Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7194

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2001
Datum publicatie
17-12-2001
Zaaknummer
09/900560-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/900560-01

rolnummer 7

's-Gravenhage, 14 december 2001

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Paramaribo (Suriname),

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 30 november 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsvrouw mr M.S.C. Leistra, is verschenen en gehoord.

Er hebben zich twee benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr Keulen heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 3, 4 en 5 tweede cumulatief/alternatief telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen doek, schoenen en kledingstukken, genummerd 3, 4, 5 en 6, zullen worden verbeurdverklaard en dat de blijkens deze Beslaglijst onder verdachte inbeslaggenomen brieven met notities, genummerd 1 en 2, alsmede de jas, genummerd 7, zullen worden teruggegeven aan verdachte.

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [slachtof[slachtoffer 1] ter zake van de posten 1, 2 en 6 tot een bedrag van f 7.412,75 en van de vordering van [slachtoffer 2] tot een bedrag van f 850,-.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot f 7.412,75 subsidiair 74 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] en van een bedrag groot f 850,- subsidiair 17 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2]

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 2 tweede cumulatief/alternatief en onder 5 eerste cumulatief/alternatief is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3, 4 en 5 tweede cumulatief/alternatief vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft zich in twee maanden tijd schuldig gemaakt aan een reeks van zeer ernstige vermogensdelicten, waarbij hij er niet voor schuwde met geweld te dreigen. Bij deze overvallen heeft verdachte onder zeer bedreigende omstandigheden geld en goederen weggenomen dan wel de slachtoffers tot afgifte daarvan bewogen of getracht te bewegen. Verdachte heeft daarbij de slachtoffers grote schrik en angst aangejaagd door een - met scherpe munitie doorgeladen - vuurwapen op hen te richten dan wel hen dit dreigend voor te houden, waarbij dit vuurwapen ook eenmaal daadwerkelijk is afgegaan. Door met een geladen vuurwapen te dreigen heeft verdachte bewust het risico genomen dat het zou afgaan. De rechtbank rekent het verdachte bovendien zwaar aan dat hij daarnaast telkens dreigende woorden heeft gebruikt om zijn doel te bereiken, hetgeen de dreiging voor de slachtoffers nog eens aanzienlijk heeft versterkt. Het is bekend dat dergelijke delicten grote psychische schade kunnen veroorzaken bij de betrokkenen. Verdachte heeft slechts gedacht aan eigen voordeel en is volstrekt voorbijgegaan aan de gevolgen van zijn handelwijze voor de slachtoffers. De rechtbank neemt verdachte zijn grote achteloosheid - kennelijk, naar ook ter terechtzitting naar voren kwam, voortvloeiend uit zijn bitterheid jegens de hele maatschappij - kwalijk met betrekking tot het lot van zijn slachtoffers: als er geschoten werd dan was dat het risico dat zij liepen als zij niet aan zijn eisen tegemoet kwamen.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 10 september 2001 reeds veelvuldig met de politie en de justitie in aanraking is geweest, ook voor soortgelijke feiten.

Gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten, zoals hierboven uiteengezet, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 3, 4, 5 en 6 verbeurdverklaren, zijnde deze voorwerpen voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien

met behulp van deze aan verdachte toebehorende voorwerpen de opsporing van de bewezenverklaarde misdrijven is belemmerd, nu verdachte deze kleding die hij droeg bij het plegen van feit 1 direct heeft uitgetrokken en weggegooid om herkenning te voorkomen.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, 2 en 7, te weten 1: een brief, notitie met daarop vermeld 06-13372784 Edde; 2: een brief, notitie met daarop vermeld Karlos 06-18991635; 7: een jas Kl:blauw ADIDAS, rood/witte strepen.

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1], wonende [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot f 7.572,75.

Deze vordering, voorzover betrekking hebbend op het bedrag van f 1.605,-, zijnde de kosten van een trauma deskundige, is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd en is eenvoudig van aard. Bovendien vindt zij - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - rechtstreeks haar grondslag in het bij dagvaarding onder 1 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

Voorzover de vordering betrekking heeft op het bedrag van f 4.557,75, zijnde de kosten van de uren ziekteverzuim, acht de rechtbank de kosten van de eerste zes weken, die een bedrag vertegenwoordigen van f 2.085,75, eenvoudig van aard, nu de benadeelde partij een eigen risico heeft voor de kosten van ziekteverzuim gedurende de eerste zes weken. Ook vindt de vordering voor wat dit gedeelte betreft rechtstreeks haar grondslag in het bij dagvaarding onder 1 telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering voor een bedrag van f 3.690,75 en zal deze vordering voor dit gedeelte toewijzen.

Voorzover de vordering betrekking heeft op de bedragen van f 75,- respectievelijk f 85,-, zijnde de kosten van de bloemen voor de gedupeerden en voor diegenen die hulp boden bij de aanhouding van verdachte, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien deze kosten niet als rechtstreekse schade kunnen worden aangemerkt die is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij ook voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, aangezien de vordering voor wat dit gedeelte betreft niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Ook [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot f 850,-.

Deze vordering is eenvoudig van aard en vindt rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag in het bij dagvaarding onder 4 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregelen

Nu verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 4 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot f 3.690,75 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] voornoemd en een bedrag groot f 850,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] voornoemd, onder bepaling van vervangende hechtenis van na te noemen duur.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 33, 33a, 36f, 45, 57, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 2 tweede cumulatief/alternatief en 5 eerste cumulatief/alternatief telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3, 4 en 5 tweede cumulatief/alternatief telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, feit 2 eerste cumulatief/alternatief en feit 4:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 3:

AFPERSING;

ten aanzien van feit 5 tweede cumulatief/alternatief:

POGING TOT AFPERSING;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 6 JAAR;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 7 september 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 10 september 2001;

verklaart verbeurd de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 3, 4, 5 en 6, te weten 3. 1.00 STK Doek Kl:wit; 4. 1.00 Pr Schoenen Kl: wit/blauw NIKE; 5. 1.00 STK Broek Kl: beige WESTBOUND; 6. 1.00 STK Sweater Kl: meerkl. HARDWARE;

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, 2 en 7, te weten: 1. 1.00 STK Brief - Notitie met daarop vermeld 06-13372784 Edde; 2. 1.00 STK Brief - Notitie met daarop vermeld Karlos 06-18991635; 7. 1.00 STK Jas Kl:blauw ADIDAS Jas is vies, voering gescheurd. Rood/witte strepen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], wonende [adres], een bedrag van f 3.690,75, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voornoemd voor het overige niet ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding, en dat deze zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot f 3.690,75 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] voornoemd;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 43 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [adres], een bedrag van f 850,-, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot f 850,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] voornoemd;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 17 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Elkerbout, voorzitter,

Van Harte en Van der Veen, rechters,

in tegenwoordigheid van Van den Bosch, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 december 2001.