Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7975

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-12-2001
Datum publicatie
18-01-2002
Zaaknummer
AWB 01/23360
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Procesbelang / doorprocederen.

Aan eiseres, afkomstig uit Burundi, is op grond van artikel 29 eerste lid onder d, Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Eiseres stelt dat ten onrechte niet is gemotiveerd waarom geen verblijfsvergunning voor bepaald tijd in de zin van artikel 29, eerste lid onder a, b of c, Vw 2000 is verleend.

De rechtbank volgt verweerder niet in de primaire stelling dat geen formele rechtskracht toekomt aan de beslissing eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 te verlenen. In het Nederlandse bestuursrecht geldt als leidend beginsel dat binnen een bepaalde termijn beroepbare beschikkingen formele rechtskracht krijgen, als daartegen niet (tijdig) of tot in laatste gewone aanleg niet met succes is opgekomen.

In hoofdstuk C1/1.1 en C1/1.2 Vc 2000 is bepaald dat tijdens de asielprocedure in de eerste plaats onderzocht wordt of de asielzoeker moet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Indien dat niet het geval is, wordt onderzocht of het asielrelaas aanleiding geeft tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van achtereenvolgens artikel 29, eerste lid, b tot en met f, Vw 2000. Daaruit volgt dat bij verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder d, Vw 2000 verweerder heeft geoordeeld dat zich geen grond voor verlening van een vergunning als bedoeld onder a, b of c voordoet. Als tegen dat (impliciete) oordeel van verweerder geen beroep wordt ingesteld, krijgt dat oordeel dus formele rechtskracht. Slechts indien uiterst zwaarwegende nieuwe feiten daartoe nopen, zou kunnen worden overwogen het beginsel van de formele rechtskracht in een individueel geval niet (langer) tegen te werpen.

Ten aanzien van verweerders toezegging geen formele rechtskracht tegen te werpen indien in de toekomst de verleende verblijfsvergunning zal worden ingetrokken (of de geldigheidsduur ervan niet zal worden verlengd), en de discussie of de verblijfsvergunning destijds niet op andere gronden had moeten worden verleend alsnog voluit te zullen voeren, oordeelt de rechtbank als volgt.

Het in de Nederlandse rechtsorde geldende gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat de rechter die in (hoger) beroep heeft te oordelen over de intrekking van de verleende vergunning aan de formele rechtskracht van het onbestreden oordeel van verweerder is gebonden. Het rechterlijk oordeel beperkt zich in een dergelijk geval dan ook tot de vraag of verweerder terecht heeft besloten de verleende verblijfsvergunning in te trekken dan wel de geldigheidsduur daarvan niet te verlengen. De vraag of de vreemdeling op dat moment alsnog in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning op één van die andere gronden kan alleen aan bod komen in het kader van een nieuwe asielaanvraag. Aan een inhoudelijke beoordeling van die aanvraag kan de rechter - gelet op het bepaalde in artikel 4:6 Awb - echter slechts toekomen indien sprake is van rechtens relevante nieuwe feiten of omstandigheden. Van een - in rechte te toetsen - volledige heroverweging kan, ondanks toezeggingen daartoe van verweerder, dan ook geen sprake zijn.

Dat uit de parlementaire geschiedenis van de Vw 2000 zou kunnen blijken dat de wetgever een uitzondering heeft willen maken op het beginsel van de formele rechtskracht dan wel op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, maakt dat oordeel niet anders. Als de wetgever een zo ingrijpende uitzondering op zulke fundamentele beginselen had willen maken, had de wetgever dat wel tot uiting gebracht in de tekst van de wet.

Eiseres heeft dan ook belang heeft bij beoordeling van het beroep.

De rechtbank overweegt dat verweerder ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 01/23360 OVERIO GO

uitspraak: 3 december 2001

UITSPRAAK

inzake: A, geboren op [...] 1971,

verblijvende te B

van Burundese nationaliteit,

IND dossiernummer 9908.19.2052,

gemachtigde: mr. J.M.M. Verstrepen, advocaat te Oosterhout,

eiseres.

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

gemachtigde: mr. A.W. van Leeuwen, te 's-Gravenhage,

verweerder.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 21 augustus 1999 heeft eiseres een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij beschikking van 7 december 2000, uitgereikt op 20 december 2000, heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eiseres geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Aan eiseres is een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend, met ingang van 21 augustus 1999 en onder gelijktijdige verlenging van de geldigheidsduur tot 21 augustus 2001.

Door invoering van Vw 2000 is deze vvtv op grond van artikel 115, zesde lid, Vw 2000 van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel.

1.2 Eiseres heeft bij brief van 16 januari 2001 bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 7 december 2000. Bij beschikking van 3 mei 2001 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 31 mei 2001 heeft eiseres beroep ingesteld tegen deze beschikking. Het beroep is ter zitting van 25 september 2001 behandeld. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 TOETSINGSKADER

2.1 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet ingetrokken en is Vw 2000 in werking getreden.

De rechtbank dient te beoordelen of eiseres, na inwerkingtreding van Vw 2000, belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep.

3 STANDPUNTEN

3.1 Eiseres heeft zich op het volgende standpunt gesteld. Eiseres heeft er belang bij vastgesteld te krijgen of zij met ingang van 21 augustus 1999, de datum van haar aanvraag, als vluchtelinge erkend en toegelaten had dienen te worden. Gelet op hetgeen zij heeft aangevoerd en aangetoond, dient geconcludeerd te worden dat zij gericht slachtoffer is geworden van geweld waartegen zij zich in Burundi niet kan beschermen.

Eiseres meent dat zij met terugwerkende kracht in aanmerking had dienen te komen voor primair de vluchtelingenstatus, subsidiair een verblijfsvergunning zonder beperkingen wegens dreigende schending van artikel 3 Europees Verdrag van de rechten van de mens (EVRM) en meer subsidiair vanwege de door haar ondergane traumatische ervaringen.

In de literatuur over Vw2000 is opgemerkt dat bestuursrechtelijk uitgangspunt is dat indien een bestuursorgaan in eerste aanleg aan een belanghebbende ten onrechte het recht op een gunstige beslissing heeft onthouden, in bezwaar of beroep niet met een beroep op de gewijzigde regelgeving dat recht alsnog kan worden onthouden. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen mr. A. Kuijer heeft opgemerkt in "Vreemdelingenwet 2000 Gevolgen voor de rechtspraktijk". De situatie ten tijde van de aanvraag dient in ogenschouw te worden genomen. Verder kan in bezwaar en beroep ook het recht op een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ontstaan, hetgeen ook de regering heeft aangegeven (TK 26 732, nr.3, pag.95).

Verweerder heeft in redelijkheid niet tot de beslissing kunnen komen het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren. Eiseres verzoekt de rechtbank bij gegrondverklaring van het onderhavige beroep met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiseres op 1 april 2001 van rechtswege een vergunning tot verblijf asiel voor onbepaalde tijd heeft verkregen.

3.2 Verweerder stelt zich op het volgende standpunt. Eiseres heeft geen belang bij voortzetting van de onderhavige procedure. Na 1 april 2001 kan een vreemdeling die reeds in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw, geen andere titel verkrijgen dan hij al heeft, ongeacht de vraag of zich mogelijk (ook) een andere grond voor toelating als bedoeld in artikel 29 Vw zou voordoen. De kern van het nieuwe wettelijke systeem is dat in deze situatie geen belang bestaat bij verder procederen. Verweerder verwijst hiertoe naar de parlementaire geschiedenis bij Vw 2000, waaruit de bedoeling van de wetgever op dit punt duidelijk blijkt. Het bezwaar ven eiseres is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Verweerder betoogt voorts dat het beginsel van de formele rechtskracht (waarnaar de meervoudige kamer van de rechtbank in haar uitspraak van 24 augustus 2001 verwijst) geen absoluut karakter heeft. De rechtbank miskent in die uitspraak dat de wetgever in de parlementaire geschiedenis duidelijk heeft gemaakt dat bij de intrekking van een verblijfsvergunning voluit gediscussieerd kan worden over de vraag of bij de verlening van die vergunning verweerder terecht heeft besloten dat betrokkene niet op één van de andere gronden van artikel 29 Vw 2000 in aanmerking kwam voor toelating (of volgens het oude recht voor een A-status of een asielgerelateerde vergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard). Verweerder verwijst in dat verband naar de wetsgeschiedenis (Memorie van Toelichting, TK 1998-1999, 26 732, nummer 3), waaruit blijkt dat de weigering de vreemdeling als vluchteling of op een andere individuele asielgerelateerde grond toe te laten, geen formele rechtskracht krijgt; ook niet als de vreemdeling die op de d-grond van artikel 29 Vw 2000 is toegelaten geen beroep instelt of als het beroep, wegens het ontbreken van belang, niet-ontvankelijk wordt verklaard. Bij intrekking van een vergunning die op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 is verleend, kan de formele rechtskracht van de afwijzing van de verblijfsvergunning op de overige asielgronden dan ook niet door verweerder worden tegengeworpen.

De bedoeling van de wetgever is duidelijk, en van die bedoeling moet dan ook worden uitgegaan, tenzij daardoor strijd ontstaat met rechtstreeks werkende verdragsbepalingen. Daarvan blijkt niet.

Zo er echter van zou moeten worden uitgegaan dat de eerdere beslissing tot toelating op de d-grond desondanks formele rechtkracht krijgt, zegt verweerder toe die formele rechtskracht ingeval van intrekking van die vergunning niet tegen te werpen. In een dergelijk geval zal desgewenst alsnog worden getoetst of de vreemdeling niet op grond van één van de individuele toelatingsgronden voor toelating in aanmerking had moeten komen. Indien daarvan blijkt, zou bezien kunnen worden of ten aanzien van die (bij nader inzien) toepasselijke grond (ook) een intrekkingsgrond voor handen is. Tenslotte kan alsdan worden bezien of de vreemdeling op het moment van de intrekking alsnog op grond van een individuele verleningsgrond in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat alsdan van een andere bewijslastverdeling moet worden uitgegaan, of dat de vreemdeling bewijstechnisch in een moeilijker positie wordt gebracht. De vraag welke eisen moeten worden gesteld aan het te leveren bewijs is te casuïstisch van aard om daarover in dit verband uitspraken te doen.

4 OVERWEGINGEN

4.1 De rechtbank oordeelt als volgt.

4.2 De rechtbank volgt verweerder niet in de primaire stelling dat geen formele rechtskracht toekomt aan de beslissing eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 te verlenen.

In het Nederlandse bestuursrecht geldt als leidend beginsel dat binnen een bepaalde termijn beroepbare beschikkingen formele rechtskracht krijgen, als daartegen niet (tijdig) of tot in laatste gewone aanleg niet met succes is opgekomen (zie onder meer ABRvS 13 juni 1996, AB 1997/2; ABRvS 19 augustus 1996, AB 1997/3).

In C1/1.1 en C1/1.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is bepaald dat tijdens de asielprocedure in de eerste plaats onderzocht wordt of de asielzoeker moet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Indien dat niet het geval is, wordt onderzocht of het asielrelaas aanleiding geeft tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van achtereenvolgens artikel 29, eerste lid, b tot en met f, Vw 2000.

Daaruit volgt dat, ingeval een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder d, Vw 2000 wordt verleend, verweerder heeft geoordeeld dat zich geen grond voor verlening van een vergunning als bedoeld onder a, b of c voordoet. Als tegen dat (implicite) oordeel van verweerder geen (of niet tijdig) beroep wordt ingesteld, of een ingesteld beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, krijgt dat oordeel dus formele rechtskracht.

Slechts indien uiterst zwaarwegende nieuwe feiten daartoe nopen, zou kunnen worden overwogen het beginsel van de formele rechtskracht in een individueel geval niet (langer) tegen te werpen. Dat is echter een situatie die zich thans niet voordoet.

4.3 Ten aanzien van verweerders toezegging geen formele rechtskracht tegen te werpen indien in de toekomst de verleende verblijfsvergunning zal worden ingetrokken

(of de geldigheidsduur ervan niet zal worden verlengd), en de discussie of de verblijfsvergunning destijds niet op andere gronden had moeten worden verleend alsnog voluit te zullen voeren, oordeelt de rechtbank als volgt.

Het in de Nederlandse rechtsorde geldende gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat de rechter die in (hoger) beroep heeft te oordelen over de intrekking van de verleende vergunning aan de formele rechtskracht van het onbestreden oordeel van verweerder is gebonden. Het rechterlijk oordeel beperkt zich in een dergelijk geval dan ook tot de vraag of verweerder terecht heeft besloten de verleende verblijfsvergunning in te trekken dan wel de geldigheidsduur daarvan niet te verlengen. De vraag of aan de vreemdeling in het verleden een verblijfsvergunning op andere gronden had moeten worden verleend (en dus de vraag of verweerder bij de intrekking of niet verlenging van de verleende vergunning de juiste gronden heeft gehanteerd) kan daarbij geen rol spelen. De vraag of de vreemdeling op dat moment alsnog in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning op één van die andere gronden kan alleen aan bod komen in het kader van een nieuwe asielaanvraag. Aan een inhoudelijke beoordeling van die aanvraag kan de rechter - gelet op het bepaalde in artikel 4:6 Awb - echter slechts toekomen indien sprake is van rechtens relevante nieuwe feiten of omstandigheden.

Van een -in rechte te toetsen- volledige heroverweging kan, ondanks toezeggingen daartoe van verweerder, dan ook geen sprake zijn.

Dat uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van Vw 2000 zou kunnen blijken dat de wetgever een uitzondering heeft willen maken op het beginsel van de formele rechtskracht dan wel op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, maakt dat oordeel niet anders. Als de wetgever een zo ingrijpende uitzondering op zulke fundamentele beginselen had willen maken, had de wetgever dat wel tot uiting gebracht in de tekst van de wet.

4.4 Eiseres heeft dan ook een rechtens te honoreren belang bij beoordeling van haar beroep.

De rechtbank stelt vast dat verweerder ten onrechte heeft besloten het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren, zodat het beroep gegrond moet worden verklaard.

4.5 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten en het door haar betaalde griffierecht.

5 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beschikking van 3 mei 2001;

- draagt verweerder op een nieuwe beschikking te geven met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad  50,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ad  1.420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Elderman, voorzitter, en mrs. G. Blomsma en J.F.M.J. Bouwman, rechters, en in het openbaar uitgesproken door mr. W.P.M. Elderman in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier op 3 december 2001.

--------------

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: