Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7708

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-2001
Datum publicatie
17-01-2002
Zaaknummer
AWB 00/6227
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezinsleven / positieve verplichting.

Eiser heeft een aanvraag tot verlening van een vtv voor verblijf bij zijn Nederlandse minderjarige kinderen en voor verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard gedaan. Eisers partner, de moeder van zijn kinderen, is overleden. Eiser beschikte niet over een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner, wel is eiser in het bezit van een Franse verblijfsvergunning.

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag van eiser om vtv bij zijn kinderen niet past in de categorieën waarvoor beleid is geformuleerd in hoofdstuk B1 Vc-1994. Verweerder heeft ten onrechte getoetst aan het in hoofdstuk B1/7 Vc-1994 neergelegde beleid inzake verruimde gezinshereniging, aan welk beleid de aanvraag van eiser is getoetst. Dit beleid ziet immers op de situatie waarin een aanvraag om toelating wordt gedaan door gezinsleden die moreel en financieel afhankelijk zijn van de persoon bij wie verblijf wordt verzocht, welke afhankelijkheid reeds in het buitenland moet hebben bestaan. In het onderhavige geval betreft het hier een vader die bij zijn minderjarige kinderen wil verblijven om voor ze te zorgen. Nu verweerder een beleid heeft toegepast dat niet is toegespitst op de situatie van eiser heeft verweerder de bestreden beschikking onvoldoende gemotiveerd. Vaststaat dat in het onderhavige geval sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Het recht op respect voor dit familie- en gezinsleven strekt er eerst en vooral toe bescherming te verlenen tegen inmenging daarin. In het onderhavige geval is van inmenging in de zin van voornoemde verdragsbepaling geen sprake. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoordt of zich met betrekking tot eiser en zijn kinderen zodanig bijzondere feiten en omstandigheden voordoen dat uit het recht op respect voor hun familie- en gezinsleven de positieve verplichting voortvloeit ten behoeve van de overeenkomst van eiser en zijn kinderen een verblijfsvergunning te verlenen. In onderhavige zaak is een aantal omstandigheden naar voren gekomen die naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende door verweerder bij de vereiste belangenafweging zijn betrokken. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 00/6227 VRWET Z VR

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1943,

verblijvende te B

van Kameroense nationaliteit,

IND dossiernummer 9901.15.8021,

eiser,

gemachtigde: mr. C.T.G. van Schie, advocaat te Nijmegen;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A.G.J. van Ouwerkerk, ambtenaar ten departemente.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 13 januari 1999 heeft eiser een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij zijn Nederlandse kinderen en voor verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard gedaan. Bij beschikking van 10 augustus 1999 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

1.2 Eiser heeft daartegen bij brief van 6 september 1999 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 4 mei 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 30 mei 2000 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 4 oktober 2001. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.3 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser heeft de Kameroense nationaliteit en is in het bezit van een Franse verblijfsvergunning, welke geldig is tot 14 november 2003. Zijn beroep is muzikant en hij heeft bekendheid gekregen als bassist van de Afrikaanse band Osibisa. Vanaf 1995 had eiser een relatie met de Nederlandse C. Eiser heeft op basis van zijn Franse verblijfsvergunning langdurig in Nederland verbleven. Uit de relatie zijn op 1 november 1997 twee kinderen geboren, D en E. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit. Eiser heeft zijn kinderen erkend en heeft met zijn partner en de kinderen in gezinsverband samengewoond. Op 1 september 1998 is zijn partner overleden. Sindsdien heeft eiser de zorg voor de opvoeding van zijn kinderen. Eiser heeft het ouderlijk gezag over zijn kinderen toegewezen gekregen. Eisers kinderen zijn de enige erfgenamen van hun moeder. Zij zijn daardoor eigenaar geworden van de woning waar zij nu in wonen, met een geschatte waarde van 600.000 gulden. Op 13 januari 1999 heeft eiser een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij zijn Nederlandse kinderen en voor verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard gedaan.

2.4 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden die worden gesteld in het beleid ten aanzien van verruimde gezinshereniging, zoals dat is neergelegd in hoofdstuk B1/7 van de Vreemdelingencirculaire 1994. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat degene bij wie toelating als gezinslid wordt beoogd duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van de wet. Niet is aangetoond dat de kinderen van eiser duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan; daartoe zijn geen stukken uit objectieve verifieerbare bron overgelegd. Met de inkomsten uit optredens en royalties waarover eiser stelt te beschikken, kan geen rekening worden gehouden, nu het in beginsel gaat om de vraag of degene bij wie verblijf wordt beoogd duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Verweerder heeft gesteld dat achterlating van eiser niet van onevenredige hardheid is. Eiser is in het bezit van een verblijfsvergunning voor Frankrijk en heeft de Kameroense nationaliteit. Van hem kan verwacht worden dat hij zich zelfstandig kan staande houden in Kameroen dan wel Frankrijk.

Er zijn naar de mening van verweerder geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of gekomen op grond waarvan eiser om klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit zou moeten worden gesteld van een vergunning tot verblijf. Dat eiser alleen de zorg heeft voor de opvoeding van zijn kinderen en dat eiser, evenals zijn overleden partner, wil dat zijn kinderen opgroeien in Nederland zodat ze regelmatig contact kunnen hebben met zijn schoonfamilie, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft daarbij gesteld dat eiser tot op heden nimmer in het bezit is geweest van een voor Nederland geldige verblijfstitel. Het feit dat eisers kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, houdt niet in dat eiser op die grond op een verblijfstitel in Nederland aanspraak zou kunnen maken. Mede gelet op de jonge leeftijd van de kinderen wordt geen sprake geacht van een zodanige geworteldheid in de Nederlandse samenleving dat eiser, als enige ouder, op grond daarvan desalniettemin verblijf in Nederland dient te worden toegestaan.

Indien de weigering eiser verblijf hier ten lande toe te staan ertoe leidt dat de kinderen gedwongen zullen zijn Nederland te verlaten, houdt zulks dan ook geen verband met een overheidshandelen waarbij hen het recht op verblijf in Nederland wordt ontzegd, doch enkel met de keuze van eiser om zijn kinderen met zich mee te nemen naar het land van herkomst dan wel Frankrijk, in plaats van hen onder te brengen bij familieleden in Nederland.

Verweerder heeft voorts overwogen dat eiser geen rechten kan ontlenen aan het beleid betreffende het voortgezet verblijf na verbreking relatie, dat is neergelegd in hoofdstuk B1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire, nu eiser nimmer in het bezit is geweest van een vergunning tot verblijf. Verweerder heeft er nog op gewezen dat eiser geen rechten kan ontlenen aan het gemeenschapsrecht

De weigering om aan eiser verblijf hier te lande toe te staan levert geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Weliswaar is in dit geval sprake van gezinsleven tussen eiser en zijn kinderen, maar van inmenging in het recht op eerbiediging daarvan is geen sprake, aangezien de weigering eiser verblijf hier te lande toe te staan er niet toe strekt hem een verblijfstitel te ontnemen die hem tot het uitoefenen van het familie- of gezinsleven hier te lande in staat stelde. Niet gebleken is van een objectieve belemmering om het familie- of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Gesteld noch gebleken is dat de kinderen van eiser niet zouden worden toegelaten tot Frankrijk dan wel tot het land van herkomst van eiser. Daarom rust er geen positieve verplichting op Nederland om uitoefening van het familie- of gezinsleven toe te staan. Bovendien belet de weigering verblijf hier te lande toe te staan niet de voortzetting van het familie - of gezinsleven tussen eiser en zijn kinderen zoals dat tot nu toe bestaat, heen en weer reizend tussen Frankrijk en Nederland.

2.5 Eiser heeft er op gewezen dat zijn aanvraag niet past in een van de verblijfscategorieën waarvoor beleid is geformuleerd in hoofdstuk B1 van de Vc 1994. Hij stelt zich evenwel op het standpunt dat op grond van de door hem geschetste omstandigheden de weigering om hem verblijf in Nederland toe te staan kennelijk onredelijk is.

Eiser heeft vanaf 1995 vrijwel onafgebroken in Nederland verbleven. Hij heeft geen vergunning tot verblijf voor verblijf bij zijn Nederlandse partner aangevraagd omdat de noodzaak daarvoor niet aanwezig was, nu eiser op grond van zijn Franse verblijfsvergunning de facto permanent in Nederland kon verblijven. Eiser en zijn partner waren voornemens om te trouwen. Dit heeft geen doorgang kunnen vinden door het overlijden van zijn partner. Eiser heeft nu de zorg voor de kinderen, die ten tijde van het overlijden van hun moeder nog geen jaar oud waren. Bij die zorg krijgt eiser hulp van het sociale netwerk dat hij heeft opgebouwd in Nederland. Een dergelijk netwerk ontbreekt in Frankrijk of Kameroen, nu hij daar al lang niet meer heeft verbleven. Eiser is al ruim dertig jaar geleden vertrokken uit Kameroen en sinds 1995 is hij niet veel meer in Frankrijk geweest. Er is veelvuldig contact tussen eiser, zijn schoonfamilie en de kinderen. De schoonfamilie acht het van groot belang dat de kinderen in Nederland blijven. De werkzaamheden als muzikant zijn goeddeels beëindigd. Eiser en zijn kinderen leven nu van de royalties die eiser ontvangt en van het nabestaanden- en wezenpensioen dat aan hen is toegekend. De uitbetaling van dit pensioen is in verband met onduidelijkheid omtrent eisers verblijfsrechtelijke positie opgeschort. Ter zitting heeft eiser evenwel verklaard dat in verband met jurisprudentiële ontwikkelingen ter zake van de toepassing van de Koppelingswet, alsnog tot uitbetaling zal worden overgegaan. Eiser heeft voorts gewezen op de brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 25 april 2000, waarin het beleid betreffende de vreemdelingrechtelijke rechtspositie van vrouwen in het vreemdelingenbeleid (de zogenaamde Vrouwennota) is uiteengezet. In dit beleid, dat overigens ook voor mannen geldt, is bepaald dat indien een huwelijk of relatie is beëindigd door het overlijden van de partner, voortgezet verblijf wordt toegestaan. Eiser erkent dat hem geen verblijfsvergunning is toegekend op grond van de relatie met zijn overleden partner en dat zijn aanvraag in zoverre niet voldoet aan de voorwaarden van de Vrouwennota. Hij meent echter dat het in genoemde Vrouwennota geformuleerde beleid zoveel aanknopingspunten heeft met zijn zaak, dat dit beleid toch toepassing zou moeten vinden, onder gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid.

Eiser meent voorts dat gezien de zeer bijzondere individuele omstandigheden van zijn geval, de weigering om hem verblijf in Nederland toe te staan in strijd is met artikel 8 EVRM. Verweerder heeft geen blijk gegeven de in dit kader van belang zijnde belangen te hebben afgewogen.

2.6 De rechtbank oordeelt als volgt.

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag van eiser om vergunning tot verblijf bij zijn kinderen niet past in de categorieën waarvoor beleid is geformuleerd in hoofdstuk B1 van de Vc 1994. Dat geldt ook het in hoofdstuk B1/7 van de Vc 1994 neergelegde beleid inzake verruimde gezinshereniging, aan welk beleid de aanvraag van eiser is getoetst. Dit beleid ziet immers op de situatie waarin een aanvraag om toelating wordt gedaan door gezinsleden die moreel en financieel afhankelijk zijn van de persoon bij wie verblijf wordt verzocht, welke afhankelijkheid reeds in het buitenland moet hebben bestaan. In het onderhavige geval is de situatie echter eerder andersom; het betreft hier een vader die bij zijn minderjarige Nederlandse kinderen die van hem afhankelijk zijn wil verblijven om voor ze te zorgen.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval dan ook ten onrechte getoetst aan het beleid inzake verruimde gezinshereniging en ten onrechte tegengeworpen dat de kinderen over onvoldoende middelen van bestaan beschikken. Nu verweerder een beleid heeft toegepast dat niet is toegespitst op de situatie van eiser heeft verweerder de bestreden beschikking onvoldoende gemotiveerd. Reeds hierom dient de bestreden beschikking te worden vernietigd.

2.7 Vaststaat dat in het onderhavige geval sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM tussen eiser en zijn twee minderjarige kinderen. Met betrekking tot het beroep op dit artikel wordt het volgende overwogen.

In artikel 8 EVRM, eerste lid is bepaald dat ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Het recht op respect voor dit familie- en gezinsleven strekt er eerst en vooral toe bescherming te verlenen tegen inmenging daarin. In het onderhavige geval is van inmenging in de zin van voornoemde verdragsbepaling geen sprake. Het besluit van verweerder om eiser niet in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf strekt er immers niet toe hem een verblijfstitel te ontnemen die hem tot het uitoefenen van familie- en gezinsleven hier te lande in staat stelde.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of zich met betrekking tot eiser en zijn kinderen zodanig bijzondere feiten en omstandigheden voordoen dat uit het recht op respect voor hun familie en gezinsleven voor verweerder de positieve verplichting voortvloeit ten behoeve van de overeenkomst van eiser en zijn kinderen een verblijfsvergunning te verlenen. Op grond van vaste jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) geldt als uitgangspunt dat artikel 8 EVRM voor de staat geen algemene verplichting met zich brengt de domiciliekeuze van een vreemdeling te eerbiedigen of gezinsvorming of hereniging op zijn grondgebied mogelijk te maken door immigratie toe te staan. Blijkens deze jurisprudentie dient bij de beantwoording van de vraag of voor verweerder uit artikel 8 EVRM een verplichting voortvloeit om aan een vreemdeling verblijf toe te staan, een redelijke afweging plaats te vinden tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel. Het bereiken van een "fair balance" tussen die belangen staat daarbij voorop. Het EHRM verlangt telkens een op de individuele zaak toegesneden belangenafweging. Uit de jurisprudentie van de EHRM volgt dat daarbij aan verweerder een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid toekomt.

In onderhavige zaak is een aantal omstandigheden naar voren gekomen die naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende door verweerder bij de vereiste belangenafweging zijn betrokken. Het betreft de volgende omstandigheden:

Niet in geschil is dat eiser sinds 1995 (grotendeels) in Nederland verblijft, aanvankelijk wegens verblijf bij zijn Nederlandse partner. Eiser heeft weliswaar geen vergunning gehad voor verblijf bij zijn partner, doch daarbij kan aangetekend worden dat eiser op basis van zijn Franse verblijfsvergunning langdurig in Nederland mocht verblijven, zodat voorstelbaar is dat eiser de noodzaak om een verblijfsvergunning aan te vragen voor verblijf bij zijn Nederlandse partner niet heeft ingezien. Niet uitgesloten kan worden dat een aanvraag voor een zodanige verblijfsvergunning ingewilligd zou zijn, waardoor eiser nu, gelet op het bepaalde in eerdergenoemde Vrouwennota, mogelijk recht op voorgezet verblijf zou hebben gehad.

Eisers kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Sedert het overlijden van eisers partner draagt eiser alleen de zorg voor de verzorging en opvoeding van zijn kinderen. Bij beschikking van 19 februari 1999 van de kantonrechter te Nijmegen is eiser belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. Bij deze beslissing is de kantonrechter er van uit gegaan, dat eiser in Nederland verblijft en bij eventueel vertrek uit Nederland de kinderen in Nederland zal achterlaten. Door eiser wordt daadwerkelijk inhoud gegeven aan de opvoedings- en verzorgingstaak. Er is regelmatig contact tussen de schoonfamilie van eiser, eiser zelf en de kinderen. Er mag van uit worden gegaan dat het de wens van eisers overleden partner, alsmede van de schoonfamilie is dat de kinderen in Nederland blijven bij eiser en een Nederlandse opvoeding zullen krijgen. Hoewel geen inzicht is verkregen in de inkomens- en vermogenspositie van eiser en de kinderen, gaat de rechtbank er, gelet op de aanspraak van eiser en de kinderen op uitkering van een nabestaanden / wezenpensioen, de eventuele inkomsten van eiser uit royalties, alsmede het bezit van de woning, vooralsnog van uit dat eiser duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Eiser heeft in Nederland een sociaal netwerk waar hij een beroep op kan doen voor opvang van de kinderen. Eiser is al ruim dertig jaar geleden uit Kameroen vertrokken en heeft sinds 1995 slechts weinig tijd doorgebracht in Frankrijk. Het is derhalve aannemelijk dat eiser niet over een dergelijk netwerk beschikt in Frankrijk of Kameroen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bovengenoemde omstandigheden onvoldoende meegenomen in de belangenafweging bij de vraag of er sprake is van een positieve verplichting om eiser verblijf in Nederland toe te staan. De bestreden beschikking is derhalve ook op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd.

2.8 Het beroep is derhalve gegrond.

2.9 Gezien het voorgaande bestaat geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuurswet (Awb) te bepalen dat het door eiser betaalde griffierecht wordt vergoedt door de Staat der Nederlanden.

2.10 Tevens bestaat aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan om het bepaalde griffierecht ad. f 225,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad f 1.420,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. F.L.M. Heine als griffier op 19 november 2001.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open (artikel 33e Vw).

Afschrift verzonden: 21 november 2001