Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7597

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-10-2001
Datum publicatie
21-12-2001
Zaaknummer
AWB 00/67526, 00/67528
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Azerbeidzjan / vestigingsalternatief Nagorno Karabach.

Verzoekers behoren tot de Armeense bevolkingsgroep in Azerbeidzjan. Verzoekers hebben verklaard dat zij, nadat zij in 1992 uit Karatsinar waren gevlucht wegens aanvallen van Azeri, tot juli 1999 met circa 150 etnische Armeniërs hebben geleefd in een dorp. Zij hebben verklaard dat zij zich daar verborgen hielden voor de Azeri en dat dit gehucht op 14 of 15 juli 1999 werd ontdekt door vliegtuigen van de Azerbeidzjaanse strijdkrachten. Gelet hierop had verweerder niet zonder meer de conclusie kunnen trekken dat de aanval niet op de persoon van verzoekers gericht was. Niet uitgesloten kan worden dat de aanval een gerichte aanval tegen de Armeense bevolking in het dorp was, die als een daad van vervolging zou kunnen worden beschouwd. De bestreden besluiten zijn in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Het vorenstaande neemt niet weg dat verweerder zich in de bestreden besluiten naar het oordeel van de president terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekers zich aan eventuele problemen in Azerbeidzjan kunnen onttrekken door zich in Nagorno Karabach te vestigen. Uit het ambtsbericht van 28 december 1999 blijkt dat deze enclave als vestigingsmogelijkheid voor etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan kan worden aangemerkt, zowel voor degenen die afkomstig zijn uit Bakoe en omgeving als uit andere delen van Azerbeidzjan. Verzoekers hebben aangevoerd dat, nu Nagorno Karabach niet rechtstreeks vanuit Azerbeidzjan te bereiken is, maar slechts via Armenië, dit niet als binnenlands vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. In dit verband hebben zij gewezen op de uitspraken AWB 00/545 en 00/546 van de president van deze rechtbank Arnhem, van 30 november 2000 en AWB 00/65778 en 00/67307 van de president van de rechtbank Assen, van 19 april 2001. In die uitspraken is de vraag opgeworpen of het tegenwerpen van Nagorno Karabach als binnenlands vluchtalternatief mogelijk dan wel gerechtvaardigd is, indien dat alternatief slechts is te bereiken via het grondgebied van een ander land, te weten Armenië. De president overweegt naar aanleiding hiervan dat uit voornoemd ambtsbericht blijkt dat vanuit Armenië vrij gereisd kan worden naar Nagorno Karabach. Verzoekers kunnen Nagorno Karabach derhalve via Armenië bereiken. De president acht niet aannemelijk dat de omstandigheid dat verzoekers niet de Armeense nationaliteit hebben er aan in de weg staat dat zij via dat land Nagorno Karabach kunnen bereiken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit voornoemd ambtsbericht noch uit het ambtsbericht van 22 mei 2000 over de situatie in Armenië blijkt dat de Armeense overheid belemmeringen opwerpt ten aanzien van de vestiging in Nagorno Karabach van etnische Armeniërs afkomstig uit Azerbeidzjan. Laatstgenoemd ambtsbericht maakt integendeel melding van een aanmoedigingsprogramma om Karabachi te doen terugkeren. Weliswaar wordt niet vermeld dat dit programma betrekking heeft op de vestiging in Nagorno Karabach van etnische Armeniërs afkomstig uit andere delen van Azerbeidzjan, maar dit duidt niettemin op een positieve houding van de Armeense overheid ten aanzien van vestiging in Nagorno Karabach. Ook vermeldt het ambtsbericht dat de inspanningen van de Armeense overheid gericht zijn op naturalisatie en integratie van de groep etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan. Daarmee valt moeilijk te rijmen dat het niet bezitten van de Armeense nationaliteit een probleem zou vormen in geval van doorreis van etnische Armeniërs naar Nagorno Karabach. Verzoekers hebben verder gesteld dat zij wegens hun leeftijd en het spreken van een vreemd Armeens dialect niet in Nagorno Karabach terecht kunnen. De president is hier echter niet van overtuigd geraakt. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat verzoekers van gevorderde leeftijd zijn, maar dat zij zich van 1992 tot 1999 onder moeilijke omstandigheden in Azerbeidzjan staande hebben gehouden, waarbij zij in hun levensonderhoud voorzagen door het houden van vee en verbouwen van groenten. Zij leefden toen onder etnische Armeniërs, hetgeen ook in Nagorno Karabach het geval zal zijn. Dat zij aldaar problemen zullen ondervinden door een afwijkend accent acht de president niet aannemelijk. Tenslotte is niet gebleken dat de gezondheidstoestand van verzoekers zich tegen vestiging in Nagorno Karabach verzet. Bezwaar ongegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 118, geldigheid: 2001-10-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 71 Vreemdelingenwet 2000

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/67526 VRWET

AWB 00/67528 VRWET

Inzake : A en B, verzoekers, woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigde, mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. G.J. Huith, advocaat te Den Haag.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoekers, geboren op respectievelijk [...] 1929 en op [...] 1942, bezitten de Azerbeidzjaanse nationaliteit. Zij verblijven sedert 27 juli 1999 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet in Nederland. Op 16 augustus 1999 hebben zij

aanvragen ingediend om toelating als vluchteling. Hierop is door verweerder op 21 maart 2000 afwijzend beslist. Verzoekers hebben tegen deze besluiten een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op grond van artikel 32 Vreemdelingenwet 1965 (Vw1965) bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten.

2. Op 23 oktober 2000 hebben verzoekers de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op hun bezwaarschrift is beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende

stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

3. De openbare behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 17 september 2001. Verzoekers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de

president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw2000), Stbl. 2000, 495. Gelet op het bepaalde bij artikel 118, tweede lid, Vw2000 is artikel 32,

eerste lid, Vw1965 op de behandeling van het onderhavige bezwaarschrift van toepassing. Met betrekking tot de uitzetting moet derhalve aan deze bepaling worden getoetst.

3. Gezien het bepaalde in artikel 7:11 Awb, artikel 118 Vw2000 en de Memorie van Toelichting hierop zal op het bezwaar moeten worden beslist met toepassing van het materiële recht zoals neergelegd in de bepalingen bij of krachtens de Vw2000.

4. Verzoekers stellen dat zij in aanmerking komen voor toelating in Nederland. Daartoe hebben zij onder meer aangevoerd dat zij behoren tot de Armeense bevolkingsgroep en de christelijke godsdienst belijden. In juni 1992 zijn verzoekers vanuit hun

woonplaats Karatsinar gevlucht vanwege aanvallen van Azeri op het dorp. Een van verzoekers' zonen is hierbij omgekomen en de andere zoon, alsmede zijn gezin, wordt sindsdien vermist. Verzoekers hebben na hun vlucht in een ander dorpje, genaamd

Zakjanatak, verbleven. In juli 1999 werd ook dit dorp door Azeri aangevallen, zodat zij ook uit dit dorp zijn gevlucht. Zij hebben enige dagen bij mensen in huis verbleven, via wie zij in contact zijn gekomen met een man, C, die hen heeft geholpen

het land te verlaten.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers niet voor toelating in aanmerking komen en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven.

6. Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, die uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich

bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

7. Vooropgesteld moet worden dat de situatie in Azerbeidzjan niet zodanig is dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Verzoekers zullen dus aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot henpersoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die hun vrees voor vervolging in vluchteling-rechtelijke zin rechtvaardigen.

8. Anders dan verweerder acht de president het asielrelaas van verzoekers geloofwaardig. De door verweerder - eerst in het verweerschrift - gesignaleerde onderlinge inconsistenties wat betreft de gevolgde reisroute zijn van ondergeschikte aard en onvoldoende om aan het asielrelaas van verzoekers te twijfelen.

9. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat de aanval door Azeri op het dorp Zakjanatak, die aanleiding was voor de vlucht van verzoekers, niet tot een gegronde vrees voor vervolging kan leiden, omdat deze aanval geen blijk geeft van een

specifiek op verzoekers gerichte aandacht, maar een direct gevolg was van de strijd tussen elkaar bevechtende Armeense en Azerbeidzjaanse milities. Verzoekers liepen het risico hiervan op vrij willekeurige wijze het slachtoffer te worden. Hetgeen

verzoekers hierover hebben aangevoerd moet daarom worden opgevat als een beroep op de algemene situatie in Azerbeidzjan, aldus verweerder. De president acht dit standpunt onvoldoende gemotiveerd. Verzoekers hebben verklaard dat zij, nadat zij in 1992

uit Karatsinar waren gevlucht wegens aanvallen van Azeri, tot juli 1999 met circa 150 etnische Armeniërs hebben geleefd in Zakjanatak, een gehucht in de bossen. Zij hebben verklaard dat zij zich daar verborgen hielden voor de Azeri en dat dit gehucht op 14 of 15 juli 1999 werd ontdekt door vliegtuigen van de Azerbeidzjaanse strijdkrachten. Gelet hierop had verweerder niet zonder meer de conclusie kunnen trekken dat de aanval niet op de persoon van verzoekers gericht was. Niet uitgesloten kan worden dat de aanval een gerichte aanval tegen de Armeense bevolking in Zakjanatak was, die als een daad van vervolging zou kunnen worden beschouwd. De bestreden besluiten zijn in zoverre onvoldoende gemotiveerd.

10. Het vorenstaande neemt niet weg dat verweerder zich in de bestreden besluiten naar het oordeel van de president terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekers zich aan eventuele problemen in Azerbeidzjan kunnen onttrekken door zich in Nagorny Karabach te vestigen. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 december 1999 blijkt dat deze enclave als vestigingsmogelijkheid voor etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan kan worden aangemerkt, zowel voor degenen die afkomstig zijn uit Bakoe en omgeving als uit andere delen van Azerbeidzjan.

Verzoekers hebben aangevoerd dat, nu Nagorny Karabach niet rechtstreeks vanuit Azerbeidzjan te bereiken is, maar slechts via Armenië, dit niet als binnenlands vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. In dit verband hebben zij gewezen op de uitspraken van de president van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 30 november 2000 (AWB 00/545 en 00/546; Jub 2001, nr. 3 - 98) en van de president van deze rechtbank, zittingsplaats Assen, van 19 april 2001 (AWB 00/65778 en 00/67307; Jub 2001, nr. 10 - K406). In die uitspraken is de vraag opgeworpen of het tegenwerpen van Nagorny Karabach als binnenlands vluchtalternatief mogelijk dan wel gerechtvaardigd is, indien dat alternatief slechts is te bereiken via het grondgebied van een ander land, te weten Armenië. De president overweegt naar aanleiding hiervan dat uit voornoemd ambtsbericht blijkt dat vanuit Armenië vrij gereisd kan worden naar Nagorny Karabach. Verzoekers kunnen Nagorny Karabach derhalve via Armenië bereiken, welke situatie verweerder bij het nemen van een beslissing op bezwaar in aanmerking kan nemen. De president acht niet aannemelijk dat de omstandigheid dat verzoekers niet de Armeense nationaliteit hebben er aan in de weg staat dat zij via dat land Nagorny Karabach kunnen bereiken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit voornoemd ambtsbericht noch uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 mei 2000 over de situatie in Armenië blijkt dat de Armeense overheid belemmeringen opwerpt ten aanzien van de vestiging in Nagorny Karabach van etnische Armeniërs afkomstig uit Azerbeidzjan. Laatstgenoemd ambtsbericht maakt integendeel melding van een aanmoedigingsprogramma om Karabachi te doen terugkeren, welk programma onder meer bestaat uit

vrij transport en hulp bij de wederopbouw van verwoeste woningen (par. 3.4.2). Weliswaar wordt niet vermeld dat dit programma betrekking heeft op de vestiging in Nagorny Karabach van etnische Armeniërs afkomstig uit andere delen van Azerbeidzjan, maar dit duidt niettemin op een positieve houding van de Armeense overheid ten aanzien van vestiging in Nagorny Karabach. Ook vermeldt het ambtsbericht dat de inspanningen van de Armeense overheid gericht zijn op naturalisatie en integratie van de groep etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan. Ook daarmee valt moeilijk te rijmen dat het niet bezitten van de Armeense nationaliteit een probleem zou vormen in geval van doorreis van etnische Armeniërs naar Nagorny Karabach.

Verzoekers hebben verder gesteld dat zij wegens hun leeftijd en het spreken van een vreemd Armeens dialect niet in Nagorny Karabach terecht kunnen. De president is hier echter niet van overtuigd geraakt. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat

verzoekers van gevorderde leeftijd zijn, maar dat zij zich van 1992 tot 1999 onder moeilijke omstandigheden in Azerbeidzjan staande hebben gehouden, waarbij zij in hun levensonderhoud voorzagen door het houden van vee en verbouwen van groenten. Zij

leefden toen onder etnische Armeniërs, hetgeen ook in Nagorny Karabach het geval zal zijn. Dat zij aldaar problemen zullen ondervinden door een afwijkend accent acht de president niet aannemelijk. Tenslotte is niet gebleken dat de gezondheidstoestand

van verzoekers zich tegen vestiging in Nagorny Karabach verzet.

11. Gelet op het vorenstaande is de president van oordeel dat verweerder terecht verzoekers niet aanmerkt als vluchteling.

12. Ingevolge artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkenen een reëel risico lopen te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. De president is van oordeel dat niet aannemelijk is dat verzoekers bij terugkeer naar Nagorny Karabach of Armenië een dergelijk risico lopen. Daartoe wordt in de eerste plaats verwezen naar

hetgeen onder 10. is overwogen. De president neemt voorts in aanmerking dat verzoekers als etnische Armeniërs op grond van de Armeense staatsburgerschapswetgeving de Armeense nationaliteit kunnen krijgen. Uit voornoemd ambtsbericht over Armenië blijkt weliswaar dat soms sprake is van enige spanningen tussen in Armenië geboren en getogen Armeniërs en etnische Armeniërs die Azerbeidzjan zijn ontvlucht, maar geenszins van een voor laatstgenoemden onleefbare situatie. Voorts zijn, zoals gezegd, de inspanningen van de overheid gericht op naturalisatie en integratie van deze groep en wordt hulp verleend bij het verkrijgen van huisvesting.

13. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden.

14. Op grond van al het vorenstaande is de president voorts van oordeel dat verweerder terecht op grond van artikel 32, eerste lid, Vw1965 heeft besloten de uitzetting van verzoekers niet achterwege te laten. De verzoeken tot het treffen van een

voorlopige voorziening worden daarom afgewezen.

15. Ingevolge artikel 33b Vw1965 beslist de president bij een voorlopige voorziening gericht tegen de beschikking de uitzetting niet achterwege te laten hangende de afdoening van het bezwaar, zoveel mogelijk tevens over de niet-inwilliging van de

aanvraag om toelating. Aangezien deze bepaling mede ziet op de behandeling van het bezwaarschrift, stelt de president vast dat ingevolge artikel 118, tweede lid, Vw2000, deze bepaling van toepassing is gebleven.

16. Nu nader onderzoek door verweerder naar het oordeel van de president redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaken, worden de bezwaren met toepassing van artikel 33b Vw1965 ongegrond verklaard.

17. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de president niet gebleken.

III. BESLISSING

De president:

RECHT DOENDE:

1. verklaart de bezwaren ongegrond;

2. wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. E. Dijt en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2001, in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Rijkelijkhuizen, griffier.