Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD9007

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-11-2001
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/3828 MAWKLU en AWB 01/4078 MAWKLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schorsing van militair vervalt niet van rechtswege na het verstrijken van de termijn van drie maanden. Rechtszekerheid dient richtsnoer te zijn bij verlenging schorsing.

Verlenging schorsing militair. Een schorsing vervalt niet van rechtswege na het verstrijken van de termijn van drie maanden, bedoeld in 37.1 AMAR. Nu een opheffingsbesluit door de commandant nooit is genomen, is de schorsing in rechtspositionele zin niet opgeheven, waardoor verweerder bevoegd was de schorsing te verlengen.

Bij de verlenging van een schorsing dient het rechtszekerheidsbeginsel richtsnoer te zijn in die zin dat de duur van de verlenging dient te worden gerelateerd aan de naar verwachting benodigde termijn voor nader onderzoek, nadere besluitvorming over een eventueel ontslag, het horen van belanghebbende in dat kader e.d. Vanuit oogpunt van rechtszekerheid is het niet aanvaardbaar dat de schorsing voor onbepaalde tijd wordt verlengd, waardoor belanghebbende voor onbepaalde tijd in onzekerheid zal verkeren over zijn toekomst, en waardoor er geen prikkel bestaat voor het voortvarend afwikkelen van het dossier. Het feit dat het ontslag reeds was meegedeeld doet daar niet aan af.

Beroep gegrond.

Rechtsgevolgen besluit blijven in stand.

De Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

mr. J.W. Sentrop (president)

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 34
Algemeen militair ambtenarenreglement 35
Algemeen militair ambtenarenreglement 35
Algemeen militair ambtenarenreglement 35
Algemeen militair ambtenarenreglement 37
Algemeen militair ambtenarenreglement 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 01/3828 MAWKLU en AWB 01/4078 MAWKLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:86

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

A, wonende te B eiser,

ten aanzien van het besluit van 15 november 2001 van Staatssecretaris van Defensie, verweerder, waarbij het bezwaarschrift van eiser van 26 oktober 2001 tegen het besluit van verweerder van 18 oktober 2001 ongegrond is verklaard.

Zitting

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van donderdag 22 november 2001.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B. Damen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw mr. A.H. Beijer.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb kan de president, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Er bestaat aanleiding om in dit geval van laatstgenoemde bevoegdheid gebruik te maken.

Eiser is sinds 1 november 1999 in dienst bij de Koninklijke Luchtmacht en is sinds 27 oktober 2000 geplaatst bij het […] bij het […] Squadron in de rang van korporaal, behorende tot het beroepspersoneel voor bepaalde tijd.

Op 27 februari 2001 is eiser bij de ingangcontrole van de discotheek "[…...] " te Z betrapt op het bezit van vijf XTC-pillen.

De Politie heeft eiser overgedragen aan de Koninklijke Marechaussee.

Bij vonnis van de militaire politierechter te Arnhem van 10 juli 2001 is eiser veroordeeld tot een geldboete van ƒ 750,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaar. Tegen dit vonnis heeft eiser op 13 juli 2001 hoger beroep ingesteld.

Op 13 juli 2001 is eiser gehoord omtrent het voornemen om hem te schorsen.

Bij besluit van 16 juli 2001 is eiser door de commandant van de vliegbasis X in het belang van de dienst in zijn ambt geschorst. Dit besluit is op 16 juli 2001 aan eiser uitgereikt.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 juli 2001, aangevuld bij brief van 30 juli 2001, een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 25 september 2001 is het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.

Bij brief van 17 oktober 2001 heeft eiser aangekondigd zich op 18 oktober 2001 in uniform op de vliegbasis X te zullen melden teneinde zijn werkzaamheden aldaar te hervatten. Eiser heeft zich op 18 oktober 2001 gemeld bij zijn commandant op de vliegbasis X, is naar de kantine gestuurd en heeft na enige tijd een brief ontvangen.

In deze brief van 18 oktober 2001 deelt de waarnemend commandant […] Squadron vliegbasis X eiser mede dat zijn schorsing tot en met 30 november 2001 is overgenomen door de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten (bedoeld wordt: de Staatssecretaris van Defensie).

Voorts is eiser in deze brief geïnformeerd omtrent het voornemen van verweerder om hem met ingang van 1 december 2001 ontslag uit de militaire dienst te verlenen.

Tegen deze brief heeft eiser bij brief van 18 oktober 2001 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Tevens heeft eiser bij brief van dezelfde datum de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 6 november 2001 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 18 oktober 2001 geen besluit bevat in de zin van de Awb.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 20 november 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij besluit van 18 oktober 2001 heeft verweerder op grond van artikel 37, eerste lid, van het AMAR besloten de schorsing over te nemen en deze te verlengen voor onbepaalde tijd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 oktober 2001 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Tevens heeft eiser bij brief van dezelfde datum de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij het thans bestreden besluit van 15 november 2001 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 20 november 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Eiser heeft aan zijn verzoek- en beroepschrift de volgende overwegingen ten grondslag gelegd. Eiser stelt dat ingevolge artikel 37, eerste lid, van het AMAR een opgelegde schorsing van rechtswege na drie maanden is opgeheven, tenzij de minister (in casu verweerder) anders bepaalt. Deze termijn verliep op 16 oktober 2001. Pas op 18 oktober 2001 heeft verweerder na het faxbericht van eiser van 17 oktober 2001 besloten de schorsing over te nemen en te verlengen. Volgens eiser gaat, gelet op het Handboek Personeel en artikel 35, derde lid, van het AMAR de verlenging van de schorsing in op het moment van bekendmaking van de schorsing aan de militair. Eiser heeft de beschikking van 18 oktober 2001, die niet aangetekend verzonden was, pas op 23 oktober 2001 ontvangen. Gelet hierop is eiser van mening dat de beschikking pas vanaf deze datum rechtskracht heeft. Eiser concludeert dat er geen rechtsgeldige verlenging van de schorsing heeft plaatsgevonden. Voorzover verweerder heeft getracht om eiser door middel van het besluit van 18 oktober 2001 opnieuw te schorsen voert eiser aan dat niet verweerder maar de commandant daartoe bevoegd is. Voorts voert eiser aan in strijd met artikel 4:8 van de Awb niet gehoord te zijn in verband met deze beschikking. Daarnaast is eiser van mening dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden inzake de verlenging van de schorsing. Tenslotte voert eiser aan dat hij schade ondervindt van de schorsing, zoals de verminderde wedde, de teruggave van de inhouding huisvesting, eventuele TOD e.d.

Verweerder is van mening dat de verlenging van de schorsing op goede gronden is geschied en heeft daaraan de volgende overwegingen ten grondslag gelegd. Anders dan eiser is verweerder van oordeel dat uit artikel 37, tweede lid, van het AMAR voortvloeit dat voor het opheffen of verlengen van de schorsing een handeling van een bestuursorgaan noodzakelijk is. Verweerder volgt eiser niet in zijn stelling dat de schorsing van rechtswege is verlopen. Voorzover eiser aanvoert in strijd met artikel 4:8 van de Awb niet te zijn gehoord inzake de verlenging van de schorsing merkt verweerder op dat eiser daartoe in de bezwaarfase alsnog in de gelegenheid is gesteld maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt.

Voorts is verweerder van mening dat er wel degelijk een belangenafweging heeft plaatsgevonden, waarbij het belang van de dienst groter wordt geacht dan het belang van eiser. Verweerder merkt daarbij op dat vanwege het feit dat de ontslagprocedure reeds in gang is gezet het niet wenselijk is dat eiser tot aan zijn ontslag op zijn werkplek verschijnt.

Verweerder komt tot de conclusie dat de verlenging van de schorsing op goede gronden is geschied.

Ter zitting is door verweerder nog aangevoerd dat het ontslagtraject pas is in werking is gesteld na de beslissing van 25 september 2001 op het bezwaarschrift tegen het primaire schorsingsbesluit van 16 juli 2001. Verweerder wilde zodoende kunnen beoordelen of er voldoende informatie was om een ontslagbesluit te kunnen nemen. Voorts heeft verweerder, gelet op het feit dat eiser in het kader van het voornemen tot ontslag nog moest worden gehoord, gemeend de schorsing van eiser voor onbepaalde tijd te verlengen om verdere problemen te voorkomen, aldus verweerder.

De president overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van het AMAR geschiedt de schorsing van een militair door de commandant.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van het AMAR kan een militair, onverminderd de overige tegen hem te nemen maatregelen als maatregel van orde worden geschorst in zijn ambt, indien het belang van de dienst zulks nadrukkelijk vordert.

Ingevolge het tweede lid wordt de schorsing aan de militair onverwijld schriftelijk of mondeling bekend gemaakt. Een mondelinge bekendmaking wordt onverwijld schriftelijk bevestigd.

Ingevolge het derde lid gaat de schorsing in op het tijdstip, waarop deze de betrokken militair bekend wordt gemaakt. Indien de militair zich gedurende een periode van zes dagen aan de mogelijkheid tot het ter kennis brengen van de schorsing heeft onttrokken, gaat de schorsing van rechtswege in op de zevende dag na die van de dagtekening van het schorsingsbesluit.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, van het AMAR wordt de schorsing opgeheven zodra het belang van de dienst zich niet langer verzet tegen het uitoefenen door de militair van zijn ambt. Indien de schorsing was bevolen door de commandant, geschiedt de opheffing in elk geval na drie maanden tenzij de minister anders bepaalt.

Het tweede lid bepaalt dat de opheffing van de schorsing de militair onverwijld schriftelijk of mondeling bekend wordt gemaakt. Een mondelinge bekendmaking wordt onverwijld schriftelijk bevestigd.

Voorzover eiser aanvoert dat ingevolge artikel 37, eerste lid, van het AMAR de schorsing van rechtswege na drie maanden is opgeheven overweegt de president als volgt. Hoewel de president met eiser van oordeel is dat de schorsing feitelijk op 16 oktober 2001 is afgelopen door het expireren van de maximale schorsingsduur van drie maanden, blijkt uit artikel 37, tweede lid, van het AMAR dat er voor de formeel-juridische opheffing van de schorsing een uitdrukkelijke wilsuiting van de tot schorsing bevoegde commandant is vereist, namelijk een besluit dat mondeling of schriftelijk aan betrokkene wordt bekendgemaakt. Een dergelijk opheffingsbesluit is door de commandant nooit genomen. De omstandigheid dat de commandant een dergelijk besluit nooit heeft genomen, impliceert reeds dat de schorsing in rechtspositionele zin niet is opgeheven. Een schorsing vervalt derhalve niet van rechtswege na het verstrijken van de termijn van drie maanden.

Het juridisch vacuüm dat is ontstaan tussen het feitelijk aflopen van de schorsing op 16 oktober 2001 en het besluit van verweerder van 18 oktober 2001, welk besluit op 18 oktober 2001 mondeling aan eiser is bekendgemaakt, wordt door de terugwerkende kracht, die aan het besluit van verweerder van 18 oktober 2001 is toegekend, opgevuld. Nu gelet op het bovenstaande de president van oordeel is dat de schorsing niet van rechtswege vervalt, was verweerder bevoegd de schorsing te verlengen.

Voor wat betreft de verlenging van de schorsing overweegt de president als volgt. Niet in geschil is dat verzoeker op 27 februari 2001 bij de ingang van de discotheek "[...…] " te Z is betrapt op het bezit van vijf XTC-pillen en dat hij in verband daarmee zal worden voorgedragen voor ontslag. In afwachting van dit ontslag is eiser bij wijze van ordemaatregel geschorst.

De president overweegt dat de grondslag van een schorsing als ordemaatregel uit oogpunt van het dienstbelang gelegen is in het oordeel dat het ongewenst is dat betrokkene gedurende enige tijd zijn functie als beroepsmilitair uitoefent. De schorsing wordt opgeheven zodra het belang van de dienst zich niet langer tegen de hervatting van de werkzaamheden door de geschorste militair verzet. In artikel 37, eerste lid, van het AMAR is de termijn van drie maanden opgenomen om, mede gelet op het rechtszekerheidsbeginsel en het ingrijpende karakter van een schorsing, een voortvarende besluitvorming te bewerkstelligen. Hoewel de president met verweerder onderkent dat het niet in het belang van de dienst is dat eiser, in afwachting van zijn ontslag, zijn werkzaamheden hervat, is de president van oordeel dat de verlenging van de schorsing niet op goede gronden is geschied. Voorzover verweerder aanvoert de beslissing op het bezwaarschrift tegen het primaire schorsingsbesluit te hebben willen afwachten overweegt de president dat deze beslissing reeds op 25 september 2001 is genomen. Verweerder had derhalve tot de datum van 16 oktober 2001 drie weken de tijd om eiser op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omtrent het voornemen tot ontslag te horen. De president is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan deze termijn van drie weken niet toereikend was. Hierbij neemt de president eveneens in aanmerking dat verweerder in het verlengingsbesluit heeft aangegeven dat het onderzoek naar de omstandigheden op grond waarvan eiser is geschorst onlangs was afgerond.

Voor wat betreft de duur van de verlenging van de schorsing overweegt de president het volgende. Aan het bepaalde in artikel 37, eerste lid, eerste volzin, van het AMAR is het rechtszekerheidsbeginsel ten grondslag gelegd. Dit houdt in dat een schorsing niet langer dan duurt dan uit een oogpunt van dienstbelang is geboden en dat een besluit tot opheffing volgt zodra deze situatie zich niet langer voordoet. Dit rechtszekerheidsbeginsel dient eveneens richtsnoer te zijn bij een besluit van verweerder tot verlenging van de schorsing. Ook dan mag een (verlengde) schorsing niet langer duren dan uit een oogpunt van dienstbelang strikt noodzakelijk is. De duur van de verlenging dient daarom te worden gerelateerd aan de naar verwachting benodigde termijn voor nader onderzoek, nadere besluitvorming over een eventueel ontslag, het horen van betrokkene in dat kader e.d. Daarbij dient te worden bedacht dat verweerder door voortvarend handelen zijnerzijds de duur van de verlengde schorsing kan beperken en dat daartoe te meer aanleiding bestaat ingeval van een voorgenomen ontslag van de geschorste militair als in dit geding aan de orde, waarin het feitenonderzoek reeds geruime tijd is afgesloten. De president acht het uit een oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar dat, zoals in casu is gebeurd, de schorsing voor onbepaalde tijd wordt verlengd, zodat betrokkene ook voor onbepaalde tijd in onzekerheid zal verkeren over zijn toekomst en anderzijds voor verweerder geen enkele prikkel bestaat tot het voortvarend afwikkelen van het voorliggende dossier van betrokkene. Het feit dat aan eiser het voornemen tot ontslagverlening met ingang van 1 december 2001 is medegedeeld en het feit dat hij tijdens de schorsing niet is gekort op zijn bezoldiging maakt dat niet anders.

Verweerder heeft derhalve, door de schorsing van eiser voor onbepaalde tijd te verlengen (overigens in afwijking van de mededeling die eiser bij brief van 18 oktober 2001 van de waarnemend Squadroncommandant ontving, waarin wel een beperking in de tijd tot en met 30 november 2001 is genoemd), gehandeld in strijd met (de geest van) artikel 37, tweede juncto eerste lid, van het AMAR, zodat eisers bezwaar daartegen ten onrechte ongegrond is verklaard. Eisers beroep is mitsdien gegrond.

Aangezien de president ambtshalve bekend is dat verweerder inmiddels bij besluit van 14 november 2001 aan eiser ontslag uit de militaire dienst heeft verleend wegens wangedrag met ingang van 1 december 2001, ziet hij aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Gelet op het vorenstaande verklaart de president het beroep gegrond. Nu reeds op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Voorts ziet de president aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit verzoek om voorlopige voorziening gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ 1.420,-- (€ 644,36) (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, zaak van gemiddeld gewicht).

Beslist dient derhalve te worden als volgt.

Beslissing

De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

Veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser ten bedrage van ƒ 1.420,-- (€ 644,36), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (ministerie van Defensie) als rechtspersoon die dit bedrag aan eiser dient te betalen;

Gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aan eiser het door hem betaalde griffierecht, zijnde ƒ 225,-- (€ 102,10), vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop, als fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2001, in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.M. Keizer.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: