Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD8264

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-12-2001
Datum publicatie
04-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/63932, 01/63934
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AE9107
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Opvang / tweede aanvraag.

Eisers, Afghaanse asielzoekers, hebben het COA om opvang verzocht. Zij hebben echter eerder asiel aangevraagd en zijn vervolgens naar Afghanistan teruggekeerd. Bij de tweede asielaanvraag wordt opvang geweigerd. De president zoekt voor de uitleg van artikel 4, tweede lid, Rva 1997 aansluiting bij artikel 4:6 Awb.

Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat verzoekers asielverzoek als een tweede of volgende aanvraag in de zin van artikel 4, tweede lid, Rva 1997 moet worden aangemerkt. Verder kan verweerder niet worden gevolgd in de stelling dat TBV 2001/24 tegemoet komt aan jurisprudentie van de rechtbank. TBV 2001/24 is niet gericht aan het COA, maar aan de korpschefs van politieregio’s en aan de staf van de Koninklijke Marechaussee. Niet is gebleken dat het COA in zijn algemeenheid beleidsregels van de staatssecretaris van Justitie overneemt en evenmin dat verweerder dit bijzondere beleid heeft overgenomen. Verweerder kan dan ook niet weigeren opvang te verlenen onder verwijzing naar beleidsregels die niet de hare zijn.

Voorts verdraagt de tekst van de TBV zich niet met de uitleg die is gegeven over de uitleg van artikel 4, tweede lid, Rva 1997. Verweerder kan niet op grond van een beleidsregel een uitleg van artikel 4, tweede lid, Rva 1997, zijnde een algemeen verbindend voorschrift, geven die niet in overeenstemming is met die bepaling. Dit klemt te meer nu TBV 2001/24 evenmin in overeenstemming is met uitlatingen van de Staatssecretaris van Justitie in de brief van 29 juni 2001 aan de Tweede Kamer en tijdens een algemeen overleg met de vaste commissie voor Justitie op 4 juli 2001. Derhalve is ten onrechte opvang onthouden. Beroep gegrond, toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

President

Registratienummers: Awb 01/63932 (verzoek) en Awb 01/63934 (beroep)

Datum uitspraak: 7 december 2001

Uitspraak

ingevolge de artikelen 8:81 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1963,

verzoeker,

gemachtigde mr. drs. J.N.M. Sluijsmans,

tegen

het bestuur van het CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA),

gevestigd te Rijswijk,

verweerder,

gemachtigde mr. R. van Duffelen.

Het procesverloop

Op 23 augustus 2001 heeft verzoeker, samen met zijn echtgenote en mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen, een verblijfsvergunning asiel aangevraagd.

Op 25 oktober 2001 heeft de gemachtigde van verzoeker een verzoek tot opvang in het kader van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997) ingediend.

Bij beschikking van 1 november 2001 heeft verweerder het verzoek tot opvang niet ingewilligd.

Verzoeker heeft bij beroepschrift van 29 november 2001 beroep ingesteld tegen die beschikking. Die dag heeft hij tevens de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat verweerder wordt geboden hem opvang te verlenen op basis van de Wet COA/de Rva 1997.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 7 december 2001. Verzoeker is niet ter zitting verschenen. Hij heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Standpunten van partijen

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers asielaanvraag van 23 augustus 2001 moet worden aangemerkt als een tweede of volgende asielaanvraag. Overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers 1997 (Rva 1997) komt hij niet in aanmerking voor op opvang.

In het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2001/24 is bepaald dat, in weerwil van voornoemde bepaling, recht op opvang bestaat indien de asielzoeker tussen zijn eerste en tweede aanvraag is teruggekeerd naar zijn land van herkomst en indien hij voldoet aan de drie, in de TBV neergelegde, cumulatieve vereisten. Verzoeker komt niet voor opvang in aanmerking op grond van TBV 2001/24 nu hij in ieder geval niet voldoet aan de eis dat hij met documenten kan aantonen dat hij is teruggekeerd naar Afghanistan.

In paragraaf C5/20.4.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is voorts bepaald dat, eveneens in afwijking van artikel 4, tweede lid, van de Rva 1997, een asielzoeker in geval van een tweede of herhaalde asielaanvraag recht heeft op opvang indien er sprake is van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat verzoeker gescheiden moet leven van zijn echtgenote en kinderen die wèl opvang hebben, niet als een dergelijke omstandigheid kan worden aangemerkt. Dit geldt eveneens voor het feit dat de echtgenote van verzoeker zwanger is. Het verzoek op het gelijkheidsbeginsel dat in dit verband is gedaan, kan niet slagen aangezien de vrouw in de zaak waar hij naar heeft verwezen, in tegenstelling tot de echtgenote van verzoeker, hoogzwanger was. Onvoldoende is aangetoond dat de echtgenote van verzoeker zijn steun nodig heeft. Verzoeker behoort niet tot een gezin met één of meer kinderen beneden de leeftijd van één jaar.

Verweerder heeft bij brief van 5 december 2001 en ter zitting aangegeven dat verzoeker per 21 december 2001, zes weken vóór de vermoedelijke bevallingsdatum, wel recht heeft op opvang. Verzoeker behoort vanaf dat moment (wel) tot een gezin met één of meer kinderen beneden de leeftijd van één jaar. Verweerder heeft in dit verband aangesloten bij het bepaalde in paragraaf A4/7.2. van de Vc 2000 met betrekking tot het niet kunnen reizen in verband met zwangerschap.

2. Verzoeker heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat zijn asielaanvraag moet worden aangemerkt als een eerste en niet als een herhaalde aanvraag. Hij verwijst hiervoor onder meer naar uitspraken van deze rechtbank (Arnhem, 26 april 2000, Awb 00/527, en 28 september 2000, Awb 00/1532) over de betekenis van artikel 4, tweede lid, van de Rva 1997. Om die reden heeft hij recht op opvang.

In de gronden van zijn verzoekschrift heeft hij zich voorts op het standpunt gesteld dat hij op grond van TBV 2001/24 in aanmerking komt voor opvang. De eis dat hij gedocumenteerd moet aantonen dat hij is teruggekeerd naar zijn land van herkomst is een onredelijke eis. Van iemand die zijn land is ontvlucht kan niet worden verwacht dat hij documenten meeneemt. Er wordt ook niet aan getwijfeld dat hij is teruggekeerd naar Afghanistan. Niet wordt betwist dat hij aan de overige twee vereisten voldoet.

Verzoeker is van mening dat er bovendien sprake is van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden op grond waarvan hij in aanmerking moet komen voor opvang. Zijn echtgenote en drie kinderen zijn wel toegelaten tot de opvang. Zijn echtgenote is zeven maanden zwanger. Blijkens de brief van 4 december 2001 van mevrouw J.G Sniedt-Tuin, verpleegkundige van de Medische opvang asielzoekers (MOA), verloopt de zwangerschap moeizaam en heeft zij de steun van verzoeker nodig. Zij heeft zijn steun tevens nodig omdat zij psychisch lijdt onder het verlies van twee van hun kinderen. Zij is analfabete waardoor het voor haar erg moeilijk is om zelfstandig haar weg te vinden in de Nederlandse maatschappij. Verzoeker doet een gemotiveerd beroep op het gelijkheidsbeginsel met verwijzing naar de zaak K. van een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, in welk geval de echtgenoot eveneens recht op opvang kreeg toen zijn vrouw zeven maanden zwanger was.

De beoordeling

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de president, indien naast een verzoek om een voorlopige voorziening ook een beroep aanhangig is en de president van oordeel is dat na het onderzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3. Op grond van artikel 3a van de Wet Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (Wet COA), in samenhang bezien met artikel 1 van Hoofdstuk 11 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 (Stb. 2001 nr. 496), is de president van de rechtbank te ’s-Gravenhage bevoegd om het onderhavige verzoek te behandelen.

4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet COA is het COA belast met het plaatsen van asielzoekers in opvangcentra. Ingevolge artikel 12 van de Wet COA is de Minister (lees: de staatssecretaris) van Justitie bevoegd regels te stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen. Van die bevoegdheid is gebruik gemaakt door de vaststelling van de Rva 1997.

5. Blijkens het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Rva 1997 geeft de indiening van een tweede of volgende asielaanvraag geen recht op opvang.

6. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker op 4 december 1997 aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf heeft ingediend. Bij beschikking van 12 maart 1998 zijn deze aanvragen afgewezen; verzoeker is wel in het bezit gesteld van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf. Deze beschikking is in rechte onaantastbaar geworden door de intrekking op 30 september 1999 van het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift. Verzoeker is op enig moment teruggekeerd naar Afghanistan. Vervolgens is hij, met zijn gezin, Nederland opnieuw ingereisd en heeft hij op 23 augustus 2001 een nieuw asielverzoek ingediend.

7. Partijen verschillen onder meer van mening of de asielaanvraag van verzoeker van 23 augustus 2001 als tweede of volgende aanvraag in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Rva 1997 moet worden beschouwd.

8. De president overweegt als volgt.

9. In de toelichting op 4, tweede lid, van de Rva 1997 is het volgende vermeld:

"Dit besluit strekt er tevens toe uit te sluiten dat met de indiening van een tweede of volgende asielverzoek als zodanig (hernieuwd) recht op opvang ontstaat, ook al wordt dit verzoek niet als kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk afgedaan. (..) De asielzoeker is tijdens de eerste asielprocedure immers in de gelegenheid gesteld zich omtrent de gronden van zijn aanvraag om toelating als vluchteling te doen horen. Gedurende deze procedure is hem opvang verleend."

In eerdere uitspraken van deze rechtbank (onder meer Arnhem, 28 september 2000 -Awb 00/1532- en 1 juni 2001 -Awb 01/20351 en 01/20382-) is in verband met voornoemde toelichting overwogen:

„De president begrijpt deze toelichting aldus dat er een verband bestaat tussen het weigeren van opvang bij een tweede of volgende asielverzoek en het in de gelegenheid zijn gesteld om zich ten aanzien van de gronden van zijn aanvraag te doen horen. Dat kan niet anders worden begrepen dan dat de tweede of volgende aanvraag, zoals bedoeld in voormelde bepaling, in het verlengde ligt van de eerste. Er is dan sprake van een situatie als omschreven in artikel 4:6 van de Awb: een herhaald verzoek, al dan niet op basis van nieuwe feiten of omstandigheden. Bij een dergelijke aanvraag blijft de eerste aanvraag, als basis voor de nieuwe tweede aanvraag, van betekenis.

In het geval er een geheel nieuwe, zelfstandige aanvraag wordt gedaan, dat wil zeggen een aanvraag die niet in verband staat met een eerdere aanvraag, kan naar het oordeel van de president niet worden uitgegaan van die eerdere aanvraag. De omstandigheid dat de asielzoeker bij het eerdere verzoek in de gelegenheid is gesteld om zich ten aanzien van de (toenmalige) gronden te laten horen, is immers, althans in beginsel, niet van belang in het kader van de nieuwe aanvraag.

Een tweede of volgende aanvraag in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Rva 1997 kan dan ook niet anders worden opgevat als een tweede of volgende (herhaalde) aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De door verweerder gehanteerde definitie dat iedere asielaanvraag een tweede of volgende asielaanvraag is, indien de betrokken asielzoeker op enig moment daarvoor in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend, volgt de president dan ook niet.

Of van een herhaalde, tweede of volgende, dan wel een zelfstandige nieuwe aanvraag sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

In een geval als het onderhavige, waarin de asielaanvraag is voorafgegaan door een periode waarin verzoeker na zijn asielprocedure gedurende een langere periode in het land van herkomst heeft verbleven, en waarvan de gronden van de asielaanvraag zien op problemen die verzoeker heeft ondervonden na terugkeer naar het land van herkomst, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat er geen sprake is van een tweede of volgende aanvraag. Het is de president niet gebleken dat er feiten of omstandigheden zijn die deze vooronderstelling aantasten.

Naar het voorlopig oordeel van de president is er in het onderhavige geval dan ook sprake van een nieuwe aanvraag, die niet kan worden aangemerkt als een tweede of volgende aanvraag in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Rva 1997. Met deze aanvraag begint –kort gezegd- een nieuwe telling. Een „absolute telling“, zoals door verweerder wordt gehanteerd, is gelet op het voorgaande dan ook niet in overeenstemming met laatstgenoemde bepaling, bezien in het licht van artikel 4:6 van de Awb en de toelichting op eerstgenoemde bepaling.

Derhalve heeft verweerder ten onrechte op grond van artikel 4, tweede lid, van de Rva opvang aan verzoeker onthouden.“

10. Verweerder heeft zich, gelet op deze uitspraken, ten onrechte op het standpunt gesteld dat verzoekers asielverzoek van 23 augustus 2001 als een tweede of volgende aanvraag in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Rva 1997 moet worden aangemerkt.

11. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat TBV 2001/24 tegemoet komt aan voornoemde jurisprudentie aangezien daarin is bepaald dat in geval van een herhaalde aanvraag onder omstandigheden toch recht bestaat op opvang indien de asielzoeker tussen zijn asielverzoeken in is teruggekeerd naar zijn land van herkomst. In geval van een herhaalde aanvraag moet, voor de vraag of er recht bestaat op opvang, dan ook worden gekeken of er wordt voldaan aan de voorwaarden die staan genoemd in deze TBV.

12. De president kan verweerder niet volgen op dit punt. Hiervoor is het volgende redengevend.

De TBV 2001/24 is opgesteld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst, namens de Staatssecretaris van Justitie, en is niet gericht aan verweerder maar aan de korpschefs van politieregio’s en aan de staf van de Koninklijke Marechaussee. Niet is gebleken dat verweerder in zijn algemeenheid beleidsregels van de Staatsecretaris van Justitie overneemt en evenmin dat verweerder dit bijzondere beleid heeft overgenomen. Verweerder kan dan ook niet weigeren opvang te verlenen onder verwijzing naar beleidsregels die niet de hare zijn. Daarbij neemt de president in aanmerking dat verweerder in het onderhavige geval beslist heeft op een aanvraag van verzoeker en niet ambtshalve na advisering door de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Voorts is het volgende van belang. In de TBV staat vermeld:

„Dit TBV voorziet in de mogelijkheid tot het bieden van opvang aan indieners van een tweede of volgende aanvraag die teruggekeerd zijn naar het land van herkomst en een tweede of volgende asielaanvraag een nieuw feitencomplex ten grondslag stellen, veroorzaakt door gebeurtenissen die zich na terugkeer in het land van herkomst hebben voorgedaan. Dergelijke tweede of volgende aanvragen zullen voor wat betreft de opvangbepaling worden behandeld als een nieuwe (eerste) aanvraag in de zin van de Rva 1997.“

Deze fictie verdraagt zich evenwel niet met de uitleg die in bovengenoemde uitspraken over de uitleg van artikel 4, tweede lid, van de Rva 1997. De president is van oordeel dat verweerder niet op grond van een beleidsregel, zoals neergelegd in meergenoemde TBV -en zo deze als beleidsregel van verweerder kan worden aangemerkt-, een uitleg van artikel 4, tweede lid, van de Rva 1997, zijnde een algemeen verbindend voorschrift, kan geven die niet in overeenstemming is met die bepaling. Dit laatst klemt te meer, gelet op het navolgende.

De TBV 2001/24 is evenmin in overeenstemming met uitlatingen van de Staatssecretaris van Justitie. Zij heeft immers in een brief van 29 juni 2001 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (TK 2000-2001, 19 637, nr. 596) aangegeven:

„Het is tevens staand beleid dat wanneer een asielzoeker, nadat hij is uitgeprocedeerd én teruggekeerd naar zijn land van herkomst, met nieuwe feiten en omstandigheden wordt geconfronteerd en om die reden opnieuw asiel in Nederland aanvraagt, niet als herhaalde asielzoeker wordt beschouwd en dus wel opvang krijgt.“

Blijkens het verslag van een algemeen overleg dat heeft plaatsgevonden met de vaste commissie voor Justitie op 4 juli 2001 (TK 2000-2001, 19 637, nr. 60 Herdruk) heeft de Staatssecretaris van Justitie in gelijke zin verklaard:

„Verder is er opvang voor de categorie mensen die teruggegaan zijn naar het land van herkomst en daar opnieuw in moeilijkheden zijn geraakt. Dat wordt aangemerkt als een eerste asielaanvraag en om die reden bestaat er recht op opvang. Het gaat hier om bestaand beleid.“

Verweerder heeft geen toereikende verklaring kunnen geven voor de discrepantie tussen de verklaringen van de Staatssecretaris en de inhoud van TBV 2001/24.

13. Gelet op het voorgaande, is de president van oordeel dat de asielaanvraag van verzoeker moet worden aangemerkt als een eerste asielaanvraag, en niet als een tweede of volgende aanvraag in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Rva 1997. Verweerder heeft het ten onrechte aangemerkt als een herhaalde asielaanvraag, althans als een herhaalde aanvraag die ingevolge de TBV 2001/24 (slechts) voor wat betreft de opvang moet worden aangemerkt als een eerste asielaanvraag.

Derhalve heeft verweerder ten onrechte op grond van artikel 4, tweede lid, van de Rva 1997 opvang aan verzoeker onthouden. De president zal het beroep om die reden met toepassing van artikel 8:86 van de Awb gegrond verklaren.

14. Verzoeker heeft de president verzocht om verweerder te veroordelen tot een schadevergoeding voor geleden materiële en immateriële schade. Dit verzoek wordt afgewezen aangezien dit verzoek onvoldoende is onderbouwd en geconcretiseerd. Verzoeker kan zich wenden tot verweerder en om een zelfstandig schadebesluit vragen.

15. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, heeft verzoeker geen belang meer bij de gevraagde voorziening. Het verzoek zal om die reden worden afgewezen.

16. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de president aanleiding aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker, die worden begroot op f 1.420,-- terzake van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift; 1 punt voor verschijnen ter zitting). Aangezien er van mag worden uitgegaan dat de gevraagde toevoeging verleend zal worden, dient de vergoeding ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb betaald te worden aan de griffier.

De beslissing

De president:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- verklaart het beroep gegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van f 1.420,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2001 in tegenwoordigheid van mr. A.S.W. Kroon als griffier.

de griffier de fungerend-president

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt onder meer dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak dient te bevatten en dat artikel 6:6 van de Awb niet van toepassing is. Bij het beroepschrift dient een afschrift van de uitspraak overgelegd te worden.

Afschrift verzonden: