Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7133

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2001
Datum publicatie
18-01-2002
Zaaknummer
AWB 01/46792 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / tweede aanvraag / uitreiking beschikking.

Eiser heeft een aanvraag tot verlening van een vtv voor verblijf bij zijn Nederlandse minderjarige kinderen en voor verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard gedaan. Eisers partner, de moeder van de twee minderjarige kinderen, beiden geboren in 1997, is overleden in 1999. Eiser is in het bezit van een Franse verblijfsvergunning. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag van eiser om een vtv bij zijn kinderen niet past in de categorieën waarvoor beleid is geformuleerd in B1 van Vc-1994. Dit beleid ziet immers op de situatie dat de gezinsleden die moreel en financieel afhankelijk zijn van de referent, welke afhankelijkheid reeds in het buitenland moet hebben bestaan, verblijf vragen. In deze situatie betreft het een vader die bij zijn minderjarige Nederlandse kinderen wil verblijven die van hem afhankelijk zijn. Volgens de rechtbank is er ten onrechte aan dit beleid getoetst. Er is wel sprake van family life in de zin van artikel 8 EVRM echter geen inmenging daarin omdat het besluit om eiser niet in het bezit te stellen van een vtv er niet toe strekt hem een verblijfstitel te ontnemen. Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of er voor verweerder uit artikel 8 EVRM een verplichting voortvloeit om aan de vreemdeling een vtv toe te kennen. Ter beantwoording van die vraag dient een belangenafweging plaats te vinden tussen het individu en de gemeenschap. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in onderhavige zaak een aantal omstandigheden ten onrechte niet meegewogen in deze belangenafweging. Het betreft de volgende omstandigheden: dat eiser vanaf 1995, (grotendeels) in Nederland verblijft hetgeen mogelijk was omdat hij in het bezit was van een Franse verblijfsvergunning. Niet uitgesloten kan worden dat een aanvraag voor verlijf bij Nederlandse partner, indien aangevraagd, ingewilligd zou zijn en op grond daarvan aansluitend gelet op het bepaalde in de Vrouwennota mogelijk recht op voortgezet verblijf zou hebben gehad. Eiser is belast met het ouderlijk gezag over de kinderen en draagt sinds het overlijden van de partner alleen de zorg voor de verzorging en opvoeding. Er is regelmatig contact met de schoonfamilie. Er mag van uit worden gegaan dat het de wens van eisers overleden partner, alsmede van de schoonfamilie is dat de kinderen in Nederland blijven en een Nederlandse opvoeding zal krijgen. De rechtbank gaat er vooralsnog van uit dat eiser duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Eiser heeft in Nederland een sociaal netwerk waar hij een beroep op kan doen voor opvang van de kinderen. Het is aannemelijk dat eiser niet over een dergelijk netwerk beschikt in Frankrijk of Kameroen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bovengenoemde omstandigheden onvoldoende meegenomen in de belangenafweging bij de vraag of er sprake is van een positieve verplichting om eiser verblijf in Nederland toe te staan. De beslissing is onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.116
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Vreemdelingenzaken

Enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/46792 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1959, van Congolese nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting „Oostereiland“ te Hoorn, eiser,

gemachtigde: mr. L.B. Vellenga-van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.E.W. Buskens, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 1 augustus 2001 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 31 augustus 2001 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij besluit van 17 september 2001 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 18 september 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 9 oktober 2001. Op 22 oktober 2001 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 6 november 2001 heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en, met toepassing van artikel 8:86 Awb, tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2001. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

1. In dit geding gaat de president uit van de volgende feiten. Eiser is op 17 april 2001 op de luchthaven Schiphol de toegang geweigerd. Hij is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 geplaatst in het Aanmeldcentrum Schiphol.

Op 18 april 2001 heeft eiser een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning asiel. Bij besluit van 20 april 2001 is de asielaanvraag van eiser afgewezen. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 4 mei 2001 heeft de president van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

2. De rechtbank heeft bij uitspraken van 3 mei 2001, 21 juni 2001 en 26 juli 2001 geoordeeld dat het beroep op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, ongegrond is.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eiser heeft het volgende asielrelaas naar voren gebracht. Hij werd verdacht van samenwerking c.q. samenzwering met Libanezen, die een aanslag op Kabila hadden gepleegd, aangezien hij een van deze Libanezen in zijn taxi heeft vervoerd. Hij heeft twee dagen in detentie gezeten. Hij vraagt opnieuw asiel aan omdat hij met documenten, die hij in zijn vorige procedure niet heeft kunnen overleggen, zijn asielrelaas kan ondersteunen. Hij heeft deze documenten via het Congo Documentatie Centrum kunnen verkrijgen. Voorts heeft eiser in zijn eerste procedure niet durven vertellen dat hij op zijn geslachtsdeel werd gebrand met een sigaret tijdens zijn detentie, omdat hij werd gehoord door vrouwen.

Eiser legt aan het beroep ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Het rapport van het nader gehoor alsmede het voornemen zijn niet aan eiser uitgereikt. Dit is in strijd met artikel 3.116 van het Vreemdelingenbesluit (Vb), waarin staat dat indien de Minister voornemens is de aanvraag af te wijzen van een vreemdeling die van zijn vrijheid is beroofd, het schriftelijk voornemen aan de vreemdeling wordt uitgereikt. Uit dit artikel volgt dat de termijn voor het uitbrengen van een zienswijze begint te lopen direct na uitreiking van dit voornemen. Er is geen termijn genoemd waarbinnen een reactie diende te worden toegezonden. Het rapport van het nader gehoor alsmede de beschikking zijn wel naar het kantoor van de gemachtigde gefaxt. Op 17 september 2001 heeft de IND gebeld met de gemachtigde of er nog een zienswijze werd ingediend. De gemachtigde heeft geantwoord daarmee bezig te zijn. Diezelfde dag nog om 20.34 uur werd de afwijzende beschikking naar de gemachtigde gefaxt met de mededeling dat er geen reactie op het voornemen was ontvangen. Deze gang van zaken kan niet door de beugel en is in strijd met de wet.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Daartoe voert verweerder aan dat eiser tot op heden geen enkel origineel document heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft weliswaar ter ondersteuning van zijn aanvraag kopieën overgelegd van zijn rijbewijs, een oproep om te verschijnen op het politiebureau, een opsporingsbevel, een schrijven van de High Commissioner For Human Rights Field Office in Congo alsmede diverse bescheiden en foto’s met betrekking tot zijn taxi, echter dit leidt niet tot het oordeel dat hij afdoende heeft meegewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en/of asielrelaas. Verwezen wordt naar de eerdere beschikking van 20 april 2001 en de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2001.

Verder wordt in dit verband overwogen dat de door eiser overgelegde documenten kopieën betreffen, hetgeen een onderzoek naar de authenticiteit van deze documenten onmogelijk maakt. Nu bovendien het asielrelaas reeds is getoetst en ongeloofwaardig is bevonden, wordt onderzoek naar de echtheid van voornoemde documenten niet opportuun geacht.

In het verweerschrift heeft verweerder nog het volgende aangevoerd. De overgelegde stukken zijn geen nova in de zin van artikel 4:6 Awb. Niet valt in te zien waarom eiser deze stukken niet eerder heeft overgelegd. In artikel 3.116 Vb staat niet dat het voornemen aan eiser in persoon dient te worden uitgereikt. Voorts is het vaste jurisprudentie dat door toezending van een besluit aan de gemachtigde sprake is van juiste bekendmaking. De gemachtigde heeft in haar beroepschrift erkend dat het voornemen aan haar is toegezonden. Er is nog gebeld om 17.00 uur naar de gemachtigde, maar de ambtenaar kreeg het antwoordapparaat aan de lijn. Hieruit heeft verweerder terecht afgeleid dat het kantoor van de gemachtigde gesloten was en dat zij aldus geen zienswijze meer zou toesturen. De enkele omstandigheid dat het besluit om 20.30 uur aan haar werd toegezonden doet hieraan niet af.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. In artikel 3:41 Awb staat dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 3.115, eerste lid en aanhef onder a, Vb wordt het schriftelijk voornemen om de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te wijzen, aan de vreemdeling medegedeeld door uitreiking of toezending ervan.

Het tweede lid van artikel 3.115 Vb bepaalt dat de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren brengt, aanvangt met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt of toegezonden.

In artikel 3.116, eerste lid, Vb staat het volgende vermeld: „Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag, als bedoeld in artikel 3.115, eerste lid, onder a, b en c, van een vreemdeling aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 6 of artikel 59 van de Wet, af te wijzen terwijl de vrijheidsontneming voorduurt, het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling wordt uitgereikt. Artikel 3.115, eerste tot en met vierde lid, is niet van toepassing.“

4. De rechtbank overweegt dat artikel 3:41 Awb een keuzemogelijkheid kent: het besluit kan worden toegezonden of uitgereikt. Deze bepaling sluit niet uit dat een bepaalde wijze van bekendmaking wordt voorgeschreven. Artikel 3.116 Vb is dan ook niet in strijd met de wet. Ook uit de nota van toelichting bij het Vreemdelingbesluit blijkt dat in artikel 3.115 Vb uitdrukkelijk de keuze is neergelegd voor uitreiking of toezending, terwijl artikel 3.116 Vb op dit punt afwijkt van het bepaalde in artikel 3.115 Vb in die zin dat, in geval van vrijheidsontneming van de vreemdeling, uitsluitend uitreiking wordt voorgeschreven. Verweerder had aldus niet kunnen volstaan met toezending van het voornemen per fax aan de gemachtigde van eiser. De termijn voor het indienen van de zienswijze, welke is gekoppeld aan de uitreiking van het voornemen, is derhalve nimmer gaan lopen. Daarbij komt dat in dit voornemen door verweerder geen termijn genoemd is voor het indienen van deze zienswijze. Op grond van deze gang van zaken is het derhalve niet juist om, uitgaande van het feit dat het voornemen niet is uitgereikt, vervolgens te stellen dat de zienswijze niet tijdig is ingediend.

5. Een en ander behoeft nog geen gevolg te hebben, indien zou blijken dat eiser door deze gang van zaken niet in zijn belangen is geschaad. Daartoe is van belang dat verweerder op 17 september 2001 bij de gemachtigde heeft ge nformeerd of deze alsnog, en wel op diezelfde dag, een zienswijze zou gaan indienen. Na deze mededeling moet het als onzorgvuldig worden aangemerkt dat de beslissing eveneens op dezelfde dag, om 20.34 uur, naar de gemachtigde van eiser is toegezonden per fax, louter op grond van het feit dat verweerder om 17.00 uur bij eisers gemachtigde een antwoordapparaat aan de lijn kreeg. Nu de desbetreffende afdeling van verweerder (het AC-Schiphol), zoals onweersproken is gesteld, normaliter een werktijd tot 22.00 kent, hetgeen ook uit het tijdstip van de verzending van de beslissing blijkt, mag verweerder er niet vanuit gaan dat uit het feit dat om 17.00 uur een antwoordapparaat aanstaat voor de gemachtigde van eiser de werktijd op die dag kennelijk is beëindigd De dag was nog niet verstreken, zodat de mogelijkheid voor het indienen van een zienswijze nog steeds openstond.

6. De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot het oordeel dat verweerder met het bestreden besluit in strijd is gekomen met artikel 3:2 Awb. Van belang is hierbij dat uit de Memorie van Toelichting (TK 1998-1999, 26732, nr. 3) blijkt dat het afschaffen van de bezwaarprocedure er niet toe mag leiden dat de rechter, die zich mogelijkerwijs moet uitspreken over de door IND genomen beslissing, zich moet buigen over een dossier dat door het ontbreken van de bezwaarfase minder duidelijk zou zijn omtrent het standpunt van beide partijen met betrekking tot de feiten. Ook in de Memorie van Antwoord (EK 1999-2000, 26732, nr. 5b) is opgenomen dat de voornemenprocedure is bedoeld om te waarborgen dat de rechter beschikt over een goed opgebouwd dossier, waarin de standpunten van de verschillende partijen zijn neergelegd en dat deze voornemenprocedure de kwaliteit van de primaire beschikking waarborgt. De wetgever heeft derhalve groot belang gehecht aan de voornemenprocedure en de mogelijkheid om een zienswijze daarop in te dienen, in combinatie met het afschaffen van de bezwaarprocedure in asielzaken, een schending van de daarbij behorende procedureregels niet licht kan worden aanvaard. In de onderhavige zaak is daartoe in ieder geval geen aanleiding.

7. Het beroep van eiser is mitsdien gegrond wegens het ontbreken van een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f 1420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1420,-- (zegge: veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 23 november 2001, door mr. J.P. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee, griffier.

Afschrift verzonden op: 5 december 2001

Conc: JL

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.