Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7296

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-10-2001
Datum publicatie
17-01-2002
Zaaknummer
AWB 01/48515 VRONTN, 01/48516
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / horen ter zitting.

Het beroep is op 5 november 2001 door de rechtbank ontvangen. Het beroep is aanvankelijk binnen de termijn behandeld. Bij de zitting van 12 november 2001 is de vreemdeling niet aangevoerd. De gemachtigde van de vreemdeling heeft bij die zitting zijn belangen behartigd en namens hem het woord gevoerd. Derhalve kan niet worden staande gehouden dat niet tijdig een aanvang is gemaakt met het horen van de vreemdeling. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2001, nr. 200102633/1, over het maken van een aanvang met het horen van de vreemdeling. Dat de betreffende overwegingen slechts gelden in het geval de oorzaak van het niet horen van de vreemdeling gelegen is in de afwezigheid van een tolk, valt naar het oordeel van de rechtbank daaruit niet af te leiden. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de rechten van het kind 3, geldigheid: 2001-10-04
Verdrag inzake de rechten van het kind 37, geldigheid: 2001-10-04
Vreemdelingenwet 2000 6, geldigheid: 2001-10-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/83

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 94 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 01 / 48515 VRONTN H

AWB 01 / 48516 VRONTN H

inzake: A, geboren op [...], B, geboren op [...] en C, geboren op [...], allen van Israëlische nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, hierna te noemen: de vreemdelingen,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te ’s-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 2 oktober 2001.

De vreemdelingen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.E. Stassen-Buijs, advocaat te Amsterdam.

Verweerder heeft telefonisch laten weten niet ter zitting te verschijnen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 23 september 2001 zijn de vreemdelingen ex artikel 3 Vw op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdelingen is op diezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw toegepast.

1.2 Op 24 september 2001 hebben de vreemdelingen aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.

Bij besluit van 26 september 2001 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. De ten aanzien van de vreemdelingen toegepaste vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vw is in het besluit gehandhaafd. Namens de vreemdelingen is op 26 september 2001 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, welk verzoek op diezelfde datum weer is ingetrokken. Tegen het besluit van 26 september 2001 waarbij de aanvragen zijn afgewezen is geen ander rechtsmiddel aangewend.

1.3 Bij kennisgeving ex artikel 94, eerste lid, Vw, van 25 september 2001, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van de vrijheidsontnemende maatregel.

2. Overwegingen

2.1 Namens de vreemdelingen is allereerst aangevoerd dat aan C, hoewel hij minderjarig is, zelfstandig diverse formulieren met betrekking tot de aan hem en zijn ouders opgelegde vrijheidsontnemende maatregel uitgereikt heeft gekregen. Het getuigt van onzorgvuldigheid om een minderjarig kind op deze wijze in een procedure te betrekken. Voorts is aangevoerd dat de inhoud van de beschikking tot oplegging van de maatregel aan de vreemdelingen in de Engelse taal is medegedeeld, terwijl uit een door hen meegenomen stuk uit Israël blijkt dat zij deze taal niet beheersen. Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 29 juni 2001 (met kenmerk AWB 01/21300 VRONTN H), is verder aangevoerd dat het Grenshospitium te Amsterdam geen geschikte plaats voor tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel voor kinderen is. Verweerder heeft geen belangenafweging gemaakt waarom in dit specifieke geval niet zou kunnen worden volstaan met een minder zwaar middel van toezicht dan toepassing van een vrijheidsontnemende maatregel. Tenslotte is nog aangevoerd dat de vreemdelingen in het bezit zijn van documenten voor grensoverschrijding en van een retourticket naar Israël. Onder gegeven omstandigheden valt niet in te zien waarom de vreemdelingen niet reeds zijn verwijderd en verweerder wordt dan ook onvoldoende voortvarendheid verweten.

2.2 De rechtbank overweegt als volgt.

2.3 Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat aan de minderjarige C zelf een beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6 lid 1 en 2 Vw is uitgereikt en hem afzonderlijk een removal order is gegeven. Met de vreemdelingen is de rechtbank van oordeel dat het niet aangaat om een kind van negen jaar op deze wijze in een procedure als hier aan de orde te betrekken. Deze handelwijze is, voor zover de rechtbank bekend, ook niet conform verweerders vaste uitvoeringspraktijk.

Het vorenstaande tast evenwel op zichzelf de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel niet aan en kan dus, anders dan door de vreemdelingen voorgestaan, niet leiden tot opheffing van die maatregel.

2.4 Verweerder is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden.

2.5 Ingevolge het bepaalde in hoofdstuk A5 onder 2.2.4. van de Vc 2000 dient – voor zover hier van belang – de bevoegde ambtenaar een afschrift van de beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6 lid 1 of lid 1 en 2 Vw uit te reiken aan de vreemdeling, waarbij de inhoud van de beschikking en de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de rechtbank in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal aan hem moet worden meegedeeld.

2.6 De rechtbank stelt vast dat in het ambtsedig opgemaakt plaatsingsbesluit is opgenomen dat de vreemdelingen in de Engelse taal, die door hen in voldoende mate wordt beheerst, is medegedeeld dat hen de toegang tot Nederland is geweigerd, dat hen de vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd en dat hiertegen een rechtsmiddel open staat. Voorts hebben de vreemdelingen ter zitting verklaard, hoewel gebrekkig, toch enige kennis van deze taal hebben. Er dient dan ook vanuit gegaan te worden dat hen voldoende duidelijk is geworden wat de reden is van de opgelegde maatregel en dat daartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. In het licht van een en ander komt aan het zich in het procesdossier bevindende ongedateerd schrijven met de mededeling dat zij geen Engels spreken geen doorslaggevende betekenis toe.

2.7 Ten aanzien van de grief dat het Grenshospitium geen geschikte plaats voor kinderen is voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel overweegt de rechtbank dat deze stelling, mede gelet op bestaande jurisprudentie, niet in zijn algemeenheid kan worden onderschreven. Voorts is gesteld noch gebleken dat in de onderhavige zaak sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die met zich brengen dat het Grenshospitium zich niet leent voor de tenuitvoerlegging van de maatregel of waaruit blijkt dat alternatieve opvang voorhanden is. Verweerder heeft dan ook kunnen volstaan met de gegeven motivering.

2.8 De verwijzing door de vreemdelingen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats met kenmerk AWB 01/21300 VRONTN H, leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe is het volgende overwogen.

In die zaak betrof het een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel, opgelegd aan een vreemdelinge met een minderjarig kind. De rechtbank overwoog als volgt:

„(…) De rechtbank acht in dit verband van belang de artikelen 3, eerste lid, en 37, aanhef en onder b, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Artikel 3, eerste lid van dit Verdrag bepaalt, voor zover van belang, dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Artikel 37, aanhef en onder b, van het Verdrag geeft aan dat de aanhouding, inhechtenisneming en gevangenneming van een kind slechts wordt gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur. Nu in het onderhavige geval uitdrukkelijk was gevraagd te volstaan met een minder ingrijpende maatregel van toezicht dan de maatregel van vrijheidsbeneming had verweerder bij de oplegging van de maatregel dienen aan te geven op welke wijze in dit concrete geval de belangen van het kind zijn gewogen en invulling is gegeven aan de verplichtingen op grond van de artikelen 3, eerste lid en 37, aanhef en onder b, van het Verdrag. Door niet in te gaan op het voorstel van de vreemdeling dat zij met oplegging van een minder ingrijpende maatregel van toezicht samen met haar kind zou kunnen verblijven bij vrienden in Nederland, heeft verweerder de oplegging van vrijheidsbenemende maatregel niet deugdelijk gemotiveerd. (…)“

2.9 Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen blijkt dat in die zaak verweerder uitdrukkelijk was verzocht te volstaan met een minder ingrijpende maatregel van toezicht dan de maatregel van vrijheidsbeneming en bovendien dat er alternatieve opvang voorhanden was. In de onderhavige zaak is van een dergelijk verzoek noch van een alternatieve opvangmogelijkheid gebleken. In zoverre faalt het beroep op vorenaangehaalde uitspraak.

2.10 Het vorenstaande neemt niet weg dat, mede gelet op artikel 3, eerste lid jo 37, aanhef en onder b van het Verdrag inzake de rechten van het kind, de duur van de vrijheidsontneming van kinderen zo kort mogelijk dient te zijn. Dat betekent dat in zaken, waarin vrijheidsontneming van een kind aan de orde is, van verweerder verwacht mag worden extra inspanningen te leveren om de verwijdering uit Nederland zo spoedig mogelijk te effectueren. Uit het dossier blijkt niet dat verweerder reeds activiteiten ter fine van de uitzetting van de vreemdelingen heeft ondernomen, zodat het er voor gehouden moet worden dat tot de datum van de zitting van zodanige activiteiten geen sprake is geweest. De termijn van vijf dagen tussen 26 september 2001, de datum vanaf welke de vreemdelingen na intrekking van hun verzoek om een voorlopige voorziening, uitzetbaar zijn en de datum van de zitting, is evenwel niet zodanig lang dat verweerder nu reeds onvoldoende voortvarend handelen kan worden verweten.

De rechtbank gaat ervan uit dat de uitzetting van de vreemdelingen, die in het bezit zijn van documenten voor grensoverschrijding en een retourticket, binnen zeer korte termijn kan plaatsvinden.

2.11 De rechtbank is ook overigens van oordeel dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 6 Vw thans niet in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

2.12 Het beroep is derhalve ongegrond.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2001, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Foppe als griffier.

Afschrift verzonden op:

5 oktober 2001

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC

’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.