Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7606

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-10-2001
Datum publicatie
05-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/48248
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / termijn.

In het onderhavige geding is door de gemachtigde van de vreemdeling de vraag opgeworpen of het onderhavige beroep dient te worden aangemerkt als een eerste beroep als bedoeld in artikel 94 Vw 2000, in welk geval de vreemdeling ingevolge het tweede lid van deze bepaling dient te worden gehoord, dan wel als een vervolgberoep als bedoeld in artikel 96 Vw 2000, in welk geval dit vereiste niet geldt.

Voor beantwoording van de door de gemachtigde van de vreemdeling opgeworpen vraag acht de rechtbank van belang dat er in casu sprake is van een onderbreking van de bewaring teneinde de tenuitvoerlegging van een opgelegde vrijheidsstraf van zeer korte duur mogelijk te maken. Deze onderbreking is gerealiseerd door het opheffen en vervolgens opnieuw opleggen van de maatregel van bewaring. Voorts acht de rechtbank van belang dat de vreemdeling nog ter zitting van de rechtbank van 14 september 2001 is gehoord, evenals voorafgaande aan de inbewaringstelling van 21 september 2001, terwijl bij voortduring van de bewaring de rechtmatigheid van deze voortduring - behoudens de mogelijkheid van tussentijds beroep door de vreemdeling - pas weer omstreeks begin november 2001 ter beoordeling van de rechtbank zou hebben gestaan. Nu de opheffing van de bewaring niet plaatsvond omdat voortzetting ervan niet gerechtvaardigd zou zijn, doch slechts teneinde de executie van een opgelegde vrijheidsstraf van zeer korte duur mogelijk te maken, en nu eveneens vaststaat dat de vreemdeling nog kort geleden ter zitting is gehoord, merkt de rechtbank het onderhavige beroepschrift aan als een vervolgberoep ex artikel 96 Vw 2000. Het feit dat de vreemdeling niet ter zitting is verschenen noopt derhalve niet tot het aanhouden van de behandeling van de zaak tot een nadere zitting teneinde de vreemdeling alsnog te horen.

Het voorgaande brengt tevens met zich mede, dat de eerste periode van bewaring opgeteld wordt bij de onderhavige bewaring, zodat thans wordt uitgegaan van een totale duur van de bewaring van ruim vijf maanden. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59, geldigheid: 2001-10-09
Vreemdelingenwet 2000 94, geldigheid: 2001-10-09
Vreemdelingenwet 2000 96, geldigheid: 2001-10-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/48248 VRWET

Inzake : A, crv nummer 1501066302, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Tilburg, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. M.J. van Basten Batenburg, advocaat te

's-Gravenhage,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. D. Grip, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1967 en een burger te zijn van Palestina.

2. De vreemdeling is bij maatregel van 2 mei 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000).

Verweerder heeft laatstelijk bij kennisgeving d.d. 4 september 2001 de rechtbank ingevolge artikel 96 lid 2 Vw2000 in kennis gesteld van het voortduren van deze bewaring. Na het onderzoek ter zitting van de rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 14 september 2001, alwaar de vreemdeling in persoon is verschenen, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard bij uitspraak d.d. 21 september 2001.

3. Op 17 september 2001 heeft verweerder de bewaring opgeheven, zulks in verband met de tenuitvoerlegging van een aan de vreemdeling opgelegde vrijheidsstraf van zeven dagen.

4. Bij kennisgeving op grond van artikel 94 Vw2000, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 25 september 2001, heeft verweerder de rechtbank bericht dat de vreemdeling bij besluit van 21 september 2001 opnieuw de maatregel van bewaring is opgelegd, ingaande 23 september 2001, direct in aansluiting op de strafrechtelijke detentie. Krachtens die bepaling wordt de vreemdeling na de ontvangst van deze kennisgeving geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.

5. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2001. De vreemdeling heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De gemachtigde van de vreemdeling heeft ter zitting aangevoerd dat het onduidelijk is of het onderhavige beroep dient te worden aangemerkt als een eerste beroep als bedoeld in artikel 94 Vw2000, in welk geval de vreemdeling ingevolge lid 2 van deze bepaling dient te worden gehoord, dan wel als een vervolgberoep als bedoeld in artikel 96 Vw2000, in welk geval dit vereiste niet geldt.

2. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. Voor beantwoording van de door de gemachtigde van de vreemdeling opgeworpen vraag acht de rechtbank van belang dat er in casu sprake is van een onderbreking van de bewaring teneinde de tenuitvoerlegging van een opgelegde vrijheidsstraf van zeer korte duur mogelijk te maken. Deze onderbreking is gerealiseerd door het opheffen en vervolgens opnieuw opleggen van de maatregel van bewaring. Voorts acht de rechtbank van belang dat de vreemdeling nog ter zitting van de rechtbank van 14 september 2001 is gehoord, evenals voorafgaande aan de inbewaringstelling van 21 september 2001, terwijl bij voortduring van de bewaring de rechtmatigheid van deze voortduring - behoudens de mogelijkheid van tussentijds beroep door de vreemdeling - pas weer omstreeks begin november 2001 ter beoordeling van de rechtbank zou hebben gestaan.

Nu de opheffing van de bewaring niet plaatsvond omdat voortzetting ervan niet gerechtvaardigd zou zijn, doch slechts teneinde de executie van een opgelegde vrijheidsstraf van zeer korte duur mogelijk te maken, en nu eveneens vaststaat dat de vreemdeling nog kort geleden ter zitting is gehoord, merkt de rechtbank het onderhavige beroepschrift aan als een vervolgberoep ex artikel 96 Vw2000. Het feit dat de vreemdeling niet ter zitting is verschenen noopt derhalve niet tot het aanhouden van de behandeling van de zaak tot een nadere zitting teneinde de vreemdeling alsnog te horen.

Het voorgaande brengt tevens met zich mede, dat de eerste periode van bewaring opgeteld wordt bij de onderhavige bewaring, zodat thans wordt uitgegaan van een totale duur van de bewaring van ruim vijf maanden.

3. Gelet op het bovenstaande staat thans ter beoordeling of verdere voortzetting van de maatregel van bewaring, gegeven de omstandigheden van het geval, rechtmatig is.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend te werk gaat. Gebleken is dat verweerder in de korte periode tussen de laatste uitspraak en de onderhavige zitting, het nodige heeft ondernomen om te komen tot uitzetting van de vreemdeling. Maandelijks wordt bij de autoriteiten van Tunesië, waar de vreemdeling is gepresenteerd en de laissez-passer aanvraag in behandeling is, gerappelleerd, laatstelijk op 21 september 2001. Voorts is een taalanalyse aangevraagd op 28 september 2001.

5. Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel ook thans niet in strijd is met artikel 96, vierde lid, Vw2000. Er is vooralsnog geen reden om aan te nemen dat een laissez-passer niet zal worden verkregen zodat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.

6. Niet gebleken is dat de voortzetting van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

7. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding de opheffing van de maatregel te bevelen.

8. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.C.R. Derkx en uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2001, in tegenwoordigheid van S.J.W. Stort, griffier.

afschrift verzonden op: 9 oktober 2001