepassing van de artikelen 92 en 93 Abw. Doordat eiseres niet van die op haar ex-echtgenoot rustende onderhoudsplicht op de hoogte was en omdat al haar rekeningen waren geblokkeerd, heeft zij ingestemd met het verlenen van bijstand in de vorm van een lening. Eiseres heeft gesteld uit het aan haar wegens overbedeling toekomende bedrag leningen aan de sociale dienst Rijswijk, haar broer en haar zus te hebben terugbetaald. Eiseres is niet in staat tot terugbetaling van het teruggevorderde bedrag.

Verweerster is tot de in geding zijnde terugvordering overgegaan op grond van artikel 82, aanhef en onder a, Abw. Daartoe heeft verweerster overwogen dat de bijstandsuitkering op grond van artikel 24 Abw is verstrekt in de vorm van een geldlening, omdat er nog gelden te verwachten waren uit de boedelscheiding en uit de overwaarde van de echtelijke woning. Gesteld is dat op 10 december 1999 een bedrag van ƒ 63.958,50 aan eiseres is uitgekeerd wegens overbedeling. Rekening houdend met de terugbetaalde schuld aan de gemeente Rijswijk is geconcludeerd dat eiseres in staat moet zijn de netto verstrekte bijstand over de periode 1 juni 1999 tot 1 januari 2000 ter hoogte van ƒ 10.004,02 terug te betalen. Het feitelijk bestaan van overige door eiseres beweerdelijk gemaakte schulden is niet, dan wel onvoldoende door haar aannemelijk gemaakt. Bovendien is geen sprake van daadwerkelijke aflossingsverplichtingen. Het feit dat geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid van verhaal van bijstand op de onderhoudplichtige ontslaat eiseres niet van haar verplichting tot terugbetaling van de aan haar verstrekte bijstand in de vorm van een geldlening. De verwachting dat eiseres op korte termijn over voldoende middelen zou gaan beschikken om over de betreffende periode zelf in de noodzakelijk kosten van het bestaan te voorzien, garandeerde in voldoende mate de terugbetaling van deze kosten van bijstand. Een verhaalsprocedure garandeert geen terugbetaling. Gelet op de verwachte korte duur van de uitkering werd het niet opportuun geacht hiernaast de kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige te verhalen. Van dringende redenen om af te zien van terugvordering is volgens verweerster niet gebleken.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 24, aanhef en onder a, Abw bepaalt dat bijstand eveneens kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Artikel 82, aanhef en onder a, Abw bepaalt dat de kosten van bijstand van de belanghebbende worden teruggevorderd voor zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.

Volgens artikel 83, eerste lid, Abw worden kosten van bijstand verleend in de vorm van een geldlening ingevolge deze paragraaf van de belanghebbende teruggevorderd, indien hij de hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.

Ingevolge artikel 93, aanhef en onder a, respectievelijk b, Abw worden kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verhaald op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt respectievelijk op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt.

Vaststaat dat eiseres bij besluit van 11 juni 1999 met ingang van 1 juni 1999 bijstand is verstrekt in de vorm van een geldlening, omdat nog gelden te verwachten waren uit boedelscheiding en overwaarde van een woning. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij zich dit besluit niet kan herinneren en dat zij niet heeft begrepen dat het een geldlening betrof. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet op geloofwaardige wijze de ontvangst van genoemd besluit betwist. In haar beroepschrift heeft zij immers aangegeven wel op de hoogte te zijn van de geldlening. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet tot terugvordering heeft kunnen besluiten omdat het toekenningsbesluit van 11 juni 1999 niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb op juiste wijze aan eiseres zou zijn bekendgemaakt en derhalve, gelet op artikel 3:40 van de Awb niet in werking zou zijn getreden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het bepaalde in artikel 83, eerste lid, van de Abw zich in dit geval verzet tegen terugvordering van de aan eiseres verleende bijstand in de vorm van een geldlening krachtens het bepaalde in artikel 82 aanhef en onder a van die wet, zoals verweerder heeft besloten.

Hiertoe wordt overwogen dat in deze vorm van bijstandverlening besloten ligt dat een belanghebbende zoals eiseres verplicht is tot terugbetaling van de betaalde leenbijstand en dat, mede uit een oogpunt van de jegens de belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid en rechtszekerheid, in beginsel van het ter zake van de toekenning van de bijstand bevoegde bestuursorgaan mag worden verlangd dat in het toekenningsbesluit duidelijkheid wordt verschaft over de precieze condities waaronder de leenbijstand wordt verstrekt, waarvan voorwaarden met betrekking tot de wijze van terugbetaling van de geldlening een onmisbaar bestanddeel vormen. Artikel 83, eerste lid, van de Abw is de aangewezen wettelijke grondslag voor terugvordering van de leenbijstand indien belanghebbende de uit deze bijstand voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.

In dit kader stelt de rechtbank vast dat verweerster in het toekenningsbesluit van 11 juni 1999 niet heeft aangegeven op welke wijze eiseres haar geldlening diende af te lossen. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerster heeft mogen afzien van het vermelden van de voorwaarden in die beslissing. Daarbij is in aanmerking genomen dat verweerster geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat eiseres langs andere weg opheldering is verschaft over met betrekking tot de wijze van terugbetaling op haar rustende verplichtingen.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerster bedoelde verplichtingen voor eiseres alsnog moet concretiseren en vastleggen, waarna eiseres in staat moet worden gesteld aan deze verplichtingen te voldoen. Eerst indien eiseres die verplichtingen niet nakomt, dient verweerster op grond van de dwingende bepaling van artikel 83, eerste lid, Abw over te gaan tot terugvordering van de aan haar toegekende leenbijstand.

Uit het vorenstaande volgt verder dat bij het bestreden besluit ten onrechte toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 82 aanhef en onder a van de Abw. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de in de artikelen 92 en 93 Abw bedoelde verhaalsverplichtingen gelden voor de gemeente. Aan die bepalingen kan een belanghebbende zoals eiseres, aan wie leenbijstand is toegekend, geen recht ontlenen om aan de uit de haar toegekende leenbijstand voortvloeiende terugbetalingsverplichting te ontkomen.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerster op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de gemeente Den Haag als rechtspersoon aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten, ƒ60,-, vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2001, in tegenwoordigheid van de griffier mr. drs. M.S.E. Hage.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: