Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD8374

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-12-2001
Datum publicatie
23-01-2002
Zaaknummer
KG 01/1402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht - President

Vonnis in kort geding van 28 december 2001,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 01/1402 van:

[eiser],

[adres]r,

procureur mr. E. Grabandt,

advocaat mr. I.N. Weski te Rotterdam,

tegen:

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. W. Heemskerk.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 19 december 2001 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

- Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit.

- Eiser wordt in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS) verdacht van (handelingen gericht op) het invoeren van XTC in de VS en het in dat verband deelnemen aan een criminele organisatie.

- Bij nota van 8 augustus 2000 heeft de VS via de ambassade in 's-Gravenhage de uitlevering van eiser verzocht.

- Bij uitspraak van 7 februari 2001 van de arrondissementsrechtbank te Zwolle is de uitlevering toelaatbaar verklaard.

- Bij arrest van de Hoge Raad van 28 augustus 2001 is de uitlevering van eiser toelaatbaar verklaard ter zake van de feiten zoals omschreven in de feiten "Superseding indictment" van 3 augustus 2000 van de Federal Grand Jury, Eastern District of New York op counts 1 tot en met 16. Tevens zijn als toepasselijke wetsbepalingen nog de artikelen 47 en 140 Wetboek van Strafrecht vermeld.

- Gedaagde heeft eiser naar aanleiding van een brief van zijn huisarts en een psychologisch rapport van een klinisch psycholoog-psychotherapeut laten onderzoeken door een forensisch psychiater bij de FPD Assen, die op 23 oktober 2001 heeft gerapporteerd.

- Bij beschikking van 12 december 2001 heeft gedaagde van Justitie beslist dat het verzoek van de VS tot uitlevering van eiser wordt toegestaan ten behoeve van de strafvervolging van eiser zoals vermeld in de feiten "Superseding indictment" van 3 augustus 2000 op counts 1 tot en met 16.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiser vordert -zakelijk weergegeven-:

Primair: gedaagde te verbieden over te gaan tot uitlevering van eiser naar de VS;

Subsidiair: gedaagde te veroordelen eiser in Nederland te vervolgen voor de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd;

Meer subsidiair: gedaagde te verbieden eiser uit te leveren zonder dat aan hem individuele (in de dagvaarding omschreven) garanties door de VS zijn verstrekt, een en ander op straffe van een dwangsom;

Daartoe voert eiser het volgende aan.

Gedaagde handelt onrechtmatig indien hij eiser uitlevert, althans uitlevert zonder individuele garanties te bedingen. Op grond van de Uitleveringswet is gedaagde niet gehouden om eiser uit te leveren. Gedaagde dient in elk geval bij een uitlevering van eiser waarborgen te verlangen waarmee zal worden voldaan aan de exequatur-procedure. Gedaagde mag er niet vanuit gaan dat aan deze verplichting wordt voldaan op de enkele grond dat de VS partij is bij het Verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen. In een aantal gevallen is gebleken dat de VS zich daar niet zonder meer aan heeft gehouden.

Gedaagde handelt onrechtmatig door te handelen in strijd met het zogenaamde specialiteitsbeginsel zoals dat ook is opgenomen in het Nederlands-Amerikaans uitleveringsverdrag, in die zin dat hij verzuimt te bedingen dat eiser niet zal worden gestraft voor feiten, waarvoor de Hoge Raad de uitlevering ontoelaatbaar heeft geacht. Op grond van de Amerikaanse Federal Sentencing Guidelines is de Amerikaanse rechter echter verplicht bij de oplegging van straf rekening te houden met feiten waarvoor de uitlevering ontoelaatbaar werd verklaard, waardoor de uitlevering in strijd met artikel 6 EVRM is. Eiser vreest voorts voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM, artikel 3 van het Verdrag tegen Foltering, artikel 7 IVBPR en artikel 7 lid 2 van het Uitleveringsverdrag. De situatie in de gevangenissen in de VS is slecht en omdat veelvuldig seksuele mishandelingen plaatsvinden wordt eiser blootgesteld aan het risico van besmetting met HIV-virus, hepatitis C, althans aantasting van zijn persoonlijke en lichamelijke integriteit. Tenslotte is sprake van een oorlogsituatie in de VS op grond waarvan individuele garanties moeten worden bedongen. Eiser kan en moet in Nederland worden vervolgd.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Ter beoordeling ligt de vraag voor of gedaagde onrechtmatig handelt door -zoals hij bij beschikking van 28 september 2001 heeft gedaan - de uitlevering van eiser toe te staan, althans dit heeft gedaan zonder individuele garanties te bedingen.

3.2. Artikel 4 van de Uitleveringswet bepaalt het volgende:

1. Nederlanders worden niet uitgeleverd.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de uitlevering van een Nederlander is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek en naar het oordeel van onze Minister is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor zijn uitlevering kan worden toegestaan in de verzoekende staat tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

3.3. Tussen Nederland en de VS is een uitleveringsverdrag gesloten (het Nederlands-Amerikaans uitleveringsverdrag), dat in artikel 8 lid 1 bepaalt:

"Ingeval er tussen de verdragsluitende partijen een verdrag van kracht is betreffende de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafrechtelijke sancties, kan geen van beide verdragsluitende partijen weigeren haar eigen onderdanen uit te leveren, uitsluitend op grond van hun nationaliteit".

Ook is op de verhouding tussen Nederland en de VS het Europees verdrag inzake de Overbrenging van gevonniste personen van toepassing. Dit verdrag is uitgewerkt in de Wet Overdracht en Tenuitvoerlegging Strafvonnissen.

In de nota wisseling tussen Nederland en de VS staat vermeld dat de VS "in principle" geen bezwaar heeft om de Nederlanders na oplegging van hun straf in de VS naar Nederland te doen overbrengen om hier hun straf uit te zitten, welke toezegging Nederland beschouwt als "sufficient guarantee" als bedoeld in artikel 4 lid 2 van de Uitleveringswet waarvoor Nederland geen additionele garanties in individuele zaken zal vragen.

3.4. Eiser is van oordeel dat uitlevering aan de VS onrechtmatig is, althans dat voor de toepassing van artikel 4 lid 2 Uitleveringswet noodzakelijk is dat de VS aan hem individuele garanties dient te verschaffen. Eiser kan in dit betoog echter niet worden gevolgd. Op grond van artikel 8 lid 1 van het Nederlands-Amerikaans uitleveringsverdrag in samenhang met het hier ook geldende Europese verdrag inzake de Overbrenging van gevonniste personen alsmede op grond van de aan artikel 8 Uitleveringsverdrag ten grondslag liggende notawisseling tussen Nederland en de VS heeft gedaagde in redelijkheid kunnen oordelen dat een voldoende garantie aanwezig is als bedoeld in artikel 4 lid 2 Uitleveringswet, dat eiser de hem eventueel op te leggen straf in Nederland kan ondergaan. Het eisen van nadere individuele garanties kan dan ook niet van gedaagde worden verwacht.

3.5. Eiser heeft zich er op beroepen dat gevallen bekend zijn van aan de VS uitgeleverde Nederlanders die alleen zijn teruggekeerd naar Nederland om hier hun straf uit te zitten, omdat zij in de VS het traject van plea-bargaining hadden gevolgd. Dat zou, volgens eiser, een niet afgesproken maar door de VS nader omschreven voorwaarde voor terugkeer zijn die aan het karakter van de terugkeergarantie afbreuk doet en niet toegestaan is. Dit beroep gaat niet op. Zegt het feit dat veroordeelden zijn teruggekeerd na "plea-bargaining" op zichzelf al te weinig over de vraag of zij mogelijk ook zonder schuld te erkennen zouden zijn teruggestuurd, eiser heeft ook geen andere gevallen genoemd waarin het gebrek aan medewerking (of de medewerking onder nadere condities) van de VS aan terugkeer naar Nederland aannemelijk is geworden.

3.6. Vervolgens stelt eiser dat hem een disproportionele bestraffing staat te wachten in de VS. Dat maakt het voorgaande niet anders. Gezien de waarborg zoals die is neergelegd in de exequaturprocedure zal de straf in de VS na eisers overbrenging in Nederland worden omgezet met inachtneming van Nederlandse maatstaven van straftoemeting. Weliswaar is niet uit te sluiten dat de straf (veel) zwaarder zal uitvallen dan het geval zou zijn wanneer hij in Nederland berecht zou zijn, maar dat is onvoldoende grond om gedaagdes voorgenomen uitlevering onrechtmatig te achten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat gedaagde er niet in redelijkheid op mag vertrouwen dat de VS in dat verband de verdragsrechtelijke verplichtingen zal nakomen. Hetgeen eiser verder nog vordert aan door gedaagde van de VS te bedingen garanties wordt op grond van het vertrouwensbeginsel, waarvan bij uitlevering moet worden uitgegaan, evenmin toewijsbaar geacht.

3.7. Voorts voert eiser nog aan dat de "Convention relative to the protection of civilian persons in time of war" meebrengt dat gedaagde individuele garanties dient te bedingen. Allereerst is het de vraag, of dit uit 1949 daterende Verdrag van Genève toepasselijk is op het onderhavige geval waarin beide landen, de VS én Nederland, in meer of mindere mate zichzelf de status van een "land in oorlog" hebben gegeven. Dit wil echter nog niet zeggen dat het grondgebied van beide landen ook het oorlogsgebied is waarvoor het verdrag kennelijk voorzieningen heeft gegeven. Los daarvan geldt dat artikel 35 van het verdrag, waarop eiser zich beroept, letterlijk genomen niet van toepassing kan worden verklaard op de situatie van eiser. Het artikel geeft onder voorwaarden het recht aan personen om het grondgebied, dat wil zeggen het oorlogsgebied te verlaten. Dat geldt nu juist niet voor eiser, die immers niet naar het Amerikaans "oorlogsgebied" wil worden uitgeleverd. Voorts wordt in het verdrag het voorbehoud gemaakt dat de nationale belangen van de desbetreffende staat zich niet tegen het gewenste vertrek uit het grondgebied verzetten. Zonder enige twijfel zal de VS zich op deze nationale belangen jegens eiser willen beroepen. De slotsom is dat het door eiser gevoerd en hier besproken argument hem niet kan baten.

3.8. Met betrekking tot het specialiteitsbeginsel wordt overwogen dat dit voorvloeit uit het Nederlands-Amerikaanse uitleveringsverdrag dat als een interstatelijke afspraak geldt, waarin de opgeëiste persoon zich niet kan mengen. Gedaagde mag er op vertrouwen dat de VS zich als verdragspartner zal houden aan de letter en de geest van de geldende verdragen.

Daarnaast wordt, met betrekking tot de gevreesde schending van het specialiteitsbeginsel, overwogen dat, zelfs indien bij de straftoemeting in de VS rekening zal worden gehouden met andere strafbare feiten dan waarvoor hij is uitgeleverd, geen sprake is van een schending van artikel 6 lid 2 EVRM. Er zijn te weinig aanwijzingen voor dat de Federal Sentencing Guidelines, waarop eiser zich beroept, de VS toestaan om bij de straftoemeting ten nadele van de verdachte mede rekening te houden met strafbare feiten en omstandigheden waarvoor de uitlevering met zoveel woorden niet toelaatbaar is verklaard. Ook het onderzoek in het strafproces zal (moeten) plaatsvinden binnen de grenzen van de strafbare feiten waarvoor de uitlevering is toegestaan. Weliswaar is bekend dat twijfel bestaat of de VS zich aan deze regel houdt maar deze twijfel wordt thans niet van die importantie geacht dat het eerder gemeld vertrouwensbeginsel daarvoor moet wijken. Bij het strafproces in de VS zullen persoonlijke omstandigheden en feiten een rol mogen spelen die enerzijds mogelijk strafverzwarend zijn en anderzijds niet door de uitlevering worden bestreken, maar daarmee wordt op zichzelf het specialiteitsbeginsel niet opzij gezet. Van bijkomende omstandigheden in dit geval die dit oordeel anders maken is niet gebleken.

3.9. Eiser heeft zich voorts beroepen op een dreigende schending van artikel 3 EVRM en daarbij gewezen op de algemene situatie in penitentiaire inrichtingen in de VS. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij redenen heeft te vrezen voor een behandeling als bedoeld in dit artikel. Niet gebleken is dat de door eiser genoemde (seksuele) mishandeling een zodanig structureel en systematisch karakter heeft dat iedere gevangene in de VS een reëel risico loopt daarvan het slachtoffer te worden. Eisers beroep op de algemene situatie in de penitentiaire inrichtingen in de VS is derhalve ontoereikend. Eiser heeft zijn bewering dat juist hij extra risico loopt ook niet verder onderbouwd met hem persoonlijk betreffende omstandigheden. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat de autoriteiten hem tegen (seksuele) mishandeling niet zullen en kunnen beschermen. Dit geldt tevens voor de andere door eiser in dit verband genoemde bepalingen.

3.10. Het eindoordeel is dat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen besluiten om uitlevering van eiser aan de VS toe te staan, hetgeen ook met zich meebrengt dat gedaagde niet verplicht kan worden om eiser in plaats van hem uit te leveren in Nederland te vervolgen. De door eiser overgelegde producties hem persoonlijk betreffende brengen geen verandering in dit oordeel.

3.11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat zowel de primaire, subsidiaire als meer subsidiaire vordering moeten worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De President:

Wijst het gevorderde af.

Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op ƒ 1.977,--, waarvan ƒ 427,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Holtrop en uitgesproken ter openbare zitting van 28 december 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

esk